Radovan karadzic

‘MIJN LICHAAM IS niet alleen geboren/ Om bloemen te ruiken/ Maar ook om te vuren, te moorden/ En alles tot stof te doen vergaan.’ Nee, Radovan Karadzic, president van de zelfverklaarde Servische Republiek Bosnie-Herzegovina en oorlogsmisdadiger met getuigschrift, is niet voor een gat te vangen. Behalve een gewezen gokverslaafde, kippenboer, psychiater, voetbalmasseur, kinderboekenschrijver en zanger van volksliedjes, alsmede drager van de Orde van de Heilige Dionysus van Zakinthos (op grond van zijn ‘verdiensten voor de vrede’) is hij tevens een gelauwerd poeet. Zijn verzen getuigen - aldus zijn huisrecensent - van een ‘warme, diep-Slavische menselijkheid’. Karadzic beschouwt zichzelf als een ‘humanist’ en besteedt zijn vrije uurtjes in hotel De Hemelse Vallei in Pale aan literatuurstudie en botanie. Toch heeft deze universele prachtmens, die zichzelf graag met Jezus Christus vergelijkt, een probleem.

Dat blijkt al meteen uit bovenstaande strofen, die hem de Michail Sjolochov-prijs van de Russische Schrijversbond opleverde. Ze staan niet alleen afgedrukt in zijn dichtbundel Slavische gast, ze zijn ook gelogen of het gedrukt staat, want de schrijver heeft nog nooit eigenhandig iemand doodgeschoten. Het ‘vuren’ en 'moorden’ laat hij over aan zijn militie van slagersknechten onder bevel van generaal Mladic of commandant Arkan, de voormalige kroegbaas uit Belgrado, wiens mannen hun heldendaden naar het voorbeeld van Hitlers Einsatzgruppen bij voorkeur achter de linies verrichten. En verre van Christus’ voorbeeld te volgen schuwt Karadzic het hoogste offer als de pest. Telkens wanneer de internationale spanning stijgt, wijkt hij uit naar een door Tito gebouwde bunker nabij Belgrado, alwaar uiteindelijk alleen de Amerikanen hem kunnen uitroken.
En deze onwaarachtigheid blijft niet beperkt tot zijn gedichten, zij bedekt als een stinkende olievlek ’s mans hele curriculum vitae. Het probleem van Radovan Karadzic is dat alles, maar dan ook alles wat hij zegt, gelogen is. Zelfs collega-psychiaters die hem goed kennen, zijn niet in staat om door dit mythomane pantser heen te breken. Volgens de Servische psychoanalyticus Milos Vasic bijvoorbeeld is Karadzic 'een pathologische leugenaar en een psychopaat’ - meer een tautologische woede-uitval dan een klinische diagnose, maar wat wil je? Het ontwarren van de gordiaanse knoop van list, leugen en grootspraak die Karadzic heet, zou een langdurige zelfanalyse vergen - een opdracht waarvoor hij hopelijk nog eens in een kleine maar comfortabele ruimte, onder toezicht van twee beleefde heren in VN-uniform, alle tijd van de wereld zal krijgen. Tot zolang moeten we het doen met de getuigenissen van (gewezen) vrienden en bekenden.
OM TE BEGINNEN is de Servische natie die hij zo graag naar een bloedige eindbestemming wil leiden, niet de zijne. Radovan Karadzic werd op 19 juni 1945 geboren in het dorp Petnici in Montenegro, als zoon van de plaatselijke schoenmaker. In weerwil van wat hij zelf beweert, stamt hij niet af van de negentiende-eeuwse nationalist en auteur van het eerste Servische woordenboek, Vuk Karadzic, want die leefde in Wenen en was kinderloos.
