Quasi-etniciteiten

Inburgering en assimilatie is al wat de klok slaat. Durft iemand het multi-culturalisme nog op principiele gronden te verdedigen? Ja, de Amerikaanser socioloog en filosoof Steven Seidman. Idealistisch? Naief? Eng politiek correct?
Steven Seidman houdt op vrijdag 19 mei, 20.30 uur in de Balie te Amsterdam de eerste Krisis-lezing georganiseerd door het gelijknamige filosofische tijdschrift. Titel: Wat wordt de kleur van de publieke ruimte? Co-referent is Jos de Beus.
JARENLANG WAS Amsterdam voor Steven Seidman een homoseksueel utopia. Tot hij er vorig jaar voor het eerst kwam. Inderdaad, van homofobie en discriminatie merkte hij weinig. Homo’s bleken zelfs een officieel met het huwelijk vergelijkbaar samenlevingsverband te kunnen aangaan. Niets leek de idylle te kunnen verstoren. Totdat het hem opviel hoe weinig lesbo’s en homo’s buiten de buurt rond de Reguliersdwarsstraat hand in hand liepen. Tot hij zag dat ook in het homowalhalla flikkers uiterst schaars figureren in reclame. Tot hij merkte dat de Nederlandse homo’s niets moesten hebben van een offensieve aanpak van de heteroseksuele publieke dominantie. Licht teleurgesteld merkte hij dat homoseksualiteit in Amsterdam in hoge mate een zaak was voor de prive-sfeer en de eigen subcultuur. Hij nam zich voor om uit te zoeken of dat een typisch Nederlands fenomeen is of dat zo'n normalisering altijd optreedt als de intolerantie afneemt.

Inmiddels is Seidman, die naam heeft gemaakt met boeken over de geschiedenis van de sociologie en theorievorming over seksualiteit en liefde, zich meer gaan richten op multiculturaliteit. Seidman: ‘Je moet een onderscheid maken tussen de multiculturele samenleving en een politiek programma van multiculturalisme. De verscheidenheid van culturen in de hedendaagse samenleving is een gegeven dat niet meer valt te loochenen. Daar kun je moeilijk voor of tegen zijn. De strijd draait om de vraag welke politieke vertaling je geeft aan dat palet van verschillende leefstijlen en culturen. Het multiculturele programma komt voort uit het besef dat onderdrukking niet alleen sociaal-economisch maar evenzeer cultureel van aard is. Het streeft dan ook naar een publieke en politieke sfeer waarin geen enkele cultuur de boventoon voert. De dominantie van witte, mannelijke heteronormen is een impliciete devaluatie van mensen die niet aan die norm voldoen. Deze dominantie is alleen te bestrijden, doordat mensen met een afwijkende culturele affiniteit de schijnbare neutraliteit van de publieke en politieke sfeer aanklagen. En wel door voor zichzelf een zichtbare plaats op te eisen. In het tolerante Nederland is echter juist deze strijd om de publieke sfeer onderontwikkeld.’
De stellingname van Seidman is vergelijkbaar met de ideeen van de Amerikaanse feministe Angela Davis, die tijdens haar recente bezoek aan Nederland ervoor pleitte migranten in Nederland voortaan Turk-Nederlanders of Marokkaan-Nederlanders te noemen. Het past ook bij het initiatief van verschillende Amerikaanse universiteiten om de culturele diversiteit in het curriculum tot uitdrukking te laten komen. Dus minder aandacht voor dode witte Europese mannen en meer oog voor de verborgen zwarte geschiedenis van de Verenigde Staten. En het sluit aan bij actiegroepen die ijveren voor een betere vertegenwoordiging van minderheden in de media.
Seidman gaat zelfs verder; hij neemt met een simpele afspiegeling van de maatschappelijke groeperingen in de publieke ruimte geen genoegen. 'Er moet niet alleen een evenredig aantal zwarte fotomodellen komen, deze modellen moeten bovendien de uitdrukking zijn van zwarte schoonheidsidealen.’ Dus niet alleen maar Naomi Campbells die weliswaar zwart zijn, maar het witte schoonheidsideaal tot in de perfectie benaderen, maar ook Nelli Coomans.
