Puurheid

Ik hoop dat ik geen gelijk heb, maar ik denk dat Purity gaat tegenvallen.

De nieuwe roman van Jonathan Franzen verschijnt komende maand en in de marge zijn de mondiale reclamejongens al aan het warmlopen, en zo vernemen we van alle kanten dat de twee hoofdrollen in het boek vertolkt worden door 1) een meisje van de Occupy-beweging en 2) een man die staatsgeheimen lekt en daarom onderduikt bij een ambassade.

Heel in de verte klinkt me dat bekend. Heb ik over zulke gevallen niet eens ergens gelezen, in een krant misschien?

Ik hoop dat ik geen gelijk heb, maar ik denk dat Purity past in een trend van oprukkende journalistieke fictie, geschreven door auteurs van naam die zich nadrukkelijk op iconen uit het publieke domein storten. Dave Eggers over Mark Zuckerberg, Leon de Winter over Osama bin Laden, Jonathan Franzen over Snowden/Assange, Eva Posthuma de Boer over Connie Palmen.

Niets mis met boeken die de tijdgeest willen vangen, een aansteker onder de reet van het heden willen houden, enzovoort, maar soms vraag je je af wat zulke fictie nu precies toevoegt aan de eindeloze stapel journalistiek die er rond die grote mondiale kwesties als Assange, Osama en Connie Palmen al is aangekoekt.

Maar Philip Roth dan? Die schreef toch ook over de rassenrellen, de Vietnam-oorlog, Watergate, Demjanjuk en La Palmen… Inderdaad, maar Roth deed het op die manier die Flaubert eens in een simpele formule vatte: de personages op de voorgrond zijn verzonnen, het decor op de achtergrond is werkelijk. Of het nu de Franse Revolutie is, de Enschedese vuurwerkramp, de aanval op Pearl Harbour, de aanslagen op Charlie Hebdo, of het omvallen van twee hijskranen in Alphen aan den Rijn: de beste fictie krijg je door die werelden haast onopvallend, haast terloops, als decor te nemen.

De slinger tussen verbeelding en werkelijkheid is duidelijk uitgeslagen naar die laatste

De beste fictie gaat niet over Napoleon, maar over de kok van Napoleon, over de postbode van Pablo Neruda, over de leerling van Leonardo da Vinci. De grote historische figuren zijn onbruikbaar. Ze staan maar in de weg, ze ontnemen je elk zicht. Ze zijn zo bekend dat je voortdurend uitroept: maar dat klopt niet, zo is het niet gegaan! Reality checks zijn fnuikend voor het literaire libido. Fictieve figuren, in de schaduw van de groten, die zijn wendbaar, en doordat die naar de voorgrond worden getrokken kan het wonder van de literatuur zijn werk doen en is het alsof de vertelling bij de randen beetgepakt wordt, en opgetild wordt tot iets wat los van de toevallige tijd betekenis heeft, en, in zeldzame gevallen, behoudt.

Romans gaan niet over King Henry, Caesar, Connie of Strauss-Kahn. Ze gaan over verraad, jaloezie, trouw, macht, zelfopoffering, wraak en obsessies. Ze gaan over gekken, geilaards en neuroten.

Ik hoop dat ik geen gelijk heb, maar ik denk dat romans als Purity graag inspelen op de grote vraag naar journalistieke boeken. We lezen massaal biografieën, als ze niet over Hermans of Steve Jobs gaan, dan toch wel over Kieft of André Rieu. We willen veldslagen nagespeeld zien, rampen tot in het kleinste detail gereconstrueerd en de vuigste roddels tot op de bodem onderzocht. De slinger tussen verbeelding en werkelijkheid is duidelijk uitgeslagen naar die laatste, en de romanschrijver rolt zijn bureaustoel graag die kant op. Dat scheelt fantaseren, levert journalistieke ‘aandacht’ op en heeft als niet onbelangrijk voordeel dat je je research vanuit diezelfde stoel kunt verrichten.

Het is wachten op de roman van Jonathan Safran Foer over Guantánamo Bay, die van Zadie Smith over Ferguson, en die van Anton Dautzenberg over de Terror Oehoe van Purmerend. Met zulke werkelijkheden heb je geen verbeelding meer nodig.

Ik hoop dat ik geen gelijk heb, maar ik denk wel eens: die jongens als Franzen, Foer, Knausgard of, dichter bij huis, Peter Buwalda, die beginnen te schrijven in de luwte van hun anonimiteit, ze rommelen wat aan en het blijkt, misschien wel tot hun eigen verrassing, goed te zijn. Dan slaat het ook nog eens aan bij het grote publiek, dan beginnen de tours langs de zalen, de vliegreizen naar de landen die vertalingen uitbrengen, de diners op de culturele ambassades, de lezeresjes die je brieven sturen en je naakt opwachten in de hotelsuites, de limousines, de achter dranghekken flauwvallende tienermeisjes, enfin, al die dingen waarvoor je ooit aan het vak begonnen bent, en intussen wordt de druk steeds groter om met een nieuw boek te komen, ook al is in de meeste gevallen de autobiografische grondstof opgestookt en zijn de praktische schrijfomstandigheden radicaal veranderd.

Dan biedt de actualiteit uitkomst: die spreekt een groot publiek aan, laat zich researchen vanuit elke hotelkamer en verzekert het in beweging blijven van het publicitaire vliegwiel. Zoiets zagen we bij Arnon Grunberg gebeuren, en nu ook bij Jonathan Franzen. Al hoop ik dat ik daar geen gelijk in heb.