Essay De Transition Towns-beweging als praktische religie

Radicale anarchie in de Hobbitstee

De ecologische beweging Transition Towns wil dorpen en steden zo veel mogelijk zelfvoorzienend maken. Praktisch idealisme of semi-religieus? Utopie of bruikbaar?

Het anarchisme, zo zeiden we in de vorige eeuw tegen elkaar, is de enige grote politieke ideologie die nog niet is bezoedeld door uitoefening van de macht. Die het geluk heeft gehad niet tot een regime of staat te worden en zijn dragers dus niet heeft kunnen corrumperen. Hoewel we wisten dat de anarchisten die tijdens de Spaanse Burgeroorlog in Barcelona aan de macht waren ongeveer even erg waren geweest als de communisten en andere revolutionairen.

De aantrekkingskracht van het anarchisme was misschien juist dat we wisten dat het een onuitvoerbaar droombeeld was. Een samenleving zonder macht en staat is een goedbedoelde naïviteit, net als de marxistische droom van een samenleving zonder eigendom en kapitaal. Maar waar het marxisme ook tijdens de jongste kapitalistische crisis nauwelijks een poot aan de grond kreeg, lijkt de inspiratie van het anarchisme nog lang niet uitgewerkt. De Occupy-beweging, die de 99 procent van het Volk oproept zich te verzetten tegen de één procent van het Grote Geld, heeft het een wereldwijde impuls gegeven. Maar ze lijkt alweer ten onder te gaan aan de klassieke anarchistische leider- en programmaloosheid. Ook de Piratenpartijen, succesvol in Zweden, het Europarlement en de Berlijnse stadsregering, updaten een klassiek anarchistisch thema door te pleiten voor digitale vrijheid, open source en de creative commons. Maar ze lopen het risico te blijven steken in one issue en politiek amateurisme vanwege dezelfde anarchistische koudwatervrees voor organisatie en professionaliteit.

Er is nog een derde beweging die heeft gedronken uit de anarchistische bron en die wél kan organiseren: die van de Transition Towns. Deze ecologische variant heeft minder aandacht gekregen, maar is net als Occupy en de Piraten een radicale _grassroots-_beweging met een opvallende internationale uitstraling. Begonnen in het stadje Totnes in het Engelse Devon in 2005 heeft ze zich in rap tempo over andere landen en continenten verspreid. Officieel zijn er nu rond de 480 officiële Europese transitiesteden en dorpen, waarvan de helft in Engeland, meer dan tweehonderd in de VS en Canada en zeventig in Australië. Nederland kent meer dan 83 erkende initiatieven (te volgen op www.transitiontowns.nl), met Deventer als hoofdstad.

Totnes is de woonplaats van Rob Hopkins, de grote inspirator van de beweging. Hij begon als klimaatactivist en docent permacultuur (waarover later) in het Ierse plaatsje Kinsale, voordat hij in 2005 verhuisde naar Devon. Hopkins is een begenadigd spreker: glashelder, vol humor en concreet, met een licht manisch-profetisch trekje. In 2008 schreef hij Het t_ransitie_ h_andboek: Van olieafhankelijkheid naar lokale veerkracht,_ dat ook in het Nederlands werd vertaald, en in 2011 een tweede doe-het-zelfboek: The Transition Companion. Niet door bescheidenheid geremd denkt hij dat het transitiemodel de grondslag kan zijn voor ‘een van de belangrijkste sociale, politieke en culturele bewegingen van de 21ste eeuw’.

Zoals te lezen is op de Nederlandse website gaat het de transitiebeweging om het herstel van de veerkracht van lokale gemeenschappen, vooral door de dagelijkse praktijk van wonen, werken en leven minder afhankelijk te laten zijn van olie en ecologisch duurzamer te maken. De ambitie is om dorpen, stadsbuurten, steden en landstreken zoveel mogelijk zelfvoorzienend te maken. Daarbij moeten we niet zitten wachten op overheden of grote ondernemingen, maar hier en nu beginnen in eigen huis, buurt of bedrijf, en een beroep doen op de ervaring, creativiteit en wijsheid van mensen zelf. Geen academische bespiegelingen, maar concrete projecten in de echte wereld. Het gaat om leren door te doen, leren van het leven en van de aarde: bewust kleinschalig, laagdrempelig en energiearm.

