Quentin Crisp

Pas nadat hij naar New York was verhuisd vond hij zijn levensbestemming. Want in Amerika kan iemand met persoonlijkheid beroemd worden. Dus werd Quentin Crisp, nicht der nichten, beroemd.

‘HET LIEFST WIL ik worden vermoord. Wie vermoord wordt blijft onsterfelijk.’ Het heeft niet zo mogen zijn. Quentin Crisp overleed op 21 november in Manchester aan een hartaanval. ‘Als het dan toch zover is, stop mijn lichaam in een vuilniszak en zet me buiten.’ Ook die laatste wens werd niet vervuld: zijn as is New York verstrooid, ver weg van zijn geboorteland. ‘Hij haatte Engeland, zegt Bette Bourne, 'hij wilde niets te maken hebben met de Britse mentaliteit die hem zo lang achtervolgd heeft.’ Bourne, een goede vriend van Crisp, speelt hem in het toneelstuk Resident Alien dat toevalligerwijs in dezelfde week opent dat Crisp overlijdt. Het stuk toont een dag uit Crips leven met vele citaten uit zijn autobiografie uit 1968 en film uit 1975, The Naked Civil Servant.

In de dagen na Crisps dood probeert Bourne te achterhalen wat er met het lichaam gebeurt: ‘Quentin wilde geen poespas, hij verafschuwde begrafenissen en crematies. Als hij het allemaal op voorhand had kunnen regelen, zou zijn as verstuurd zijn terwijl zijn vrienden niet eens een laatste groet hebben kunnen brengen. Hij kon een koppig man zijn die alleen maar aan zichzelf dacht. Als ik hem vroeg waarom hij op elk uur van de dag er als een opvallende nicht uit wilde zien, antwoordde hij resoluut: “Ik ga me niet anders voordoen dan ik ben. Wat denken ze wel?” ’ Terwijl homoseksuelen in de jaren veertig en vijftig hun uiterste best deden zich zo onzichtbaar mogelijk te maken, manifesteerde Crisp zich met zijden sjaals, flaphoeden en gedistingeerde doch altijd opvallende make-up. Hij werd een bezienswaardigheid en een makkelijk mikpunt van dagelijkse agressie. Crisp heeft zich nooit verstopt: ‘Mijn homoseksualiteit draag ik mee. Ik probeer wat ik ben met trots te presenteren.’ Bourne: ‘Hij was een held.’

OP EERSTE KERSTDAG 1908 wordt Crisp geboren onder de naam Dennis Pratt. Hij is de jongste van vier kinderen. Het gezin Pratt woont in het plaatsje Sutton in Survey. Zijn vader is een strenge rechter, zijn moeder een traditionele vrouw die haar jongste zoon adoreert. Ze moedigt de verkleedpartijen van zoonlief, die haar gehele kledingkast overhoop haalt, aan. Als kleuter doet de jongste Pratt mee aan de opvoering van Een midzomernachtsdroom. Als elfje, geheel in gifgroen tule. Zijn vader schaamt zich, zijn moeder is dolenthousiast. Toch twijfelt ook zijn moeder als blijkt dat zijn voorliefde voor opvallende (dames)kleding niet verdwijnt naarmate hij ouder wordt. Op school wordt Dennis Pratt regelmatig in elkaar geslagen. Wat hij ook probeert om zich aan te passen, hij blijft opvallen en gepest worden. ‘Al heel jong wist ik dat dit mijn lot is. Het enige dat te doen valt is mij staande te houden’, zou de latere Quentin Crisp in zijn boeken uitleggen. Na de middelbare school volgt hij allerlei cursussen in Londen. Zijn moeder organiseert baantjes bij de overheid voor hem, waarnaar Civil Servant is vernoemd.

Voor een flamboyant iemand als hij voldoet de naam Dennis Pratt niet. Bourne herinnert zich de naamswijziging: ‘Crisp klinkt sjiek, Quentin nog sjieker. Hij verzon de naam en heeft zich voortaan zo genoemd. De naamswijziging maakte Crisp tevens los van de banden met zijn familie en ontsloeg hem van elke verantwoordelijkheid jegens hen. Vanaf dat moment kon hij doen wat wilde omdat hij er alleen voor stond.’ Crisp laat zijn moeder weten niet langer geïnteresseerd te zijn in de ambtenarenbaantjes en besluit zich te voegen bij de ‘rentboys’ die zich bij Piccadilly Circus ophouden. ‘Niet om geld te verdienen, maar om liefde te krijgen. Het was een wat naïeve, wanhopige poging’, schrijft hij later. De hoerenjongens willen niets met hem te maken hebben en ook lukt het hem amper klanten te krijgen - daarvoor ziet hij er te opgedirkt en verwijfd uit. Uiteindelijk verwerft Crisp zich inkomsten als freelance ontwerper en als tapdansleraar. Zijn eerste boek verschijnt in 1938: Colour in Display, over de kunst van etalage-inrichting.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog - waarbij hij direct wordt afgekeurd voor het Britse leger vanwege zijn homoseksualiteit - vindt hij werk als model voor kunstopleidingen. Crisp poseert naakt - vandaar de toevoeging ‘Naked’ aan ‘Civil Servant’ - en maakt zich populair bij de studenten omdat hij als een van de weinige modellen stil kan zitten. Modelleren was de ultieme baan voor Crisp: ‘Het was makkelijk werk en ik genoot van alle aandacht.’ De volgende dertig jaar zal Crisp model blijven. In 1968 wordt zijn autobiografie gepubliceerd, waarna er in 1976 een film van wordt gemaakt met John Hurt in de hoofdrol. De film maakt Quentin Crisp tot een geliefde gast in talkshows, panels en op manifestaties. Door de media wordt hij op handen gedragen, terwijl op straat de gewone man hem bespuwt. Crisp wordt een veelgelezen auteur en publiceert handleidingen over stijl en goede manieren: ‘Goede manieren zorgen dat je krijgt wat je hebben wilt.’ Hoe Crisp ook wordt uitgejouwd, hij benadert zijn belagers met goede manieren. Bourne: ‘Ik heb meegemaakt dat hij werd aangevallen door “hooligans” die hem tot bloedens toe sloegen. Quentin stamelde: “Heb ik de heren soms iets aangedaan?” Woedend kon ik om zijn beleefdheid worden: geen spoor van agressie of haat. Dat past een “gentleman” niet, zei hij.’

