Raadsels

Mondriaans Compositie doet hetzelfde met je als de discussies van Ian Wilson: er blijft iets hangen wat niet te begrijpen is.

Ik probeer me te herinneren wat ik zag toen ik voor het eerst naar deze wonderschone Compositie van Mondriaan stond te kijken. Het hangt in Eindhoven, dus ik moet dertien of zo geweest zijn, toen ik het museum voor het eerst betrad – met de klas onder leiding van de geschiedenisleraar, want die deed ook in cultuur. Maar waarschijnlijk probeerde hij met ons een schilderij van Bazaine, L’orage au jardin, te bespreken. Zoals uit de titel valt op te maken was dat een veel roeriger stuk schilderkunst met heen en weer veel meer kleuren. Wat wil je anders met abstract-impressionistische observaties van woeste wind die door heesters en bloemen waait. Daarbij vergeleken was Mondriaans Compositie maar schraal en leeg – een schilderij waarvan men, zeker in de jaren vijftig, al snel vond dat er niets op te zien was.

Laatst heb ik het gehad over Circle on the Floor van Ian Wilson: een cirkel van krijt bijna twee meter in doorsnee, meer niet. Maar mensen realiseren zich nauwelijks hoezeer nieuwe kunstwerken onvermijdelijk onze kijk op en appreciatie van oudere kunst veranderen. Die krijtcirkel van Wilson is een werk van genadeloze abstractie. Het ding is zo nuchter en kaal dat het ook geen figuur voorstelt. Werken van andere minimalisten, Sol Lewitt of Carl Andre, hebben wel nog vorm en volume (min of meer) en zijn tastbaarder. Daarentegen lijkt de cirkel van Wilson iets wat tegelijkertijd ook niets wil zijn. In de beeldende kunst, zo midden jaren zestig, begon de conversatie daarover te gaan: is die cirkel een strak buigende lijn of eerder de omtrek van een ronde vorm en was, omdat de lijn van stug dik krijt toch een beetje volume heeft, de cirkel toch niet ook een tengere sculptuur. Onzinnig of niet, zulk gemijmer (hoewel dat niet alleen) veranderde ook onze blik op Mondriaan. Eerder werd zijn kunst vooral gezien in de context van zijn eigen idealistische teksten. Na Wilson maar ook Jan Schoonhoven, bij wijze van spreken, begon ik te zien hoe vreemd en bijna dromerig die Compositie is. Er gaan drie zwarte lijnen over het witte vierkante vlak. Door hun plaatsing en omdat de lijnen verschillend dik (of breed) zijn ontstaat in het vierkant een verdeling van vlakken waarin niets meer vierkant is. Mondriaan heeft in het schilderij een wonderlijke destabilisatie laten ontstaan. Dat was zijn artistieke opzet, denk ik, die niet is uit te leggen – maar je ziet iets waar je naar blijft kijken.

Na de krijtcirkel was Wilson zo perplex dat hij verder immateriële kunst is gaan maken, hoofdzakelijk discussies. De eerste die ik meemaakte was op 25 april 1976. Het was er een met mij alleen. Zulke individuele discussies waren informeler van karakter dan de grotere groepsdiscussies. Daarvoor werd meestal een kaart verstuurd, zoals voor de discussie in het Van Abbemuseum twee dagen later: At 8.30 P.M., April 27th 1976, Ian Wilson will be at the Van Abbemuseum, Eindhoven, for discussion (en hetzelfde in het Nederlands). Zelden waren er meer dan twintig personen. De duur van de gesprekken was ongeveer een uur. Ze hadden een propositie die aan het begin door Wilson als vraagstelling ter discussie werd gesteld. Het ging erover of iets tegelijkertijd gekend en niet gekend kan zijn. In zijn woorden over ‘that which is both known and unknown’. Hij had dat uit Plato’s dialoog Parmenides, maar dat werd niet zo benoemd. Eén keer maar, op de kaart voor een discussie op 28 april 1977 in Eindhoven, stond geschreven dat het over de epistemologie in die dialoog zou gaan. Op de achterkant van de kaart voor de discussie op 3 juni 1983, ook in Eindhoven, had hij bij hoge uitzondering thema en argument samengevat: ‘that which is both known and unknown is what is known/ that which is both known and unknown is what is known as both known and unknown/ whatever is known is just known’.

Daar begonnen de discussies mee. Na de propositie kabbelde de zaak dan verder. Je probeerde iets te zeggen over wat eigenlijk een raadsel was. Dus werd het argumenteren. Wilson was er goed in. Op de juiste momenten, als het gesprek echt absurd begon te worden, zei hij: ‘Can you please say that again?’ Dan moest je nog eens nadenken over wat je gezegd had.

In mei 1968 vonden de eerste discussies plaats. Toen waren ze, heb ik gehoord, nog minder gestructureerd. Ze vonden plaats in de marge van de vroege conceptuele kunst. In 1976 echter had een lepe Ian Wilson de trucs onder de knie om met participanten een uur lang eigenlijk te zwetsen. Het moest ergens over gaan, waarom dan niet een bewering van Plato? Kan het klassieker? Het bijzondere echter was dat het, na een uur discussie, voelde alsof je was afgedaald in een grote en intense helderheid waarna je (ik althans) je nauwelijks nog iets kon herinneren van wat was gezegd. Vreemd genoeg bleef zo’n discussie ook in gedachten als een vorm bestaande uit tijd waarin je iets onuitsprekelijks had meegemaakt, zoals je kunt kijken naar de Compositie van Mondriaan omdat die laat zien wat eigenlijk niet te begrijpen is en die je daarom niet loslaat. Natuurlijk heeft het museum de discussie die had plaatsgevonden ook aangekocht, met een glashelder certificaat: There was a discussion on the 27th of April 1976. Verder bleven er berichten over die op den duur, wat mooi zou zijn, onvergetelijke sprookjes worden.


PS Ian Wilson, The Discussions, Eindhoven 2008, € 35,- (gemaakt door het Van Abbe­museum partners)