Die methode heeft een waaier van kleine en grotere activiteiten voortgebracht: reparatiecafés voor kapotte kleding, fietsen of huishoudelijke apparaten, bewonerscoöperaties voor energiebesparing en -opwekking, consumentengroepen voor lokale en duurzame voedselproductie, ruil- en weggeefwinkels, modeshows voor tweedehandskleding, buurtmoestuinen en initiatieven als de Eetbare Stad, waarbij mensen worden geholpen met de makeover van hun tuin, balkon of nabijgelegen plantsoen (Eetbaar Plantsoen) volgens de principes van de permacultuur.

Deze permacultuur geldt als de belangrijkste filosofische grondslag van de transitiebeweging. De term, oorspronkelijk een benaming voor duurzame landbouw, verwijst inmiddels naar een allesomvattend ontwerpsysteem voor menselijke leefomgevingen in harmonie met de natuur, waarbij alle duurzaamheidsaspecten (sociale, economische, ecologische, culturele en technische) worden geïntegreerd. Die menselijke habitats zijn zelfonderhoudend, veel minder afhankelijk van energie en grondstoffen, putten sterk uit collectieve vindingrijkheid en onderlinge samenwerking, en staan daardoor veel weerbaarder tegenover de buitenwereld.

Een van de opvallendste transitie-ideeën is de invoering van een lokale munt, die niet alleen de markt verkleint en de economische kringloop bevordert, maar ook zou bijdragen aan het lokale historisch besef en de trots op eigen dorp of stad. In Engeland begon het in 2005 met het Totnes Pound, al snel gevolgd door het Lewes Pound, het Stroud Pound en het Brixton Pound. Op de laatste prijkt de beeltenis van David Bowie in plaats van die van de Queen. Dit jaar moet in Nijmegen de Bataaf in omloop komen: een rentevrije munt voor kleinschalige bedrijven in het ‘Rijk van Nijmegen’.

Een centraal begrip van het transitiedenken is ‘veerkracht’. Dat is niet in de eerste plaats een individuele eigenschap, maar het vermogen van sociale en ecosystemen om hun samenhang te behouden en te blijven functioneren zodra zij aan externe schokken worden blootgesteld. Ze moeten verstoringen kunnen absorberen en zich kunnen reorganiseren, om dezelfde structuur, identiteit en terugkoppelingen te kunnen behouden. ‘Veerkracht’ is in de ogen van transitiedenkers een radicaler begrip dan het vage allemanswoord ‘duurzaamheid’, omdat het de noodzaak van zelfvoorziening via schaalverkleining en lokalisering veel ernstiger neemt.

Dit gebruik van het begrip veerkracht heeft echter een onmiskenbaar conservatief en nostalgisch trekje. Behoud van de structuur en identiteit van het systeem wordt vooropgesteld, waardoor verandering al gauw geldt als iets wat van buiten komt en systeemverstorend werkt. Kleinschaligheid wordt gepresenteerd als een onvermijdelijke strategie, die ons terugvoert naar de heelheid van het gemeenschapsleven en van onszelf, naar gezondheid en een gevoel van thuiszijn, die ons kortom ‘terugbrengt naar wie we werkelijk zijn’.

Holistische en essentialistische termen als deze laten zien dat de transitiebeweging ook een ander gezicht heeft. Ze is niet alleen een aanstekelijke vorm van praktisch idealisme en een bron van gemeenschapszin en collectieve creativiteit, maar vertoont ook trekjes van een semi-religieuze opwekkingsbeweging, die het Einde van een Tijdperk aankondigt en hoopvol uitzicht biedt op een Nieuw Begin, ja zelfs op de komst van een Nieuwe Mens. Volgens transitiedenkers als Hopkins staan we op een keerpunt der dingen, op de drempel van een nog niet eerder vertoonde omwenteling, die ook een spiritueel reveil inluidt. Alles staat op het spel, en dus is ook alles mogelijk. We staan ‘aan de vooravond van de belangrijkste taak in de geschiedenis’, en hebben daarom geen tijd te verliezen.