IN NEDERLAND WORDT doorgaans nogal lacherig gedaan over dit soort politieke correctheid. De uitwassen zijn bekend: gehandicapten die moeten worden aangeduid als physically challenged en universiteiten waar de strijd om het curriculum heeft geleid tot een verzameling archipels waarin elke minderheid zijn eigen onderwijsprogramma heeft. De vraag is echter of de huidige multiculturele samenleving verdedigd kan worden zonder verschillen te waarderen. De huiver om cultuurverschillen positief te waarderen zou wel eens de oorzaak kunnen zijn van de verlegenheid onder progressieven over de uitlatingen van Bolkestein. Immers, wie terugdeinst voor het multiculturele programma, komt terecht in een liberale positie.
Volgens Seidman is dat een onhoudbare positie. Voor de liberaal is iemands levensstijl een prive-kwestie. Door culturele verschillen als een prive-zaak te zien, zou de publieke sfeer neutraal kunnen blijven. In de praktijk komt daar natuurlijk niets van terecht, want de dominante cultuur dicteert de norm. Een ander bezwaar is dat groepsvorming in het liberale verhaal alleen politiek relevant is als groepen te kampen hebben met achterstelling - verschillen verschijnen dan slechts als probleem. Een positieve visie op culturele verschillen is zo niet mogelijk. Seidman: 'Ik denk dat liberalen groepsvorming vooral zien als een reactie op een vijandige omgeving. De slogan “Black is beautiful” zien ze louter als een antwoord op discriminatie. Als de onderdrukking ophoudt, zal ook de groepsvorming oplossen, zo hopen de liberalen. Er zijn dan nog wel verschillende levensstijlen, maar niet langer verschillende publieke culturen. Dat mensen elkaar ook om positieve redenen opzoeken wordt vergeten.’ Pluriformiteit kun je in zo'n perspectief hooguit accepteren, maar nooit nastreven.
Seidman denkt dat de erfenis van de verzuiling de belangrijkste oorzaak is van de Nederlandse terughoudendheid om verschillen positief te waarderen. De verzuilde samenleving was een mooi voorbeeld van een maatschappij die cultureel pluralisme voorstond en toch weinig onbeheersbare conflicten kende. Deze positieve betekenis van de verzuiling wordt echter overschaduwd door het feit dat de zuilen in allerlei opzichten niet democratisch waren. Seidman: 'De verhouding tussen elites en achterban liet te wensen over. Bovendien werden alleen godsdienstige verschillen erkend. De tolerantie ten aanzien van andere verschillen was beperkt. In alle zuilen bestonden vrijwel dezelfde rigide opvattingen over sekseverschillen en seksualiteit. Deze bekrompenheid en geslotenheid maakt dat Nederlanders vandaag de dag van groepsvorming en collectieve identiteiten vooral de negatieve kanten benadrukken. De positieve kanten van een samenleving die culturele pluriformiteit verwelkomt verliest men uit het oog.’
EEN TWEEDE ERFENIS van de verzuiling is dat de overheid weliswaar spreekt met vertegenwoordigers van allerhande groeperingen, maar deze groepen dwingt in een keurslijf waarbij zij hun eisen altijd moeten formuleren in termen van achterstand. Ook daardoor is de ruimte voor positieve verschillen beperkt. De subsidiering van de Gay Games is een prachtige illustratie van deze dynamiek. Onder het kopje 'emancipatie’ was voor de Spelen geen plaats op de begroting want het ging hier niet om een activiteit die discriminatie beoogde tegen te gaan, maar om zoiets vaags als 'het vergroten van de zichtbaarheid van homoseksuelen’. Argumenten die verwezen naar de wenselijkheid van een pluriforme stad, maakten weinig indruk. Dat de subsidie uiteindelijk toch werd verstrekt, had alles te maken met economische belangen. Van doorslaggevende betekenis was dat de Spelen goed pasten in een promotiecampagne om kapitaalkrachtige homo’s uit de hele wereld naar de hoofdstad te lokken.
