Racisten, racistte, geracist

Het werkwoord racisten wordt weinig gebruikt, maar het wordt veel gedaan. Het is een woord dat men niet durft te gebruiken, terwijl dat wel verstandig zou zijn.

‘Racisten, (racistte, heeft geracist): een racistische daad stellen, bijvoorbeeld in de politiek. Frits Bolkestein racistte er in Nova weer behoorlijk op los. (Hij deed weer veel racistisch getinte uitspraken).’
Het werkwoord racisten zou gemeengoed moeten worden, maar zou eigenlijk niet kwetsend moeten zijn.
Ik racist, jij racist, hij racist, wij racisten, jullie racisten, zij racisten.
'Ik geloof dat je nou aan het racisten bent.’
Je moet dat kunnen zeggen zonder dat de ander onmiddellijk naar de rechter stapt.
'Je racistte gisteren wel heel erg toen je niet naast Zwongo Nkoembaba wilde zitten.’
'Nadat de Arabier de jood had geracist, kwamen ze tot onderhandelingen.’
'Racisten racisten.’ (Dichtregel onder een tekening van Opland voor de grote 'Wij gaan niet meer racisten’-demonstratie.)
Als racisten een werkwoord is, ontneem je het ook enigszins zijn lading.
Maar daarvoor komt een andere lading in de plaats. Het gevaar bestaat, als het werkwoord te veel gemeengoed gaat worden, dat je daardoor het racisme niet meer als iets ergs gaat zien. Let wel: ik zeg niet dat racisme niet als iets ergs moet worden ervaren, ik beweer dat door het gebruik van het werkwoord racisten het racisten zijn kracht verliest door de mensen die willen racisten. Het werkt dus antiracistisch.
Dat is precies wat ik wil.
Denk aan het woord pesten. Komt van de pest, de aids van de middeleeuwen. Met het werkwoord pesten bedoelde men vroeger: zorgen dat iemand de pest kreeg. (Een met pest besmette dode rat tegen hem of haar aanwrijven.) Iets ergers dan pesten kon niet. Wie pestte was wel heel diep gezonken. Op pesten stond vroeger, volgens het oog-om-oogprincipe, de doodstraf.
Tegenwoordig is pesten bijna een onontbeerlijke communicatieve eigenschap. Het bedreigende is verdwenen.
Zo moet het met het werkwoord racisten ook gaan. Het is nu nog verschrikkelijk, het ergste wat er is. Maar er moet zoveel rasvermenging plaatsvinden dat het z'n waarde verliest. De taal helpt hierbij.
'Jongens, hou eens op, wat zijn jullie aan het doen?’
'We zijn Achmed en Jan een beetje aan het racisten, mam.’
'He, wat kinderachtig van jullie.’
'Ja maar… ja maar…. zij racisten ons ook.’
'Jullie gaan nu rustig spelen, anders ga ik jullie racisten.’
Bolkestein en Janmaat zijn aan het racisten wanneer ze zeggen en blijven herhalen dat Nederland vol is. Van Janmaat is het algemeen aanvaard dat we hem als racist neerzetten, van Bolkestein niet, want die man kent Latijn dus zal hij wel dokter wezen of iets dergelijks.
Maar dokter Bolkestein is wel degelijk aan het racisten.
Het woord racist heeft al zijn betekenis verloren. Net als het woord fascist. Het is zo vaak verkeerd gebruikt dat nu het juiste gebruik vereist is, de woorden fascisme en racisme 'uitontwikkeld’ zijn: ze hebben zichzelf opgeblazen.
Wie voor racist wordt uitgescholden, vindt dat niet meer erg. En wie een ander voor racist uitscheldt, gebruikt iets krachteloos.
Pas als racisme belachelijk is geworden, zal men het laten. Dat kan door er een werkwoord van te maken.
'Mijnheer de voorzitter, ik wil niet racisten, maar de heer Rabbae van GroenLinks wil nu voor de vierde keer het werk van de heer Gerard Reve in het openbaar in de fik steken en dat lijkt me toch niet de juiste weg.’
'Mijnheer Janmaat, dit is niet eens meer racisten wat u doet, u bent aan het holocausten.’