De twee schokken die dit apocalyptisch moment bepalen zijn de Piekolie en de Klimaatverandering. Ik schrijf ze met hoofdletters, want ondanks hun met tabellen en grafieken onderbouwde presentatie figureren ze in het Transitie h_andboek_ ook als een tweekoppige vuurspuwende draak die ons in de hoogste staat van alarm en paraatheid moet brengen. Het moment dat de goedkope olie op raakt is een kantelpunt voor zowat alles waar we in ons dagelijks leven mee te maken hebben: voeding, transport, mobiliteit en werk. Er dreigt een totale oliecrisis. Alternatieve energiebronnen kunnen de behoefte van de geglobaliseerde economie niet opvangen, dus er zit niets anders op dan ons energieverbruik drastisch af te bouwen. Het besef dat dit nodig is, is een enorme schok, zelfs een bron van paniek. Alles moet veranderen, want zonder olie kunnen alleen lokale economieën overleven. In plaats van die crisis lijdzaam te ondergaan, kunnen we beter proberen om de onvermijdelijke transitie vorm en richting te geven.

Hopkins schrijft met dezelfde apocalyptische stelligheid over de Klimaatverandering. Er is geen twijfel mogelijk over het feit dat de aarde in snel tempo opwarmt. Daar heb je geen lijstjes, grafieken of wetenschappelijke publicaties voor nodig: iedereen ziet dat om zich heen gebeuren. Dat is uiterst angstaanjagend, en als je dat niet vindt ‘heb je het in feite niet echt begrepen’. We moeten koste wat het kost onder de grens van de twee graden opwarming blijven, want anders zijn de gevolgen catastrofaal. Hoewel hij juist het tegendeel doet, wil Hopkins niet vervallen in ‘apocalyptische angststrategieën’. Dat is volgens hem ook niet nodig: ‘De informatie is op zichzelf al angstaanjagend genoeg zonder deze verder te dramatiseren.’

Door deze paniekzaaierij gaat de transitie-ervaring lijken op een heuse bekeringservaring. Opvallend genoeg wordt die wending van het duister naar het licht beschreven in het seculiere vocabulaire van de psychotherapie en de co-counseling. Het Transitie h_andboek_ bevat een hilarisch (maar wel degelijk ernstig bedoeld) hoofdstuk over de ‘Aardolie-afkick-stress-stoornis’: een therapeutische handleiding voor de gevoelens van overweldiging, verslagenheid en radeloosheid die ons bevangen zodra wij de Piekolie en de gevolgen ervan beginnen te begrijpen. De paniek die dan toeslaat kan klamme handen, misselijkheid en lichte hartkloppingen veroorzaken. Het is logisch om hier aanvankelijk op te reageren met ontkenning (klimaatscepsis!). Maar je moet je realiseren ‘dat die gevoelens heel natuurlijk zijn’. De psychologie van zelfverandering helpt je vervolgens om de paniek te overwinnen en weer in je eigen (veer)kracht te komen.

Dat dit alarmisme geen uitschieter is blijkt uit een zwaarbeladen historische analogie. De transitiebeweging koestert een nostalgisch verlangen naar de austerity, het autarkiestreven en de gemeenschapszin van de Britse oorlogsjaren. ‘Het is duidelijk’, schrijft Hopkins, ‘dat piekolie en klimaatverandering bij de bevolking en binnen de regering een gevoel van urgentie moeten opwekken dat veel weg heeft van een nazi-invasie’. Dat dit geen geïsoleerde oprisping is blijkt ook uit het recente boek The Great Disruption van Paul Gilding, voormalig internationaal directeur van Greenpeace, die waarschuwt dat het inmiddels te laat is om de globale klimaat, olie- en voedselcrises te keren, en dat regeringen en bedrijven zich op een ‘war footing’ moeten stellen, vergelijkbaar met de mobilisatie tegen het fascisme in de Tweede Wereldoorlog.

