Herinneringen aan Martin

Raad voor de journalist

Het deerde niet hoe schandelijk je plagieerde, fabuleerde, fulmineerde of suggestief citeerde; als de onbezonnenheid eenmaal aan het licht gekomen was, stond Martin pal achter je. Omdat een prille journalistencarrière nu eenmaal in het teken staat van scoringsdrang en geldingsdrift zag ik mij diverse malen gedwongen een beroep op zijn gezag te doen. Want steevast was-ie er weer: de boze brief, de telefonische scheldkanonnade, de fysieke bedreiging. Ietwat beschroomd vanwege de vaak lullige aard van het akkefietje beklom ik telkens weer die trap naar het hoofdredactionele vertrek. ‘Martin, zou je alsjeblieft nog een keer…’

In april 1999 ontving ik een brief van een Zwols gemeenteraadslid dat ik aan de vooravond van de gemeenteraadsverkiezingen in hotel Wientjes had geïnterviewd ten behoeve van een artikel over stadspartijen. ‘Naar mijn beste weten heb ik dit interview met grote openhartigheid gegeven, in het volle besef dat je de informatie zou screenen’, aldus het raadslid. Tot zijn ontsteltenis had ik toch alle informatie in het artikel verwerkt. Omdat het een ‘eenmalige oplage’ van De Groene betrof, had hij het er destijds bij gelaten. Edoch: ‘Onlangs bemerkte ik echter dat deze informatie, buiten mijn medeweten om, tevens te vinden is op internet. Daartegen heb ik grote bezwaren!’ Ik hoopte op een schriftelijk repliek waarin Martin deze provinciaalse volksverlakker met enkele bloedlinke volzinnen voorgoed van zijn behaagzieke klaaglust zou verlossen. In plaats daarvan noteerde hij: ‘Ik zal het betreffende artikel, zo gauw ik iemand met het vereiste technische vernuft heb gevonden, van internet laten halen.’

Ernstiger aan de stok had ik het met een zekere Paul Wouters, directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte te Leusden, die op zijn instituut veelal uit het bedrijfsleven afkomstige cursisten in de zogenoemde ‘Socratische gesprekstechniek’ onderrichtte. Op publicatie van het artikel – vermomd als cursist had ik de les van binnenuit beschreven – volgde een eindeloze opsomming van door de directeur geconstateerde onjuistheden. Zo had ik geschreven dat het complex zich in een berkenbos bevond, terwijl er volgens hem een ‘bos van grove dennen’ had gestaan. Verder bestreed hij dat docent Erik het woord ‘gaaf’ in de mond zou hebben genomen. En waarom ik suggereerde dat deze Erik een onleesbaar handschrift had? ‘De waarheid is dat Erik een zeldzaam duidelijk handschrift heeft (bewijsstukken in mijn bezit)’, aldus de directeur. Het meest beschamend van al was dat de cursisten te herkenbaar waren opgevoerd. Hoewel ik slechts van hun voornaam melding had gemaakt, was hun identiteit volgens de directeur te achterhalen omdat ik her en der een werkplek had genoemd. Hij gebood Martin terstond met hem in contact te treden om het te kunnen hebben over ‘inhoud en vorm van de nodige rectificatie’ en over ‘aansprakelijkheid voor de gevolgen van de publicatie en de wijze waarop u meent compensatie te kunnen aanbieden’ teneinde ‘een gang naar de rechtbank’ overbodig te maken.

Een half uurtje nadat ik het schuimende epistel bij Martin bezorgd had, rolde er een repliek uit de printer: ‘De voorbeelden van wat u als evidente journalistieke misdragingen beschouwt zijn mijns inziens bijzonder mager, niet in de laatste plaats in het licht gezien van de juridische stappen waarmee u dreigt’, schreef Martin. ‘U denkt toch niet dat welke rechter dan ook zich serieus bezig zal houden met de vraag of X al dan niet het woord “gaaf” heeft gebezigd en Y een al dan niet leesbaar handschrift heeft?’ Over de identificeerbaarheid van de cursisten: ‘U geeft zelf al toe dat de namen Henk en Henriëtte in Nederland geen zeldzaamheidswaarde hebben.’ Alleen ‘bijzonder scherpzinnige geesten’ zouden hem en haar ‘wellicht met veel moeite in relatie kunnen brengen met functie of bedrijf’, hoewel dat gevaar zich veeleer voor zou doen in organen met ‘een massaoplage als Volkskrant of Telegraaf’ en niet in een blad ‘van een bescheiden omvang als De Groene Amsterdammer, die bovendien – tot onze spijt – geen wekelijkse lectuur in de kringen van het vaderlandse management is’. Martin zag geen reden tot rectificatie. Hij ried de directeur aan zijn bezwaren ‘kort en bondig’ op papier te zetten, liefst komende week nog, ‘want geloof mij, over twee weken weet geen lezer meer waar het allemaal over ging’.

Dit bevredigde de directeur geenszins. ‘Mij moet van het hart dat de arrogante toon van uw schrijven niet bijdraagt tot constructieve oplossingen’, schreef hij in een per koerier bezorgde reactie. Behalve een kort geding kondigde hij een klacht aan die hij zou indienen bij de Raad voor Journalistiek. Zoals wel vaker met ontevredenen die dreigen met juridische stappen werd van het kort geding niets vernomen en van de Raad voor Journalistiek des te meer. ‘Dat winnen we makkelijk’, sprak Martin opgewekt. Ik zag het somberder in, want ik was twee jaar eerder, tegen de verwachting in, al eens veroordeeld omdat ik te ongenuanceerd een amateur-wetenschapper, die na het neerstorten van het El Al-toestel in de Bijlmer op onheuse wijze in de ontlasting van bewoners uraniumsporen trachtte aan te tonen, van kwakzalverij had beschuldigd.