Dat het doorbreken van de witte heteroseksuele mannelijke norm in het belang is van mensen uit marginale culturen, valt te begrijpen. Maar de vraag is of met het nastreven van pluriforme publieke culturen ook een algemeen belang is gediend.
Seidman meent van wel: 'Een multicultureel programma levert uiteindelijk een maatschappij op met minder ongelijkheden en dus met minder gewelddadige conflicten. Dat is in ieders belang. In Amerika voert het cultuurpessimisme momenteel hoogtij. Zo waarschuwt de historicus Arthur Schlesinger jr. voor wat hij noemt de “etniciteitscultus”. Etnische verschillen zijn in zijn ogen een gevaar voor de nationale eenheid. Hij bepleit daarom een herstel van het ideaal van de smeltkroes, waarin etnische identiteiten moeten wijken voor een inclusieve nationale identiteit. Ook Newt Gingrich, de Republikeinse voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, pleit voor een kleurenblinde samenleving. Deze strategie kan echter gemakkelijk contraproduktief worden, want culturele verschillen laten zich vandaag de dag niet meer uitvlakken. Het koortsachtig vasthouden aan een ideaal van assimilatie dreigt zo de opmaat te zijn voor een gewelddadige beslechting van conflicten. Op termijn kan alleen een samenleving die ontspannen met verschillen omgaat, harmonieus en vreedzaam zijn. Daartoe is het noodzakelijk dat in de publieke en politieke sfeer een plaats wordt ingeruimd voor positieve verschillen. Mijn stelling is: geen democratie zonder multiculturele samenleving, geen multiculturele samenleving zonder de publieke manifestatie van verschillen.
Deze strijd om de publieke ruimte levert natuurlijk conflicten op. De uitdaging voor het multiculturalisme bestaat daarom uit het formuleren van minimale voorwaarden waaronder de botsing van culturen op een zinvolle manier kan plaatsvinden. Dat betekent bijvoorbeeld dat er overeenstemming moet bestaan over intolerantie ten aanzien van intolerantie. Een precieze formulering van zulke voorwaarden kan ik niet geven. Ik weet alleen dat heimwee naar de smeltkroes - waarin etnische en culturele verschillen oplossen in een Amerikaanse cultuur - de zoektocht naar die voorwaarden in de weg staat. Een tweede argument voor het multiculturele programma is dat een bonte samenleving met diverse publieke culturen enorm veel creativiteit oplevert. En ook dat is een algemeen belang.’
HET PLEIDOOI VAN Seidman is zo idealistisch dat het bijna naief klinkt. Is het niet overdreven te denken dat de verschillende culturen in de Nederlandse samenleving werkelijk gelijkwaardig kunnen worden? De dominante cultuur wordt immers gedragen door de meerderheid van de bevolking. Seidman heeft daar een slim antwoord op. Door de problematiek van de multiculturele samenleving niet alleen te koppelen aan etniciteiten, maar ook aan wat hij noemt 'quasi-etnische groepen’ als homoseksuelen, feministen en gehandicapten, deelt hij de meerderheid in partjes op. Het gevolg is dat niet langer een massieve meerderheid tegenover marginale minderheden komt te staan, maar tegenover een kleine groep van witte, stedelijke, heteroseksuele mannen tussen de 30 en de 45 jaar, die zijn voorkeuren als norm weet te verkopen. Seidmans ambitie is om aan te tonen dat juist de meerderheid van de bevolking veel te winnen heeft bij een produktievere omgang met verschillen.
Dat is ook zijn antwoord op de vraag of hij zich kan voorstellen dat lager opgeleide witte mannen in de negentiende-eeuwse wijken weinig op zullen hebben met zijn multiculturele programma. In eerste instantie zegt hij: 'Fuck them. Niemand vindt het prettig om privileges op te geven, maar een gewoonterecht geldt in deze kwesties niet.’ Later zwakt hij dit wat af: 'Dat de problemen van de multiculturele samenleving sommige lager opgeleide witte mannen in het kamp van extreem rechts drijven, kun je niet wijten aan het multiculturele ideaal. Integendeel. Het verzet van deze lager opgeleide witten heeft alleen een zekere legitimiteit omdat ook zij worden buitengesloten van de dominante cultuur.’
