Extremistenbestrijding in Pakistan

Rad voor ogen

In Pakistan steunt het Westen een militair regime dat extremisten helpt, geweld en onrust in de regio aanwakkert en een burgerlijke oppositie wegdrukt. De ‘oorlog tegen terreur’ zou dat nodig maken, maar de misvatting kan niet groter zijn.

Er bestaan twee Pakistans. Het ene is een land waar de extremistische horden de dijken van de staat dreigen te overspoelen en waar radicale partijen via de stembus de hand willen leggen op het kernwapenarsenaal. Dát Pakistan kan – als er nog maar een paar kleine dingen misgaan – het centrum worden van een wereldwijde jihad. Het andere Pakistan is een land met weliswaar reële veiligheidsproblemen, maar ook met een voor regionale begrippen grote en ontwikkelde middenklasse, sterke economie, pluriforme pers, open meningsvorming en mullahs die vaker figureren in moppen dan in toekomstdromen. Dit tweede Pakistan vind je in analyses van experts en academische stukken. Het eerste Pakistan domineert de visie van westerse media en sommige westerse regeringen, in de eerste plaats de regering van George Bush.

Dat heeft grote gevolgen voor Pakistan zelf. Gevolgen voor de burgerlijke oppositie, die bar weinig steun krijgt in de strijd tegen een autoritair regime. Gevolgen voor dat regime zelf, dat sinds 11 september 2001 tien miljard dollar aan Amerikaanse steun kreeg, bijna alles voor het leger. En gevolgen voor de strijd tegen islamitische extremisten, die door het leger worden ontzien en soms geholpen. ‘Wat er ook gebeurt, het Westen blijft Pakistan zien als een verzameling extremisten en het militaire regime als een bolwerk tegen radicalen’, zegt de Franse Pakistan-expert Frédéric Grare. ‘Maar de strijdkrachten manipuleren de binnenlandse politiek, het geweld in verschillende regio’s en de beeldvorming naar buiten toe. Hun spel gaat ver. En soms raken ze de controle kwijt.’

Pakistan kan maar niet over de schaduw van zijn verleden heen springen. Het werd gevormd in 1947, toen Brits-Indië uiteenscheurde in een door moslims en een door hindoes gedomineerde staat. Het was een gewelddadige geboorte, met geweld over het hele subcontinent, honderdduizenden doden en vijftien miljoen vluchtelingen die zich aan de andere zijde van de nieuwe grens vestigden. Het bezorgde Pakistan een obsessieve vijandschap met India, en een centrale rol voor de islam in de identiteit van het land.

Het huidige Pakistan is nog steeds allerminst een eenheid. Het centrum vormen de grote, aan India grenzende provincies Sindh en Punjab; in alle andere regio’s vechten afscheidings- of verzetsbewegingen tegen de regering, in Kashmir, Baluchistan en de Noordwestelijke Grensprovincie. Ook in het ‘rustige’ Sindh en Punjab is het sectarische en etnische geweld nooit ver weg.

In dat instabiele, door geweld geplaagde land heeft het leger nooit werkelijk afstand willen nemen van de macht. In de jaren vijftig, zeventig en negentig van de vorige eeuw werd Pakistan bestuurd door democratisch gekozen leiders, maar zij werden allen door de strijdkrachten gewantrouwd. Driemaal maakten die een eind aan de democratische intermezzo’s. In 1999 voor het laatst, door de huidige, zelfbenoemde president (en stafchef) Pervez Musharraf.

