Radicalisering

Het is niet makkelijk om te ontsnappen aan een beeldtaal die ons overal omringt, nog moeilijker is het om daar iets nieuws tegenover te zetten.

Het zijn heus niet alleen antivaxxers, 5G-gekkies en viruswaanzinnigen die radicaliseren, zei een vriendin. We hadden de documentaire The Social Dilemma gezien, over de konijnenholen waar sociale media ons in laten verdwijnen en iedereen zijn eigen waarheid construeert. Volgens de vriendin gold aan de andere kant van het politieke spectrum, op links, precies hetzelfde: als je op Black Lives Matter zocht zat je binnen de kortste keren antikapitalistische filmpjes te kijken. En terecht! wierp ik tegen, Malcolm X zei het al: ‘You can’t have capitalism without racism.’ Alleen: in dat geval zou het ene konijnenhol dus naar de waarheid leiden en het andere niet. Kan dat? Of lijk ik toch meer op, zeg, een QAnon-aanhanger dan ik had gehoopt, omdat radicalisering altijd fout is?

Wat ik gewoon niet begrijp, zei ik, is dat mensen überhaupt filmpjes van zogenaamde experts aanklikken. Want dat is hoe volgens The Social Dilemma alles begint, met de algoritmen die steeds extremere content aanraden. Maar wie volgt die adviezen in vredesnaam op? Behalve bij muziek doe ik dat nooit. Maar ik ben dan ook oud, legde de vriendin geduldig uit. Als ik iets wil weten, zoek ik nog gericht op Google. Jongeren daarentegen gebruiken Google niet meer. Hun zoekmachine is YouTube. Wat hun vraag ook is, ze zoeken er een filmpje bij, en klikken dan door. Dat jongeren niet meer lezen, zoals ik steeds lees, is wellicht dus niet alleen te danken aan slecht onderwijs, maar zou je ook kunnen zien als de culminatie van een culturele verschuiving van taal naar beeld die al begon bij de uitvinding van televisie. Of werkt het juist andersom?

Hoe dan ook, uiteindelijk is het effect vergelijkbaar met porno. Al die beelden stompen af. Om nog opgewonden te raken moet de content steeds extremer worden en voordat je het weet denk je dat het heel normaal is om een vrouw te wurgen terwijl je klaarkomt. Misschien dat QAnon-aanhangers daarom soms zo gelaten overkomen. Als iemand vertelt dat ons koningshuis jachtpartijen op kinderen organiseert, en je gelooft dat, dan verwacht ik in ieder geval een heftiger reactie dan alleen een hoofdschuddend ‘Tjezus wat erg’, zoals Lange Frans mompelde in zijn podcast. Maar zo gaat dat dus. Niet alleen wordt de content steeds extremer, het is ook steeds harder zoeken naar iemand zonder dikke lagen eelt op zijn ziel.

Zelf dacht ik ruimschoots voorzien te zijn van zulk eelt en toch stroomde ik onlangs mee op een online golf van ophef. Het was nadat ik de trailer had gezien van de Netflix-film Mignonnes (‘Schatjes’), waarin elfjarige meisjes graag sexy dansen. Ik vond die trailer schokkend, de manier waarop kinderlichamen werden geseksualiseerd, en schreef dat op Facebook, terwijl wereldwijd een petitie rondging om de film nog voor verschijning te cancelen. Al snel werd ik echter teruggefloten. In mijn linkse bubbel zagen vooral vrouwen het probleem niet zo. Dit is immers de realiteit, meisjes kiezen er soms voor om choquerende dansjes te doen: ‘Deal with it.’ Ik murmelde nog wat over het oog van de camera en de blik van een miljoenenpubliek, maar het was al te laat. Gevoelsmatig was ik plotseling in het QAnon-kamp beland waarin alles naar pedofilie riekt. Nog even en ik zag mezelf twitteren over Oprahs honger naar babybloed.

Gevoelsmatig was ik plotseling in het QAnon-kamp beland

Ik was in de marketingmachine van Netflix getrapt, en dat allemaal ten koste van regisseur Maïmouna Doucouré die met haar film juist onze hypergeseksualiseerde samenleving wilde aanklagen, begreep ik. Maar nu ik de film gezien heb, is mijn mening niet veranderd. Wat ik zag was een lange reeks schuddende billen, zonder dat ooit duidelijk wordt waarom de jonge hoofdpersoon dit zo graag wil of waarom haar gedrag zo extreem is. De film was inderdaad een aanklacht, vooral tegen de neiging om kinderen te snel te laten opgroeien, in welke cultuur dan ook, maar dat rechtvaardigt niet het gebruik van dezelfde soort beelden die ons dagelijks overspoelen. Dan is het niet genoeg om te zeggen: ja maar ik bedoel die beelden anders.

Het is niet makkelijk om te ontsnappen aan een beeldtaal die ons overal omringt, nog moeilijker is het om daar iets nieuws tegenover te zetten. En eigenlijk is dat ook wat me het meeste stoort aan rechtse complotdenkers en dat hele QAnon, meer nog dan hun fantasieën over babybloed en geïmplanteerde chips: dat ze denken tegendraads en vrij te zijn, maar ondertussen gewoon de neoliberale taal van individuele verantwoordelijkheid en maakbaarheid spreken. Precies zoals dat overal gebeurt, wordt alle macht bij personen gelegd die doelgericht hun dromen verwezenlijken: het zijn Bill Gates en George Soros die ons in het ongeluk storten, en Donald Trump die ons komt redden.

‘Mijn’ complot daarentegen berust niet op individuen, maar ligt besloten in wetgeving. Want het is ongetwijfeld waar dat Gates en Soros met al hun geld invloed kopen, maar een belangrijker vraag dan of we dat moeten willen, is hoe ze zo absurd rijk hebben kunnen worden.

Misschien komt het uiteindelijk wel neer op een verschil tussen inhoud en vorm. Wat we zien is vooral een alomtegenwoordige radicalisering op inhoud. Maar of het nu filmmakers, politici of complotdenkers betreft: wie echt iets wil veranderen, of aanklagen, zal een radicaal nieuwe (beeld)taal moeten ontwikkelen.