Qui perd gagne

Omdat de oude IJsselbrug was afgesloten, raadde een Zutphense vriend me aan om over Gorssel te rijden, en daar eerst samen een nieuw museum te bezoeken. Gorssel: de naam slingerde me twintig jaar terug in de tijd, toen de oma van mijn eerste vriendinnetje er een grote villa in het bos bewoonde.

’s Avonds wilde deze dame, ook door mij ‘Oma Gorssel’ genoemd, met mij vaak een partijtje qui-perd-gagne spelen bij de open haard, want dat had ze ook altijd ’s avonds gedaan met haar eerste echtgenoot – hoogleraar biologie, en dichter van fraai uitgegeven bundels die, geheel tegen de toenmalige tijdgeest in (de Vijftigers) waren geschreven in de Tachtigers-stijl. Qui perd gagne: wie verliest, wint. Je moest je damstenen zo snel mogelijk zien kwijt te raken, ‘want dan duurt het niet zo lang’.

Ze had een tuinman in dienst, een vrouw uit het dorp die het huishouden deed, in de garage stonden twee stokoude Batavus-fietsen, en af en toe liet ze een taxi voorrijden om met ons naar Het Bosrestaurant te gaan, amper één kilometer dieper woudinwaarts.

Overdag sliep ze vaak op een stoel, en het vriendinnetje en ik gingen tijdens die dutjes soms stiekem vrijen in een van de bovengelegen kamers. ‘Wij gaan even een stukje wandelen’, zeiden we dan, en slopen naar boven, onnodig zachtjes, want horen deed ze al niet zo best meer.

Op een keer kwamen we, uitgeput en voldaan, weer beneden, waarna Oma Gorssel beleefd informeerde: ‘En? Was het lekker?’ Het vriendinnetje verschoot van kleur. ‘Eh, wat bedoelt u, oma?’ ‘Nou, jullie gingen toch wandelen? Hebben jullie lekker gewandeld?’

Al dit soort herinneringen kwamen aangespoeld op de weg van Deventer naar Zutphen. Vooral die spreuk ‘qui perd, gagne’ was ik geneigd op te vatten als een levensles, ook omdat ik in datzelfde huis voor mijn doctoraalscriptie Cees Nooteboom las, Een lied van schijn en wezen, waarin iemand opmerkt: ‘Winnen is niets, mijn jongen, winnen laat geen sporen na, dat is bevrediging. Verliezen is leven.’

Nu was ik op weg naar een museum waarin een miljardair de collectie modern realistische kunst Dirk Scheringa had ondergebracht. Die had ook verloren, al was hij z’n leven lang gericht geweest op winnen, op andermans kosten. In het museum MORE kun je de sporen zien.

‘Moet je zien wat hij allemaal bij elkaar geroofd heeft’, merkte mijn vriend op.

Modern realisme. Carel Willink en z’n zielsverwanten. En z’n apocalyptische decors vol klassieke zuilen die dezelfde functie hebben als die bij de Griek om de hoek, die ze in plastic heeft laten uitvoeren. Alles razend knap en fotografisch scherp, maar het dóet me niks.

Dirk Scheringa houdt kennelijk van een blik zonder warmte, zonder empathie

‘Allemaal jongens die een tien voor schilderen hebben gekregen’, merkte mijn vriend op.

Ik dacht aan mijn oudoom die mij wel eens schilderles gaf en die hier beslist geen tien voor zou uitdelen, want ik deed fout wat ook deze Dirk Scheringa-realisten fout deden.

‘Al die voorwerpen op zo’n schilderij… die staan daar niet in het luchtledige, nee, die staan in een bak van atmosféér!’ Dus: geen scherpe contouren, geen strakke lijnen, niet dit steriele, doodse werk dat zich van je af lijkt te keren in z’n klinische correctheid en met z’n spitsvondige visuele grapjes die de picturale evenknie van het postmoderne grapje zijn. Cerebraal, rationeel.

Een week eerder zag ik werk van de Haagse School in het Gemeentemuseum. Die begrepen het, daar was alles doordrenkt van atmosfeer. Dat is werk waar ik me onmiddellijk mee verbind en dat me raakt. Voor welk landschap ik ook ging staan, ik wist precies hoe het er róók, hoe de wind aanvoelde, welke stemming erbij hoorde.

‘Wat zou dat zeggen over zo’n Scheringa, dat hij dit spul zo graag verzamelde?’

‘Die Dirk wilde ook een tien halen.’ Toon mij uw schilderijenverzameling en ik zal u zeggen wie u bent. Scheringa houdt kennelijk van een blik zonder warmte, zonder empathie, van figuren voor wie het er, net als voor hem, vooral om te doen was die tien te halen.

Die Haagse School-doeken leken me bovendien doortrokken van iets tragisch. Door het landschap dampte altijd iets van een milde melancholie, alsof de schilders met het afbeelden ook om het voorbijgaan ervan zuchten.

Tussen Deventer en Zutphen verbeeldde ik me paasvuren te zien in de velden. Ik rook ze zelfs. Die vuren brandden er namelijk vaak als we erheen gingen, want Oma Gorssel was meestal rond Pasen jarig.

Eventjes overwoog ik nog langs haar huis te rijden, maar ik realiseerde me dat ik er niets mee zou winnen. Qui perd gagne. Nu het voorbij was, kon ik het met gesloten ogen voor me zien, en dat wilde ik graag zo houden.