OP 72-JARIGE leeftijd krijgt Crisp genoeg van zijn geboorteland. Bourne: ‘Als je ouder wordt, raakt je incasseringsvermogen op, ook van een moedig man als Quentin.’ Hij emigreert naar New York: ‘In New York is iedereen je vriend, terwijl in Engeland iedereen je vijand is. De Engelsen vinden dat iemands persoonlijkheid privé is, terwijl hier iemand met persoonlijkheid beroemd kan worden.’ Hij hield van de Amerikaanse manier om persoonlijkheid te exploiteren, waar geen ander woord voor bestaat dan ‘fame’: ‘What does Elizabeth Taylor do? She does fame.’ Crisp had zijn levensbestemming gevonden. Hij deed wat hij het beste kon: zichzelf zijn.

Juist de laatste jaren van Crisps leven waren het drukst. Bourne: ‘Quentin zag de wereld als een groot podium waar hij op mocht zitten. Hij zat het liefst in zijn favoriete lunchcafé, waar hij interviews gaf en mensen te woord stond. Wildvreemden kwamen op hem af. Hij verscheen in de meest uiteenlopende programma’s en acties. Amerikanen waren dol op die oude, excentrieke man. Hij werd als een soort orakel beschouwd.’ Crisp deed alles om zo individueel mogelijk te blijven, hoewel hij steeds populairder werd. Met vlijmscherpe uitspraken probeerde hij zich te vervreemden van de homobeweging. Bourne: ‘Nooit wilde hij een voorman zijn en zeker niet van een hele beweging.’ Crisp ging geregeld in de aanval: ‘Ik vind niet dat homo’s hun best doen om te integreren. ’t Liefste willen ze dat iedereen ervan opkijkt dat ze homo zijn. Alsof het bijzonder is, alsof ze er iets voor gedaan hebben.’

Zijn uitspraken over prinses Diana werden hem niet in dank afgenomen, zeker niet door de Britse homobeweging, die haar tijdens haar leven en nog meer na haar dood had geadopteerd. Crisp was meedogenloos: ‘Diana was vuil, ze kreeg waar ze om vroeg.’ Bourne relativeert zijn uitspraken: ‘Crisp hield er niet van om op te gaan in de massa, dus ook niet in de homobeweging. Hij provoceerde graag, hoewel dat niet wil zeggen dat hij niet serieus was. Zijn persagent waarschuwde hem destijds dat dit te ver ging en hem boekingen zou gaan kosten. “Ik zeg niet iets om aardig gevonden te worden, maar omdat ik het meen”, zei hij kwaad. Hij liet zich niet manipuleren. Het koningshuis was volgens hem een gemeen zooitje. Ieder die aanhaakt - zoals de aangetrouwde Diana - wordt door hun kwaadaardigheid besmet.’

Crisp kon zeer tegenstrijdig zijn in zijn stellingnamen. Hoewel hij openlijk homoseksueel was, verklaarde hij plechtig homoseks verschrikkelijk vies te vinden. Bourne lacht: ‘(“De gedachte alleen al dat je je penis in een mans mond wilt stoppen, maakt me misselijk”, riep hij dikwijls uit. Het was een van zijn homofobische uitspraken, ironisch genoeg uit de mond van de grootste homo in de wereld. Nee, ik was het niet altíjd met hem eens.’ Crisp kon soms onhandelbaar zijn, verstrikt in zijn overtuiging gelijk te hebben. Hem werd verweten een onverbeterlijke egoïst te zijn die alleen naar zichzelf wilde luisteren. Zijn uitspraken werden naarmate hij ouder werd steeds wereldvreemder. Bourne: ‘Dat is het lot van de profeet die graag discipelen om zich heen heeft.’

De kritiek op zijn stellingnamen neemt niet weg dat Quentin een monument was. In zijn eentje nam hij het op tegen het wereldwijde mannelijke ethos. ‘Zijn leven is de grootste overwinning van individualiteit op onderdrukking’, besluit Bourne. Tijdens een haastig georganiseerde besloten eredienst in Londen is de as van Quentin Crisp naar Amerika gebracht om te worden verstrooid. ‘Dood is het minst slechte dat een mens kan overkomen’, meende hij.