Radicale bewerking

toneel

Een nieuwe biografie van Bertolt Brecht en de verzamelde gedichten van Thomas Brasch, Die nennen das Schrei, zijn mijn leesvoer voor deze zomer. Ik heb me ingegraven in de Duitse twintigste eeuw. Geschroeide aarde, waarover Brasch dicht: ‘Es klebt/ mir an meinen Schuhen und/ macht mein Weggehen schwer/ aber spricht aus meinem Mund/ und macht meine Hände leer.’ Lege handen waarbij een gesprek over bomen ‘haast een misdrijf is/ omdat men zwijgt over zoveel wandaden’, aldus Brecht. In de tochtige bouwput van een nieuwe tunnel onder het Amsterdamse Centraal Station voegt zich Georg Büchner bij hen met zijn stuk Dantons dood. Deze krant was even met reces, dus kom ik er nu op terug. Regisseur Joost van Hezik (1982) en schrijver Timen Jan Veenstra (1984) hebben, aldus het stempelmerk dat door de titel heen is gedrukt, een ‘radicale bewerking’ gemaakt. Op Oerol in een kerk opgevoerd, tijdens het Over het IJ-festival in de druipende hel die deel is van een project dat in het begin van deze nieuwe eeuw bijna tot een volksopstand leidde: de Noord-Zuidlijn. Radicaal is de bewerking ook in die zin dat de met schmink bemaskerde doden, Danton en Robespierre cum suis, vanaf gene zijde het verhaal komen doen over hun mislukte Franse Revolutie. De auteur van de Duitse versie van hun relaas, Büchner himself, is er ook, in de persoon van een vroeg oud geworden rocker. Die zijn trieste liederen over het strand van de revolutie onder de bloedrood kleurende kasseien van de heersende machten, vanaf een preekstoel over ons heen strooit.

De dokterszoon Büchner (1813-1837) diagnosticeert de verloedering van Duitsland op het moment dat de oude regimes van vóór de Franse Revolutie weer aan het opkrabbelen zijn. Hij wordt door die aanblik een volbloed revolutionair. Regisseur Van Hezik is, door de lusteloosheid van zijn generatie, naar eigen zeggen van maandag op dinsdag idealist geworden. Het kleurt zijn en Veenstra’s bewerking van Dantons dood inktzwart: Danton, dat ‘icoon van rechtschapenheid’, moet in hun ogen inderdaad dood. Dat loopt uit op een ‘bewust executeren van Dantons filosofie en van zijn hedonisme’. De daadkracht van Robespierre bevalt de makers iets beter. Na een enerverend en radicaal bewerkt discours tussen de kemphanen mag, nee: móet het publiek kiezen. Achterblijven bij de somberende narcist Danton. Of meegaan naar het ademende licht van de ‘doener’ Robespierre. Vrijwel iedereen gaat mee. Samen met een andere babyboomer blijf ik recalcitrant zitten. Om te zien en te horen dat de omvergeblazen opstandeling na alle omvergeblazen opstanden oog in oog staat met dat laatste, dat ultieme: zijn sterfelijkheid. Danton (ik citeer het origineel in de vertaling van Hugo Claus): ‘Het leven is een ingewikkelde verrotting, de dood een eenvoudige. Dat is het verschil. Ik ben toevallig aan deze soort verrotting gewend geraakt – de duivel weet hoe ik met die andere zal kunnen opschieten.’ Als wij, de andere babyboomer en ik, buiten het Centraal Station de groep toeschouwers ontmoeten die met Sadettin Kirmiziyüz’ Robespierre zijn meegegaan, worden we lachend als ‘lafbekken’ begroet. Van Heziks ‘radicale bewerking’ smaakt naar meer. Dat meer komt er. Deze voorstelling is de eerste van een vierluik over revoluties.

Thomas Brasch: ‘Die Wetter schlagen um:/ Sie werden kälter/ Wer vorgestern noch Aufstand rief/ ist heute zwei Tage älter.’

Dantons dood is niet meer te zien