Röntgenfoto van de hand van Bertie, de latere koning Edward VII, rond 1897 © Science Photo Library / ANP

Vermoedelijk kijkt bijna iedereen met een zekere meewarigheid naar de Engelse kroonprins Charles. Nog even en mummy overleeft hem of, andere mogelijkheid, hij wordt gepasseerd door zijn zoon. Dat lot is niet uniek: Charles is niet de eerste Engelse kroonprins die schijnbaar eeuwig op de troon moest wachten. De man die uiteindelijk koning Edward VII werd, overkwam gedurende bijna zestig jaar hetzelfde – hij leefde vervolgens nog slechts tien jaar als koning en stierf aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, in 1910. Gevolg hiervan is dat Edward, Bertie in de volksmond, in de herinnering altijd in de schaduw van zijn schijnbaar onsterfelijke moeder, Queen Victoria, is gebleven. Dat is om vele redenen onterecht. Een daarvan heeft van doen met het thema dat bijna synoniem werd aan het tijdperk dat zijn naam aan die moeder ontleent: preutsheid. Die ging zover dat men zelfs het woord onderbroek liever niet uitsprak. ‘Unnamables’ werden die dingen genoemd.

Edward daarentegen was ongeveer het tegenovergestelde van preuts. De hoeveelheid vrouwen met wie hij het bed deelde is ontelbaar en heeft als bijzondere, actuele bijkomstigheid dat daar ook de overgrootmoeder van Camilla Parker Bowles, echtgenote van Charles, bij hoorde.

Veel minder bekend is dat Edward zich, opnieuw in flagrante tegenstelling tot zijn moeder, op alle mogelijke manieren interesseerde voor en bemoeide met de modernisering van mens en samenleving. Voor de voortrekkers van die modernisering was dat belangrijk, vooral omdat er, zoals in high societies gebruikelijk, nogal wat verzet was tegen verandering. Bertie daarentegen koos radicaal voor de moderniteit.

Edward was het tegenovergestelde van zijn preutse moeder, Queen Victoria

Econoom en bedrijfskundige Mike Hoogveld was zo origineel deze keuze tot uitgangspunt van een boek te maken. Het levert een amusant geheel op. In een tiental hoofdstukken schetst hij de veranderingen op het gebied van vervoer (trein, fiets, auto), communicatie, energie (licht), medicijnen, architectuur, sport, (ontdekkings)reizen, fotografie en aanverwante onderwerpen, met als bijzonder kenmerk en rode draad de rol die Edward bij de ontwikkeling en aanvaarding van de vernieuwingen op deze gebieden speelde. Dit laatste maakt dit boek tot meer dan een zoveelste geschrift over wat veelal de tweede industriële revolutie wordt genoemd.

De beste illustratie van Berties vooruitstrevendheid dan wel radicale anders-zijn ten opzichte van moeder Victoria komt op het moment dat de man het eindelijk voor het zeggen krijgt en koning wordt, in 1901, helemaal aan het begin van de nieuwe eeuw dus en daarom moeilijk anders dan symbolisch te noemen. Ongeveer het eerste wat hij deed was de locatie van zijn geboorte en naderhand ook zijn dood, Buckingham Palace, op z’n kop zetten. Victoria, een leven lang in de rouw vanwege haar jonggestorven echtgenoot, had alles gelaten zoals het halverwege de negentiende eeuw was. Meer nog, ze was zelfs nauwelijks meegegaan in de van vóór dat moment stammende gewoonte om de privé-vertrekken met gas te verlichten. Ze hield het het liefst bij kaarsen. Bertie daarentegen liet volgens Hoogveld maar liefst veertigduizend elektrische lichtpunten in Buckingham Palace aanbrengen. Zo ook centrale verwarming (mammie verkoos de open haard) en, ik neem aan, ook overal stromend water.

Veelzeggender wellicht nog is dat hij de paardenstallen grotendeels liet ombouwen tot garages, voor auto’s natuurlijk. Auto’s waren overigens een van die noviteiten waarvoor Bertie heel zijn leven een voorliefde koesterde. In 1896 nam hij op het terrein van Buckingham Palace voor het eerst plaats achter het stuur van zo’n ding, een Britse Daimler. Enkele maanden later bestuurde hij in Parijs – stad van zijn voorkeur, tevens ontsnapping – een De Dion-Bouton. Spoedig daarop kocht hij zijn eerste auto, een Panhard, en begaf zich actief in de wereld van het gemotoriseerd verkeer, onder meer door zich als beschermheer van de eerste autoshow ter wereld op te werpen, aan races mee te doen en betrokken te raken bij de oprichting van de Engelse variant van onze anwb.

Iets dergelijks kan verteld worden van Berties bemoeienissen met de medische wetenschap – Hoogveld wijdt daaraan het laatste hoofdstuk van zijn boek. Zo was hij niet bang om elektriciteit in te zetten voor medische behandeling, van hemzelf welteverstaan. Hij onderging elektroshocks, naar het schijnt ter genezing van zijn impotentie. Ook was hij goed met onder anderen Pasteur (ontdekker van het pasteuriseren en het vaccin tegen hondsdolheid) en Koch (ontdekker tbc-bacterie). Hij bezocht congressen, hoorde lezingen aan, stelde zich beschikbaar als beschermheer. Enzovoort, enzovoort zou je moeten zeggen. In dat woordje ‘enzovoort’ zit tevens het nadeel van dit boek. Twee eigenlijk. Door de vele anekdotes leest het als de spreekwoordelijke trein. Maar je vraagt je af: wat is nu de boodschap, wat is het verhaal? Je zou denken, en dat is punt twee, dat het verhaal is dat Bertie een (grote) rol gespeeld heeft bij de aanvaarding van moderne technologie. Honderden anekdotes illustreren dat ook. Toch blijft onduidelijk waaruit die rol precies heeft bestaan. Was hij meer dan ceremonieel? Was alleen al de betrokkenheid van de Britse kroonprins/koning voldoende om alle deuren te openen? Speelde de dominante positie van Engeland hierbij een rol? Anders gezegd: één systematisch of analytisch hoofdstuk had in dit boek niet misstaan. Nu is het vooral leuk. Dat is heel wat, maar misschien net te weinig.