Volgens Seidman gaat het juist om mensen die in net zo'n marginale positie verkeren als migranten. Ze zouden dus eerder voordeel kunnen hebben van het breken met de dominante norm. Een erg plat accent kan bij het krijgen van een baan immers net zo'n belemmering vormen als je huidskleur, geslacht of seksuele voorkeur.
De grote belangenovereenkomst die Seidman ziet tussen etnische en quasi-etnische groeperingen dreigt wel de verschillen die er tussen deze groepen bestaan, te verdoezelen. Hij lijkt bovendien de homosubcultuur als model te nemen bij zijn beschrijving van alle culturele groeperingen. Het gevolg is een nogal optimistisch beeld van culturele groepen: bewegingen waaraan mensen zich min of meer uit vrije wil bij aansluiten, geen gemeenschappen waar mensen in opgroeien. Want zulke culturele gemeenschappen zijn er natuurlijk ook en die vertonen nog wel eens minder aantrekkelijke kanten. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld voeren evangelische christenen momenteel driftig campagne tegen het seculiere karakter van het verplichte onderwijs. Ze eisen scholen waar de evolutietheorie niet wordt behandeld. Niet alleen worden de kinderen van deze christenen op die manier belemmerd in hun ontplooiingsmogelijkheden, het levert evenmin een bijdrage aan hun kennis van en tolerantie jegens andere opvattingen.
Het is te gemakkelijk om de vrees voor onderdrukkende en beklemmende collectieve identiteiten af te doen als een angstpsychose die past bij de erfenis van de verzuiling. Door er impliciet van uit te gaan dat mensen vrijwillig kiezen voor deelname aan een culturele groep, omzeilt Seidman dergelijke dilemma’s. Om het vals te zeggen: in feite is zijn beeld van culturen extreem liberaal en individualistisch. Hij heeft ook weinig oog voor het gevaar dat juist de benadrukking van verschillen de uitwisseling tussen culturen in de weg kan staan. Het gevaar van wat Stephan Sanders 'vrijwillige apartheid’ noemt, blijft bestaan.
ILLUSTRATIEF IN DIT verband is het feit dat het aantal gemengde huwelijken (allochtonen met autochtonen) in Frankrijk, waar de gedwongen assimilatie groot en de waardering voor culturele verschillen gering is, veel hoger is dan in Nederland. Van deze kritiek wil Seidman echter niets weten. 'Het is een misvatting om ontmoetingen op het individuele niveau aan te zien voor culturele uitwisseling. Het is immers maar de vraag of er werkelijk een symmetrische botsing plaatsvindt tussen verschillende normen en waarden. Het grote aantal gemengde huwelijken ondergraaft amper de dominante norm. Een triest bewijs daarvan is het gebrek aan sympathie waarop deze echtparen mogen rekenen. Ook de gestage groei van het Front National wijst bepaald niet op toenemende inschikkelijkheid. Die ontstaat pas als de dominante normen wel worden aangevallen, als er in de politieke of publieke sfeer een confrontatie tussen verschillende waardensystemen op gang komt.’
Seidmans benadering veronderstelt bovendien dat er maar drie manieren zijn om met de hedendaagse culturele diversiteit om te gaan. Racisten proberen impliciet of expliciet de verschillen in een hierarchisch verband te plaatsen. Assimilisten proberen de verschillen te ontkennen en verdoezelen zo de dominantie van bepaalde normen. En multiculturalisten tenslotte proberen mensen te leren verschillen te waarderen. Het pleidooi van Anil Ramdas om racisme vooral te beschouwen als een vorm van onbeleefdheid past echter in geen van de drie verhalen. Seidman daarover: 'Respect en beleefdheid zijn natuurlijk waardevol. Maar uiteindelijk zul je kritisch moeten kijken in hoeverre wat voor beleefdheid doorgaat, cultureel is bepaald. Beleefdheid eisen is dus nog maar het begin.’