Raadselachtige platitudes

Sinds de talentvolle maar verveelde Benjamin drie jaar geleden ter beschikking van de staat gesteld werd, woont hij in tbs-kliniek De Regenboog. Hij is zo mat, afwezig en van zichzelf vervreemd dat zijn medepatiënten hem achter zijn rug Casper noemen, naar het bekende spookje. Hij doet verslag van zijn monotone, licht absurdistische Regenboog-bestaan in Of ik gek ben, de debuut­roman van Michiel Stroink. De dagen zijn lang, de tijd treuzelt, en Benjamin kan zich zijn misdrijf niet voor de geest halen: de plek in zijn geheugen waar het zich zou moeten bevinden is door excessief drank- en drugsgebruik helemaal zwart geworden. Of blank. Hoe dan ook, het is er niet meer. Hij kan zich niet voorstellen dat hij tot zo’n vreselijk vergrijp in staat is geweest – maar wat voor hem ‘onschuld’ is, heet voor zijn behandelaars ‘ontkenning’, en wie is er hier nou gek?

Volgens de achterflap van Of ik gek ben heeft Stroink (1982) tijdens zijn studie tbs-patiënten onderwezen. Die ervaring verklaart misschien waarom Benjamin het leven in De Regenboog niet alleen beschrijft, maar ook keurig uitlegt: ‘In de personeelsvleugel werken ruim tweehonderd mensen. In de kliniek zelf werken er nog iets meer. Gemiddeld zijn er dus twee mensen fulltime aan het werk per tbs-patiënt.’ Net als bij een krantenbericht voelen zulke mededelingen informatief en nuttig, maar niet per se beroerend. De omschrijvingen van Benjamins medepatiënten zijn gelukkig vaak wel kleurrijk, en raak: ‘Waarom vragen Brabanders na elke zin om een bevestiging?’ vraagt Benjamin zich bijvoorbeeld af, wanneer gabber Daan tegen hem opbotst en ‘Da kan hard aankome, ofnie?’ zegt.

De scènes in de kliniek – ontbijtdrama’s, doordraaiende patiënten, groepstherapie, tafeltennissessies – worden afgewisseld met Benjamins herinneringen aan zijn leven vóór De Regenboog: hij maakte toen kunstwerken op bestelling, een soort ballondieren waarvan hij de vervaardiging grotendeels uitbesteedde en die hem een riant inkomen opleverden. Die ballondieren zijn natuurlijk een metafoor voor de leemte van zijn bestaan: ‘Ik verkocht lucht, en langzaam liep ik leeg’, benadrukt hij voor de zekerheid.

Toch is Benjamin ook weer niet helemáál leeg van binnen – regelmatig verzandt hij in filosofische overpeinzingen, die helaas ook wat uitleggerig van toon zijn. ‘Mieren hebben iets intrigerends, vind ik. Ze werken volledig belangeloos samen aan het enige levensdoel dat ze kennen, maar nooit zullen bevatten. Over­leven. De georganiseerde harmonie die daarvoor nodig is, heeft zich in miljoenen jaren ontwikkeld en is door veel wetenschappers uitgebreid bestudeerd.’

Benjamin drukt zich vaak uit in clichés. ‘Beestjes’ moeten ‘een naam krijgen’, mieren zijn ‘in rep en roer’, iemand gooit ‘roet in het eten’, betogen zijn ‘kort maar krachtig’. ‘Geef mijn portie maar aan Fikkie’, zegt hij, en ook: ‘Morgen begint de eerste dag van de rest van mijn leven.’ Zijn omschrijving van het ‘proces’ dat hij, halverwege het boek, begint door te maken klinkt als een gesprek tussen twee vriendinnen die elkaar goedbedoelde, aan de Happinez of zelfhulpliteratuur ontleende adviezen geven: ‘Het is absoluut doodeng om met jezelf te leven als je een misdadiger bent, maar je moet ergens de kracht vinden om jezelf te vergeven’, zegt hij dan. Of: ‘Boos zijn op mezelf is eenvoudig. Het is moeilijker om jezelf te vergeven.’ En deze: ‘Gelukkig helpt het al om dit te benoemen… Praten werkt. Door je emoties te uiten, blus je af en toe de oververhitte plek waar je ze opkropt.’

Raadselachtig, die platitudes. Spreekt Benjamin zo omdat hij ‘leeg’ is, niets ‘eigens’ heeft, en daarom afhankelijk is van gemeenplaatsen? Zijn zulke formuleringen ironisch bedoeld, een commentaar op de holheid van het hulpverlenersjargon? Of moeten ze iets zeggen over originaliteit en authenticiteit, en de onmogelijkheid daarvan? Ergens in het boek zit in elk geval een minicollege over postmodernistische kunst. Af en toe becommentarieert Benjamin zijn eigen taalgebruik: ‘Ik kraam zoveel enthousiaste stront uit dat ik er zelf van schrik’, zegt hij dan bijvoorbeeld. Of ligt het misschien helemaal niet aan Benjamin, maar aan Stroink? Wanneer Benjamin eenmaal verandert, verandert zijn taalgebruik namelijk niet mee.

Dat maakt Benjamin lastig te peilen. Met zijn cynisme, narcistische persoonlijkheids­stoornis, en het feit dat hij zich zijn vergrijp niet kan herinneren, is hij sowieso een onbetrouwbare verteller; door zijn holle taalgebruik wordt het helemaal lastig te geloven dat Benjamin zichzelf gelooft wanneer hij zegt dat hij aan het ‘veranderen’ is. Meent hij dat, of is het gespeeld? Moet ik nou geloven dat Benjamin schuldig is, of is het de bedoeling dat ik dat onwaarschijnlijk blijf vinden? Moet ik verrast zijn door de ontknoping, of was het helemaal Stroinks bedoeling niet mij op het verkeerde been te zetten? Ik kan het niet echt inschatten, en dat irriteert meer dan dat het intrigeert.

Iemand vertelde me laatst dat ze het fijn vond om door een roman ‘ontgoocheld’ te raken. Dat vond ik een mooie gedachte, en ik vroeg me af of dat misschien ook is wat Of ik gek ben bij me oproept. ‘Verwarring’ omschrijft het effect echter beter. Tijdens het lezen vroeg ik me regelmatig af of ik iets nou niet goed begreep, of dat het misschien gewoon niet zo goed gelukt was. Het zou kunnen dat die verwarring precies het door Stroink beoogde effect is – in dat geval is hij in zijn opzet geslaagd. Ik heb het bange vermoeden dat de intentie achter Of ik gek ben helemaal niet zo dubbelzinnig is – maar dat kan aan mij liggen natuurlijk, want wie is hier nou gek?