‘Het Pakistaanse leger, en daarmee de staat, heeft nationalisme in de regio’s altijd als groter gevaar gezien dan de radicale islam’, stelt Frédéric Grare. Hij was diplomaat in Pakistan, schreef verschillende boeken en studies over het land en werkt nu voor de Carnegie-denktank in de VS. Religie was voor de strijdkrachten juist een wapen tegen de fragmentatie van de samenleving. In de jaren tachtig voerde dictator Zia ul-Haq de sharia in en het leger steunde verschillende groepen radicaal-islamitische strijders. ‘Om lokale conflicten te kunnen islamiseren, heeft het leger ze doelbewust verergerd’, meent Grare. ‘Door islamitische strijders te steunen, of soms door hen over te brengen van de ene kant van het land naar de andere, bestreden de militairen en de geheime diensten het nationalisme van lokale strijders in Kashmir, Baluchistan en de Pashtun-gebieden. Bovendien breidde het leger zo zijn invloed op de regio uit, hield het voor de buitenwereld zijn handen schoon en maakte het zich onmisbaar voor de oplossing van verschillende conflicten rond Pakistan.’

Het was een formule die wonderwel werkte. Kashmir bleef voor India een etterende wond. En de door de Pakistaanse geheime dienst gesteunde Taliban werden de dominante beweging onder Pashtuns, zowel in Pakistan als in Afghanistan. In 1996 namen de Taliban Afghanistan in, waardoor Pakistan zijn regionale invloed enorm uitbreidde. In 2001 kwam er een pijnlijk keuzemoment, toen de Verenigde Staten van Pakistan medewerking eisten tegen al-Qaeda en de Taliban. Op niet-subtiele wijze: ‘Bereid je voor om naar het stenen tijdperk te worden gebombardeerd’, werd Musharraf naar eigen zeggen toegeblaft door een Amerikaanse onderminister. Musharraf gaf toe en staat sindsdien bekend als schoothond van de VS. Het leverde zijn leger miljarden dollars aan steun op en zijn regime veel speelruimte. Maar op Pakistans werkelijke bijdrage aan de ‘oorlog tegen terreur’ valt veel af te dingen.

‘Het is ongelooflijk dat Musharraf zich als grote extremistenbestrijder weet te afficheren in het Westen. De strijd tegen terroristen ligt onder hem al jaren stil’, zegt Ahmed Rashid, een Pakistaanse journalist en auteur van de bestseller Jihad: The Rise of Militant Islam in Central Asia. ‘De terroristenkampen in het grensgebied met Afghanistan zijn in al die jaren niet aangepakt en onlangs sloot hij een pact met Pashtun-stammen, dat neerkwam op een capitulatie van het leger. Om toch de indruk te wekken dat hij een grote extremistenbestrijder is, overdrijft Musharraf de interne dreiging van islamisten enorm.’

Het is een terugkerende cirkel, stelt Rashid: het leger of geheime diensten helpen militanten of geven hen ruim baan, waarna de regering naar Washington roept nooit te zullen capituleren voor extremisme. Rashid: ‘Het ergste voorbeeld was de ontruiming van Rode Moskee in Islamabad, in juli. Zes maanden lang liet Musharraf de bezetting door islamisten uit de hand lopen. Toen greep hij veel te hard in, met honderd doden, en pleegden woedende islamisten aanslagen door het hele land. Op zo’n manier blijft iedereen geloven dat de dreiging van extremisten enorm is. Maar ze zijn veel zwakker dan de regering-Bush maar blijft geloven.’

Grare ziet het net zo: ‘De politieke islam heeft in Pakistan traditioneel een heel kleine basis in de samenleving. Geen enkele peiling of onderzoek geeft aan dat de Pakistanen de mullahs een geloofwaardig alternatief vinden voor een democratische regering. Het gevaar van islamisten zit in de grensregio’s met Afghanistan. Het verhaal dat zij dreigen de staat over te nemen, is complete nonsens. Het is een verhaal dat door de militairen wordt gevoed en aangewakkerd. Ze willen dat de buitenwereld alleen die radicalen ziet, maar in werkelijkheid zitten de islamisten er prettig bij onder dit regime.’

