Radicaal én gewelddadig

Edwin Klijn en Robin te Slaa kozen niet de weg van het makkelijke afserveren van de NSB, maar wilden de partij beschouwen vanuit de historische ontwikkeling van het fascisme. Bovendien vertellen ze mooie verhalen.

Middenvoor Anton Mussert, rechts Max de Marchant et d’Ansembourg. Foto gemaakt voor 1940 © NIOD

Bij de Provinciale-Statenverkiezingen van 1935 behaalde de nsb een opmerkelijke overwinning en kreeg maar liefst 7,94 procent van de stemmen. Daarmee werd de partij de vijfde van het land, groter dan de liberale partijen en stukken groter dan die van de communisten. Robin te Slaa en Edwin Klijn beschreven de overwinning in het eerste deel van wat de komende tijd zonder twijfel hét standaardwerk over de Mussert-beweging zal zijn. Dat deel verscheen in 2009.

Nu, elf jaar later, is deel 2 verschenen, net zo dik, net zo uitvoerig maar met een geheel andere inhoud.

Kenmerkend hiervoor zijn de Tweede-Kamerverkiezingen van twee jaar later, mei ’37, toen het aantal stemmen bijna gehalveerd werd (4,21 procent). Vooral op de plekken waar de beweging voorheen juist veel stemmen had behaald, Limburg voorop (van 11,7 naar 5,3 procent), was de terugval dramatisch. ‘Wij staan alleen’, sprak Mussert dramatisch op de verkiezingsavond. ‘Alles, wat bij ons hing en om ons hing, is verdwenen – wij staan alleen. Maar dan toch alleen met onze tienduizenden.’

Terwijl het eerste deel gaat over opkomst en succes gaat dit deel over pogingen tot instandhouding en hoop op herleving. Het eindigt aan de vooravond van de oorlog, als van de oorspronkelijke sprankeling van een eventuele rechtse revolutie, althans in Nederland, weinig meer over is. Maar ja, dan komen de Duitsers en verandert alles weer. Daarover gaat het hopelijk ooit te verschijnen deel 3.

Evenals deel 1 is ook dit deel uitvoerig, soms misschien net iets té. Hier staat tegenover dat goede geschiedschrijving van deze voor ons verleden belangrijke beweging ontbrak en dat Klijn en Te Slaa terecht geen zin hadden in een zoveelste partijtje scheldproza. ‘Naar onze mening heeft het onderzoek naar de geschiedenis van fascistische partijen in de eerste plaats behoefte aan studies die het fascisme vanuit zijn eigen historische ontwikkeling beschouwen’, schrijven zij en stellen dat ze om die reden vooral uitgaan van contemporaine bronnen. Hiermee suggereert het tweetal wat de geschiedschrijving al zo’n tweehonderd jaar suggereert: dat feiten voor zich spreken. Vanzelfsprekend is dat een fabel. Feiten spreken nooit ‘voor zich’. Het is altijd de historicus die spreekt, via de door hem geselecteerde en verwoorde feiten. Zo ook in dit geval. Niettemin is ook dit deel van de nsb-geschiedenis in vergelijking met wat tot nu toe over de beweging geschreven werd een grote stap vooruit. Dit ook omdat het door die klemtoon op primaire bronnen boordevol verhalen staat. Ik ken de geschiedenis van de nsb behoorlijk, maar heel veel van wat Klijn en Te Slaa vertellen wist ik niet.

Eerst die verhalen. Om een voorbeeld te geven: het levensverhaal van een van de nsb’ers van het eerste uur, de tegenwoordig zo goed als onbekende maar destijds binnen de beweging fameuze Limburgse graaf Max de Marchant et d’Ansembourg. Zijn naam komt in het boek ongeveer net zo vaak voor als die van bekendere nsb’ers als Cornelis van Geelkerken en Meinoud Rost van Tonningen, honderden keren. Bijeen vormen die vermeldingen een soort boekje binnen het boek.

Ansembourg, uit 1894 en in de jaren dertig dus een veertiger, was in Limburg een bekend persoon, namens de Rooms-Katholieke Staatspartij burgemeester in het dorp waar het familiekasteel ook stond, Amstenrade, en actief in tal van instanties. De opkomst van de nsb, zo vertellen Klijn en Te Slaa in deel 1, volgde hij met belangstelling. Ansembourg stond politiek ver aan de rechterkant, was sinds lang (ook) Duits staatsburger, had in de Eerste Wereldoorlog als vrijwilliger aan Duitse zijde gevochten en was bevriend met vooraanstaande Duitsers als Von Papen, Hitlers voorganger en, in 1933-34, vice-kanselier. Geen wonder dat Mussert hem graag bij de partij had.

Ansembourg aarzelde, vooral omdat hij in de eerste plaats katholiek was. Maar in het najaar van 1933 ging hij toch overstag. Vanaf dat moment speelde hij binnen de nsb een cruciale rol: na de verkiezingen van 1935 kwam hij zowel in de Provinciale Staten (waar hij namens de Rooms-Katholieke Staatspartij eerder ook al gezeten had) als in de Eerste Kamer. Na de landelijke verkiezingen van 1937 zette hij nog een stapje verder en nam namens de nsb zitting in de Tweede Kamer, als fractievoorzitter zelfs.

Het is onmogelijk zoiets ‘radicaals’ als de shoah met gematigdheid te identificeren

Hoewel Ansembourg zich als nsb’er met van alles en nog wat bemoeide vallen twee thema’s op. Om te beginnen de voor Limburg zo belangrijke verhouding tussen nsb en (katholieke) kerk. Hoewel Ansembourg op alle mogelijke manieren probeerde de twee te verzoenen, lukte dat niet en moest hij kiezen. Hij koos voor de nsb, en wel met het argument dat het fascisme veel beter dan de kerk in staat was de volgens hem toenmalige vijand nummer 1, het communisme, te bestrijden. In zijn ogen was de uiteindelijke keuze inderdaad tussen Mussert en Moskou. Dat de kerk dit niet inzag was in zijn ogen een stommiteit.

