Pyrrhus-overwinning

U bent afgelopen donderdag getuige geweest van een gebeurtenis van het kaliber 7 december 1941, 6 juni 1944, 9 november 1989, 11 september 2001. Om half drie ‘s middags maakte de president van de Europese Centrale Bank bekend 'onbeperkt’ staatsobligaties te zullen opkopen van eurostaten die in problemen dreigen te komen door te hoge renteopslagen. De markten reageerden euforisch. En dat ondanks een mandaat dat monetaire financiering van staatsschulden uitdrukkelijk verbiedt; geen cent mag er van centrale bank naar overheden gaan. Een afspraak die wortelt in een in 1992 overeengekomen arbeidsdeling: monetair beleid doet de ECB, fiscaal beleid doen staten. En in geen geval hoeven leden op te draaien voor de schulden van anderen. Waarvan akte.

Toch wierp ECB-president Mario Draghi zich die donderdag op als suikeroom van mediterrane staten. Waarom? Omdat de oplopende rentestanden van Spaanse en Italiaanse staatsobligaties niets met macro-economische vooruitzichten te maken hebben maar alles met twijfels over het voortbestaan van de euro, aldus Draghi. En daarmee komen de fiscale problemen van Italië en Spanje wel degelijk in het vizier van de ECB. De bank uit Frankfurt is naar Draghi’s lezing van het Verdrag van Maastricht immers verantwoordelijk voor het voortbestaan van de muntunie en mag in uitzonderlijke omstandigheden dus naar exceptionele middelen grijpen.

Donderdag 6 september verloor Duitsland zijn onschuld. Ga maar na. De ‘grand bargain’ van Kohl en Mitterrand behelsde de uitruil van het opgeven van Frans verzet tegen Duitse hereniging tegen het opgeven van Duits verzet tegen Franse zeggenschap over monetair beleid. De uitruil was historisch toevallig in de zin dat de sovjetimplosie de Duitse hereniging mogelijk maakte. En was historisch noodzakelijk in de zin dat Frankrijk weigerde nog langer het monetaire juk van de Bundesbank te accepteren. Onderdeel van deze uitruil was de eis dat de ECB op Duitse leest zou worden geschoeid, op Duits grondgebied zou worden gevestigd en door een Duitser of Duits-achtige zou worden geleid. Oftewel: de euro zou net zo hard als de mark zijn of niet zijn.

Sinds het uitbreken van de eurocrisis - zelf het gevolg van een explosieve combinatie van macro-economische onevenwichtigheden, een slecht ontworpen unie, implosie van gefinancialiseerd vastgoedkapitalisme en een frauderende staat - zijn deze beloftes hand over hand gebroken. Wel bail outs - in 2010 en 2011. En - sinds 6 september 2012 - wel monetaire financiering: ‘onbeperkt’ in de, naar Duitse oren, scabreuze woorden van Draghi. En daarmee is het contract dat de Duitse politieke kaste in 1992 met het eigen electoraat sloot niet alleen met voeten getreden maar ook een kat in de zak gebleken. Een dure hereniging - tweeduizend miljard euro sinds 1990 - in ruil voor de belofte van behoud van Duitse symbolen - monetaire stabiliteit, harde munt, prudent begrotingsbeleid en een onafhankelijke centrale bank - die, onder Fransman Trichet en Italiaan Draghi, zijn geofferd op het altaar van de euro. En Draghi’s beroep op ‘uitzonderlijke omstandigheden’ zal de Duitsers niet echt hebben gerustgesteld. In dat vermaledijde Weimar kon door democratische blokkades alleen maar via dit soort uitzonderingsbepalingen worden geregeerd. En iedere Duitser weet waar dat toe heeft geleid.

De commentaren liegen er dan ook niet om. Van links tot rechts, van progressief tot conservatief, van FAZ tot Bild duiden Duitsers de gebeurtenissen van afgelopen donderdag als het einde van de mark-verkleed-als-euro. Duitse media spreken van de ‘dood van de Bundesbank’, ‘de Club Med-ificatie van de ECB’, de ‘ver-liraïsering’ van de euro en betreuren het einde van het ordoliberalisme: een typisch Duitse stroming in de politieke economie die begrotingsdiscipline en harde munt als voorwaarde ziet voor economische voorspoed.
Maar dat is niet de enige reden waarom deze donderdag historisch is. Het besluit om ‘onbeperkt’ te financieren was namelijk niet unaniem. Jens Weidmann, de president van de Bundesbank, stemde tegen. Zoals het een centrale bankier betaamt, noemde Draghi Weidmann tijdens de persconferentie niet. Dat belette de Bundesbank niet om de volgende dag op haar website een groot interview van Weidmann met Der Spiegel te plaatsen waarin deze alsnog zijn bedenkingen uiteenzet. Onder centrale bankiers een affront van jewelste. Conflicten vecht je binnenskamers uit, niet via de media. Daarmee positioneert Weidmann zich als aanvoerder van het oplaaiende Duitse verzet tegen de mediterrane gijzeling van de euro.

De Bondsdagverkiezingen van september volgend jaar zouden zomaar in het teken van verdere Duitse deelname aan de euro kunnen komen te staan. En Draghi’s triomf van 6 september 2012 zou daarmee niet het begin van het einde van de eurocrisis kunnen inluiden - zoals beleggers en Spaanse en Italiaanse commentatoren nu menen - maar het begin van het einde van de euro. Een Pyrrusoverwinning noemen we dat.