Dat werd vooral duidelijk in 2002. In volgens waarnemers zwaar gemanipuleerde verkiezingen werd Musharrafs partij de grootste en verdriedubbelden de islamisten hun hoogste score ooit. Ze zijn nu de derde partij en besturen twee grensprovincies bij Afghanistan. Het ‘succes’ van de extremisten was een nieuw bewijs waarmee Pakistans regime het Westen overhaalde tot steun. Het werkte: Bush noemde Musharraf bij herhaling een ‘persoonlijke vriend’ en deel van de ‘gematigde krachten in de wereldwijde strijd tegen extremisme’. De VS steunden zijn bewind politiek, militair en financieel. Het gaf Musharraf ruimte tegen een veel sterkere vijand dan de extremisten in verre grensregio’s. Grare: ‘Onder dekking van de regering-Bush, die enkel oog had voor de oorlog tegen terreur, opende Musharraf de strijd met de democraten, de juristen, de complete burgerlijke samenleving.’

Het hele afgelopen jaar liep die strijd op, het meest zichtbaar in het geval van de juristen en van oppositieleider Benazir Bhutto. Sinds Musharraf aan de macht is, heeft hij verschillende maatregelen genomen om de rechterlijke macht dienstbaar te maken aan het militaire regime. Onverwacht echter werd de door Musharraf zelf benoemde voorzitter van het Hooggerechtshof een probleem. Opperrechter Chaudhry nam beslissingen tegen Musharraf, die hem in maart ontsloeg. Na protesten onder juristen kreeg Chaudhry zijn baan terug. Begin november leek het Hof Musharrafs herverkiezing van oktober ongeldig te verklaren. Musharraf riep de noodtoestand uit wegens een ‘niet eerder vertoond niveau van extremistisch geweld’ en ontsloeg Chaudhry opnieuw. De juristen kozen daarop massaal de straat.

Tegelijk roeren zich nu ook de erfvijanden van de militairen: de politieke partijen. In het verdeelde en op veel plaatsen nog feodale Pakistan vervullen die een andere rol dan in het Westen. Het zijn vaak ideologisch lege en rond persoonlijkheden en dynastieën gebouwde bewegingen. Hun staat van dienst is ook bar slecht. In de periodes van civiel bestuur liepen de binnenlandse spanningen steeds op, greep corruptie om zich heen en stagneerde de economie. De laatste maal was dat in de jaren negentig, toen Benazir Bhutto, leider van de ppp, en Nawaz Sharif, leider van de pml-n, stuivertje wisselden als premier. Hun bestuur heeft zo’n zure smaak achtergelaten bij de Pakistanen dat volgens een Zweeds onderzoek slechts een op de vier burgers ‘vertrouwen’ zegt te hebben in politieke partijen. Toch heeft vooral de naam ‘Bhutto’ een mythische klank in Pakistan (Benazirs vader werd na een militaire coup opgehangen); Benazir bracht eerder een militair regime in problemen door grote mensenmassa’s op de been te brengen.

Over de merites van een terugkeer naar democratie zijn ook serieuze westerse analisten verdeeld, maar de meeste zien het als enige geloofwaardige optie voor het land. ‘De keuze voor Pakistan wordt voorgesteld als een keuze tussen een autocratisch maar stabiel en sterk regime en een democratisch, zwak en instabiel regime. Maar dat is vals’, zegt Ahmed Rashid. ‘In werkelijkheid is juist Musharrafs regime zwak en niet tot strijd tegen terrorisme in staat. Hij destabiliseert de samenleving, verzwakt daarmee de capaciteit van het leger en schrikt investeerders af door de extremisten alle aandacht en ruimte te geven. Dit regime is gevaarlijk voor Pakistan en voor westerse landen zelf. Hopelijk gaan zij dat nu zien.’

Stabiliteit zal niet snel terugkeren, vreest Rashid: ‘Onder militairen is dat nu onmogelijk. En democraten hebben ook een slechte staat van dienst. Maar door alle coups kan het land niet naar een stabieler bestuur groeien. Onder de militairen groeit niets. De nieuwe lichting leiders die het land uit het moeras kunnen helpen, blijft verborgen.’