Die hysterische vergelijking wordt ook uitgediept door Caroline Lucas, Brits MP en leider van de Green Party, die samen met de progressieve economen van de New Economics Foundation (onder meer bekend van de Green New Deal) begin vorig jaar een pamflet uitbracht met de passende titel The New Home Front. Ook hier wordt de Britse ‘war spirit’ aangeroepen in het zicht van ‘waarschijnlijk de grootste bedreiging die Engeland ooit heeft moeten weerstaan’. De hollende klimaatverandering schept een acute noodtoestand, zodat de transitie naar een koolstofarme samenleving niets meer of minder zal vergen dan een oorlogseconomie. Daarbij kunnen we heel wat leren van de ervaringen van de generatie die nog wist wat gemeenschapszin en solidariteit was, die op brandstof bespaarde, potten en pannen inzamelde voor de fabricage van Spitfires, en die nog met haar handen kon werken om duurzaam te produceren. Tijdens de oorlogsjaren waren mensen gezonder, ze wandelden en fietsten meer, verbouwden hun eigen voedsel en zorgden dat hun afval zo veel mogelijk werd hergebruikt. Ook waren er veel minder zelfmoorden dan in vredestijd!

Onschuldiger en aantrekkelijker dan deze achterwaartse analogie is het voorwaartse denken dat in de transitiebeweging visioning heet: het ontwikkelen van aansprekende, positieve beelden van een toekomst met minder energie, minder stress, meer tijd en een betere gezondheid. Het Transitie handboek werkt een aantal aanschouwelijke voorbeelden uit voor het jaar 2030. Sommige daarvan zijn knullig en vergezocht, zoals de tv-competitie voor ‘sterren die van volkstuintjes houden’, de urine-ophaaldienst N Pee K (Liquid Gold Solutions) en David en Victoria Beckham die op hun oude dag hun nieuwe natuurhuis aanprijzen (‘Geluk is een warme lemen bank’). Andere voorbeelden sluiten aan bij wel degelijk interessante en vruchtbare ideeën over stadslandbouw, de aanplant van productieve bomen, de retrofitting van huizen en kantoren, kleinschalig bouwen, het gebruik van lokale bouwmaterialen als hout, leem en stro, het recyclen van afval, volkstuinieren en grootschalige groentekweek aan de rand van de stad.

Soms leidt de eis van ‘kleiner, langzamer, soberder’ tot dorpse nostalgie. In 2030 zal niet langer de eigen auto de norm zijn, maar bestaat er een uitgebreid openbaar vervoersnet, en wordt in steden voorrang gegeven aan voetgangers, fietsers, bussen en trams. Kort na de Piekolie kregen we immers te maken met de even ingrijpende ‘piekauto’. De onmogelijkheid om zich over langere afstanden te verplaatsen (want de olie is op) heeft als extra voordeel dat mensen zich nu meer verbonden voelen met hun directe omgeving. Door de vertraging van het krankzinnige levenstempo hebben zij minder behoefte om zich naar exotische oorden te verplaatsen om daar te ‘relaxen’.

Soms ook vervaagt de grens tussen utopie en gekkigheid. In de huisvesting is het ‘passiefhuis’ de norm geworden, dat geheel in zijn eigen energiebehoeften voorziet. Voor de benodigde verbouwingen kunnen we lokale kunstenaars inschakelen, die het aanbrengen van isolatiemateriaal zouden kunnen opvatten als kunstwerken die vergelijkbaar zijn met het inpakken van gebouwen en eilanden door Christo (!).

Ook de Nederlandse tak combineert praktisch idealisme met hogere zweverigheid. De Deventer werkgroep Hart en Ziel wil de weerstand en pijn die we voelen bij de bewustwording van Piekolie en Klimaatverandering zo goed mogelijk samen verwerken en omzetten in positieve energie. De werkgroep Aardemeditatie constateert dat we ver verwijderd zijn geraakt van ons natuurlijk ritme, en dat we weer moeten leren vertrouwen op onze innerlijke wijsheid en liefde voor het leven. ‘Na de meditatie is er onder het genot van een kopje thee gelegenheid om jouw gevoelens en gedachten te delen. Respect voor elkaars gevoelens is hierin belangrijk. Jij beslist wat je wilt vertellen, het is allemaal oké.’