Het was logisch dat Martin goed van vertrouwen was. In vier van de vijf zaken die gedurende zijn loopbaan bij de Raad tegen hemzelf zijn aangespannen, werd hij vrijgesproken. Alleen in de zaak uit 1973 ‘Volendamse arts contra Martin van Amerongen’ was hij niet vrijuit gegaan. Nog in loondienst van Vrij Nederland had hij geschreven: ‘De traditionele volksziekten in Volendam zijn, althans waren – Roomse blijheid! – echter druiper en syfilis.’ Klager, een Volendamse arts, had zich door die bewering ernstig gegriefd gevoeld. De Raad oordeelde dat Martin onzorgvuldig te werk was gegaan ‘door het leggen van een verbinding tussen venerische ziekten en religie’.

Verder was het vrijspraak wat de klok sloeg. In 1967 oordeelde de Raad dat Martin niet ‘heeft gehandeld in strijd met de waardigheid van de stand van de Nederlandse journalisten’, hoewel hij G. van der Ven te Eindhoven van het rechts extremistische eenmansblad Europa-Post van fascisme had beschuldigd en deze, ten onrechte, had omschreven als ‘de plaatselijke patates-fritesbakker’. Ook reclamemaker Hans Snel werd in 1975 in het ongelijk gesteld toen hij een klacht indiende tegen Martin. Die zou hem onder valse voorwendselen tot een interview verlokt hebben. Snel was in de veronderstelling dat het voor een boekje was, toen zijn woorden ineens afgedrukt stonden in Vrij Nederland, waardoor hij ongewild de complete socialistische doelgroep van zich vervreemdde door over Het Vrije Volk op te merken: ‘Je zit met het feit, dat ze nog een zooitje van die ouwe SDAP’ers als abonnee hebben.’ In 1990 nog mocht Martin van de Raad Dick Leutscher in De Groene onder de kop ‘Knalt de Vara straks als een Exotaflesje?’ ongestraft een ‘omstreden zakenman’ noemen rond wie ‘een onaangename sfeer’ hangt.

Heel opgetogen dus trof ik hem 13 juli 2000 in de middag om half vier in café Loetje, een straat verwijderd van het weelderige perstribunaal aan de Johannes Vermeerstraat. Een eindeloze schriftelijke stukkenwisseling in telkens achtvoud was aan de zitting voorafgegaan. Achter een lange tafel zaten vijf nors kijkende mensen op een rij: mr. W. Asser, de voorzitter, drs. G. Bueters, Vera Keur, M.J. Kes, drs. B. Tillema en mr. I. Konings, secretaris. Vreemd genoeg was niemand van de Wijsbegeerteschool present. Dat bood ons de gelegenheid de zaak eens glashelder uit de doeken te doen. Uiteindelijk was iedereen, althans zo voelde het, van mijn onschuld overtuigd. Alleen Kes bleef het verwerpelijk vinden dat ik de werkplek van enkele cursisten had genoemd. ‘Conscience (het bedrijf waar een van hen werkte – jvc) is heel eenvoudig op te zoeken in de Gouden Gids van Twente’, zei hij. ‘Die mensen hebben toch geen misdrijf gepleegd’, repliceerde Martin zo ernstig mogelijk. ‘En wie zou zich in godesnaam die moeite getroosten’, voegde hij eraan toe.

We verbaasden ons erover dat voorzitter Asser plotsklaps de zitting ten einde hamerde, naar zijn zeggen omdat het hem wel duidelijk was. Wat later en weer buiten zagen we hem geld in de parkeermeter gooien. ‘Als dat geen vrijspraak wordt’, zei Martin, de hoed op zijn hoofd drukkend. In augustus kwam de uitslag. ‘De Raad acht de klacht gegrond’, stond er onder het kopje ‘Beslissing’. ‘Daar gaan we dus nooit meer heen’, zei Martin. Dat advies heb ik ter harte genomen. Bij mijn derde en laatste zaak, najaar 2001, liet ik in het geheel niet van mij horen. En warempel: ik werd vrijgesproken.

Ruim een maand geleden haalde Martin voor de laatste maal mijn kastanjes uit het vuur. Het ging hier om een ontstelde psychoanalytica te Duivendrecht die spijt had dat zij zich had uitgelaten over de geestesgesteldheid van Pim Fortuyn. ‘Het spijt mij dat u gemengde gevoelens hebt over uw aandeel in het artikel van mijn collega’, schreef Martin. ‘Niettemin, het is ook enigszins uw eigen schuld. U bent opgebeld door iemand die zijn beroep plus de krant waarvoor hij werkt, heeft genoemd, zodat u had kunnen weten dat uw woorden wellicht in druk zouden verschijnen. Dat zijn in de journalistiek volkomen gebruikelijke en correcte methoden, gelooft u mij.’ Lieve Martin, zonder jouw onvoorwaardelijke rugdekking durf ik nauwelijks nog een letter op papier te zetten.