Het is een van de verhalen die Klijn en Te Slaa uitvoerig, verspreid over vele pagina’s, beschrijven. Overigens, zoals blijkt uit de verkiezingsuitslag van 1937, verloor Ansembourg de strijd: nadat de katholieke kerk de nsb in de ban had gedaan bogen de meeste katholieken het hoofd. Het is veelzeggend voor de Nederlandse verhoudingen.

Ansembourgs onbegrip voor die verhoudingen weerspiegelt zich in het andere thema dat hem intensief bezighield: de betrekkingen tussen de nsb en ‘het buitenland’, in het bijzonder Duitsland en het zeker in verband met het katholicisme cruciale Italië. Zo was hij het die met Rost van Tonningen de ontmoeting tussen Mussert en Hitler in 1936 voorbereidde. Ook van dat alles wordt uitvoerig verteld.

Aldus zijn er binnen dit grote verhaal over de nsb in de tweede helft van de jaren dertig talloze kleinere verhalen. Ze spreken veelal inderdaad voor zich. Tegelijkertijd zijn er binnen die wirwar wel degelijk ordeningen, perspectieven, rode draden of visies die dat veel minder doen en daarom ook aanvechtbaar zijn. Een van de belangrijkste daarvan – de auteurs geven het zelf ook aan – betreft de sinds lang veronderstelde gematigdheid van de nsb en de daaraan gekoppelde kleinburgerlijkheid van haar leider.

Recentelijk is hierop steeds meer kritiek gekomen. Klijn en Te Slaa sluiten daarbij aan en omschrijven de nsb dan ook als radicaal: ‘Wie de beweging van Mussert vergelijkt met geestverwante fascistische partijen (…) constateert dat de nsb aan het einde van het interbellum de nazi-ideologie vervaarlijk dicht benaderde en in sommige opzichten zelfs evenaarde. Er waren externe stimuli voor deze radicalisering, maar zij werd hoofdzakelijk voortgestuwd door kopstukken en leden die al langere tijd bij de nsb waren.’

Dat is juist, denk ik. Tegelijkertijd is onmiskenbaar dat de beweging in de ogen van de meest radicalen toch niet radicaal genoeg was en in de ogen van de Duitsers iets spiessbürgerliches behield. De oorlog is in de afgelopen decennia in toenemende mate het verhaal van de shoah geworden – dat zie je ook in dit boek weer, het onderwerp jodendom loopt er als een dikke rode draad doorheen en krijgt veel meer klemtoon dan het, denk ik, binnen de toenmalige nsb gehad heeft. Het is onmogelijk zoiets ‘radicaals’ als de shoah met gematigdheid te identificeren. En dus kan het niet anders dan dat de nsb als radicaal wordt voorgesteld.

Een interessantere want minder bekende rode draad in dit boek betreft de internationale context. De Nederlandse geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog was tot voor kort een nationaal verhaal. De globalisering van de afgelopen decennia heeft dit veranderd, met alle gevolgen van dien. Vandaar dat Klijn en Te Slaa hun slotbeschouwing zelfs ‘de internationale revolutie van de nsb’ noemen. De belangrijkste betekenis van deze zinsnede is dat de partij zich in de tweede helft van de jaren dertig transformeerde ‘van een beweging die zich overwegend baseerde op de beginselen van het Italiaanse fascisme tot een volledig op Duitse leest geschoeide nationaal-socialistische partij’.

Vandaar ook weer, onder meer, al die aandacht voor ‘het jodenvraagstuk’. In het Italiaanse fascisme speelde het nauwelijks een rol, van het Duitse nationaal-socialisme was het een kernstuk.

Een internationale blik op de nsb maakt dat ook andere aspecten meer klemtoon krijgen. Geweld bijvoorbeeld. Het is ten overvloede bekend dat fascistische partijen in Duitsland, Italië, Spanje en elders het geweld niet schuwden. In Nederland zou het, volgens de geschiedschrijving althans, beperkt zijn gebleven. Maar sinds enige tijd worden de nsb en nsb’ers steeds vaker met geweld geassocieerd – weerkorpsen waren wel degelijk actief en individuele leden waren betrokken bij razzia’s, ja zelfs werkzaam in de vernietigingskampen. Klijn en Te Slaa sluiten ook bij deze tendens aan en stellen de nsb voor als niet alleen een radicale maar ook een gewelddadige partij. Daarmee past zij in de internationale context.

Veralgemenisering is het grootste dilemma van de geschiedschrijving. Zonder gaat het niet, mét wordt de altijd complexe en gevarieerde werkelijkheid miskend. Het is zonder twijfel juist dat tal van nsb’ers geweld niet schuwden en dat de nsb als partij radicaal genoeg was om, gesteld voor de keuze, systematisch geweld te verkiezen. Maar in de jaren dertig werd de beweging niet voor die keuze gesteld. Zij was en bleef, in praktijk althans, een Nederlandse beweging en voldeed dan ook grotendeels aan ‘wetten’ die op dat moment in Nederland golden. Een van die wetten was die van de gematigdheid. Om die reden zou ik, juist vanuit een internationaal perspectief en met betrekking tot de jaren dertig, toch daarop de klemtoon willen blijven leggen. Klijn en Te Slaa doen dat als vertegenwoordigers van een andere generatie niet. Wie gelijk heeft is minder belangrijk dan de constatering dat verschillende visies mogelijk zijn.