De site verwijst enthousiast naar een videovoordracht van de nu 83-jarige boeddhistische goeroe Joanna Macy, die haar broeders en zusters in Amerikaanse preacher-stijl oproept om een diepgaande ecospirituele transformatie door te maken. Ook zij verwacht een Grote Wending vanwege de naderende ecologische catastrofe, die de wereld weer nieuw en heel zal maken. De term is afkomstig uit The Great Turning, een invloedrijk boek van voormalig Harvard-econoom David Korten uit 2006, die uitlegt dat de stapeling van de klimaatcrisis, de piekolie en de financiële crisis onvermijdelijk leidt tot een ‘Great Unraveling’ van de wereld zoals we die kennen. De totale omwenteling die nodig is kan het best worden geleid door een elite van verlichten (zoals Korten zelf).

De transitiebeweging vormt al met al een vreemdsoortige hutspot. Grappige, bruikbare en inspirerende ideeën over energiezuinigheid, kleinschaligheid, duurzame productie en ‘anders gaan leven’ (Wat zijn vergeten groenten? Hoe word ik een budget-babe? Hoe een stadsboer?) gaan hand in hand met semi-religieuze verwachtingen over een millenarisch keerpunt waarna alles anders en beter zal zijn. Elementen van de wellness-rage, van New Age-spiritualiteit en van praktische ambachtelijkheid verbinden zich met het knusse provincialisme van de Hobbitstee. Maar de transitiebeweging heeft ook de neiging af te glijden naar een diepgroen radicalisme dat de opwarming van de aarde ziet als opmaat tot de naderende Apocalyps.

Ze is daarmee de erfgenaam van het beste én het slechtste in de anarchistische traditie. De transitiebeweging herinnert sterk aan de idealisering van de autarkische en zelfregulerende Russische dorpsgemeenschap (de obshchina) door de anarchistische prins Kropotkin. De socialistische tuinbouwkolonie Walden van Frederik van Eeden werd mede door Kropotkins denken geïnspireerd. In Engeland had het grote invloed op het pamflet The Blueprint for Survival uit 1972, dat de basis legde voor de British Green Party, de eerste Europese groene partij.

Net als haar voorgangers wil de transitiebeweging de bestaande samenleving en politiek de rug toekeren en de groene transitie zelf ter hand nemen, op eigen kracht, in een nieuwe gemeenschap. De collectieve genialiteit van ‘het volk’ staat tegenover de autoriteiten en de hiërarchieën, die de boel alleen maar ophouden: werkelijke verandering kan alleen komen van onderop. Maar dat groene populisme miskent dat effectieve klimaatpolitiek niet denkbaar is zonder politiek en economisch leiderschap, wetenschappelijke expertise en ambtelijke professionaliteit, en dat overheden de transitie op grote schaal moeten aanjagen en begeleiden.

Zo wordt toch weer de achilleshiel van het anarchisme zichtbaar: naïviteit over de werking van macht. Een werkelijk effectieve transitie kan niet blijven steken in het herstel van lokale veerkracht, maar moet de strijd aangaan met de productielogica van het kapitalistische systeem, zeggen Alice Cutler en Paul Chatterton van het volkseducatie-collectief Trapese. Ook is een serieuze discussie nodig over de relatie tot lokale, regionale en nationale overheden; anders laat men zich gemakkelijk inpakken (greenwashing). De transitiebeweging denkt een model te hebben waar iedereen mee kan instemmen, maar dat is naïef. We moeten rekening houden met tegenwerking en repressie door machtige belangengroepen die de transitie als een bedreiging zien, aldus Cutler en Chatterton. Er is geen ontkomen aan: we moeten politieke strijd voeren tegen de centrale zetels van de macht: de media, de regering, het bedrijfsleven.

De transitiebeweging combineert utopisch realisme met de romantische zelfgenoegzaamheid van onverbeterlijke wereldverbeteraars. Als we verder willen komen met de groene politiek kunnen we ons laten inspireren door haar aanstekelijke optimisme, haar ambachtelijkheid en haar handen-uit de-mouwen-mentaliteit. Maar we moeten ons verre houden van haar klimaatalarmisme, haar politieke naïviteit en haar semi-religieuze hang naar een Nieuwe Groene Wereld.

Dick Pels is socioloog en directeur van Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks