Radicale onschuld

Edna O'Brien, Huis van volmaakte eenzaamheid. Vertaling Anneke van Huisseling, uitgeverij De Bezige Bij (Orlando-reeks), 232 blz., f34,50
In het slothoofdstuk van haar autiobiografische boek Mother Ireland (1976) schrijft Edna O'Brien waarom ze, in navolging van onder anderen Beckett en Joyce, haar vaderland ontvluchtte: ‘Omdat wij er anders over durven te denken. Omdat we de psychologische verstikking vrezen. Maar weggaan is slechts voorwaardelijk. Degene die je bent gruwt van degene die je zou willen zijn.’ Ierland is niet alleen een bestaand land, het is ook een ‘geestestoestand’. Vandaar dat je over Ierse schrijvers in ballingschap kunt zeggen dat zij het land dan wel verlaten hebben, maar dat het land hen nooit zal verlaten. O'Brien ging niet weg uit haat, maar om het Ierse erfgoed te kunnen blijven voelen, om terug te kunnen keren naar ‘de radicale onschuld van het moment vlak voor de geboorte’.

Deze zin uit Mother Ireland lijkt na te klinken in O'Briens meest recente roman House of Splendid Isolation, in het Nederlands vertaald onder de veel te weke titel Huis van volmaakte eenzaamheid. Het meest opmerkelijke van de roman is niet dat de voortvluchtige McGreevy, volhardende strijder voor een verenigd Ierland, met een groot inlevingsvermogen wordt geportretteerd - wat O'Brien de beschuldiging opleverde een sympathisante van terrorisme te zijn. De roman begint en eindigt met een ongewoon perspectief, verteld onder de titel ‘Het kind’. Welk kind? Dat is aanvankelijk een raadsel, maar de lezer die de laatste twee pagina’s van Huis van volmaakte eenzaamheid leest, weet dan dat die vertelstem van niemand anders kan zijn dan het nooit geboren kind van Jodie, de oude, geisoleerd levende vrouw wier ongelukkige huwelijk kinderloos bleef, de vrouw die gegijzeld wordt door McGreevy. Dat kind is de stem van de 'radicale onschuld’ waarover O'Brien in Mother Ireland schrijft. Het staat boven of buiten de tijd en voelt niet de last van de Ierse geschiedenis, niet toevallig het openingswoord van de roman: 'Geschiedenis is overal. Geschiedenis sijpelt de grond in, de ondergrond. Als regen, of hagel, of sneeuw, of bloed. Een huis weet. Een kakhuis weet. Een volk mijmert. Het verhaal verschilt per verteller.’
In deze beginzinnen zit de essentie. De tragische nationale geschiedenis speelt een hoofdrol, het landelijke Ierland is hevig aanwezig en het verhaal van de gijzelaar en de gegijzelde kent meer dan twee verrassende perspectieven. Schuldig en onschuldig zijn begrippen die op dit boek niet van toepassing zijn. Het is het kind dat in de Ierse geesten weet door te dringen en hen laat spreken en mijmeren. Het kind hamert op 'het aambeeld der omstandigheden’ en dringt door tot in de geheimste gedachten van iedereen die door de Ierse historie wordt gegijzeld. 'De bloedigste tocht is die naar binnen. Binnen leer je. Dat uit jou en je vijand hetzelfde bloed vloeit en dezelfde tranen vloeien, zij het niet altijd even veel. Daarvoor moet je naar het hart van de haat en het onrecht doorstoten, je ermee voeden, het met jou voeden.’
De komst van McGreevy betekent een verscherping van Jodies zintuigen. Dank zij zijn aanwezigheid wordt Jodie overvallen door 'zwermen herinneringen’ en ruikt en voelt ze intenser. Geen wonder dat ze een dagboek gaat bijhouden, met schitterende observaties en overpeinzingen.
Wat doet iemand wiens vrouw wordt vermoord in aanwezigheid van zijn kind, dat later ook sterft? Waarom zijn de mannen van de Ierse Paasopstand in 1916 tegen de bezetter in Ierland nog steeds volkshelden en de strijders voor een herenigd Ierland zonder Britse inmenging terroristen? Wat doet de historie met mensen? Dat zijn de vragen die Edna O'Brien zich als schrijfster stelt. Haar literaire antwoorden zijn in de verste verte niet eenduidig, wel alarmerend. Zij wil af van een gefixeerd vijanddenken en bruggen slaan waar anderen categorisch weigeren. 'Want de doder is dicht bij wie hij doodt.’
Lastig, zo'n zeer aanwezige schrijfster. Prachtig, zo'n onrustbarende roman.