Karadzic heeft zich dus van schoenlappersjongen opgewerkt tot president en hoort tevens thuis in de galerij van potentaten die zich van een naburig volk bedienden: Napoleon (Corsicaan), Adolf Hitler (Oostenrijker), Josef Stalin (Georgier) en niet te vergeten Slobodan Milosevic (ook Montenegrijn). Veracht Karadzic heimelijk de Serviers, zoals Napoleon de Fransen en Hitler de Duitsers minachtte? Dat zou in elk geval de onverschilligheid verklaren waarmee hij zijn soldaten soms voor een paar vierkante kilometer 'heilige Servische aarde’ de dood injaagt. 'De oorlog in ex-Joegoslavie’, aldus zijn jeugdvriend uit Sarajevo, de schrijver Marko Vesovic, 'is alleen te begrijpen als een bloedig experiment van Milosevic en Karadzic, twee Montenegrijnen, met de Serviers als proefkonijnen.’
Hoe dit ook zij: zijn eerste levensjaren gingen heen met het snijden van leer en het rechtbuigen van kromgeslagen spijkers. In 1960 verhuisde de familie naar een buitenwijk van Sarajevo, maar als 'bergmensen’ konden ze er moeilijk aarden. Karadzic voelde zich voortdurend vernederd door de grootstedelijke moslim-elite, ook toen hij al medicijnen studeerde aan de prestigieuze faculteit van Sarajevo. Hij schreef een bundel gedichten vol archaische Weltschmerz en trachtte die in de kroegen te slijten, maar de literaire kritiek lachte hem vierkant uit. Hij volgde wat colleges filosofie, maar begreep er niets van en viel in discussies door de mand. Volgens studiegenoten gedroeg hij zich van de weeromstuit ruw en arrogant en ontwikkelde hij een theorie over de superioriteit van de Montenegrijnen, wier heupbeen langer zou zijn dan dat van andere Joegoslaven. Maar bij de volkstelling van 1971 schreef hij zich in als Servier, in de vergeefse hoop er een beetje bij te horen.
TIJDENS ZIJN STUDIE trouwde hij met de welgestelde maar gedrochtelijke Liljana - in zijn ogen een 'Creoolse schoonheid’ -, die eveneens medicijnen studeerde. Hun twee kinderen studeren tegenwoordig ook medicijnen, terwijl Liljana tot woede van het hoofdkantoor in Geneve optreedt als voorzitster van het Servische Rode Kruis. Het echtpaar specialiseerde zich gezamenlijk in de psychiatrie en vervolgens in de groepstherapie, waarin Karadzic een bescheiden naam maakte. In de corrupte nadagen van Tito betoonde hij zich een ritselaar van formaat: hij gokte, verzamelde bijbaantjes en dreef met behulp van frauduleuze staatsleningen een kippenboerderij. Zelfs als hij bezoek had, hing hij nog aan de telefoon - 'Zijn die aardappelen al aangekomen?’ - of trok zich met dubieuze zakenpartners terug in de keuken. Desondanks bleef hij de risee van zijn mondaine omgeving, een 'slapjanus die zich altijd liet ringeloren door zijn vrouw, die hem om zijn oren sloeg waar iedereen bij was’ (Vesovic). Zijn afkeer van het kosmopolitische Sarajevo, gevoed door dertig jaar vernedering, verklaart volgens velen waarom hij de stad nu al drie jaar aan een misdadig beleg onderwerpt.
In de universiteitskliniek verrichtte Karadzic diepgaand onderzoek naar de gekwelde medemens. Tijdens het zingen van volksliedjes voor zijn patienten, waarbij hij zichzelf begeleidde op de Servische lier, deed hij een ontdekking: bij het aanhoren van een bloedige passage werden de neurotici bang, maar bleven de psychotici onaangedaan. Hij presenteerde dit overbekende gegeven als een nieuwtje, ontwikkelde een eigen therapie en behandelde zelfs enige tijd vooraanstaande patienten, onder wie de aanstormende Servische leider Slobodan Milosevic. Maar in 1985 viel het doek. Karadzic werd ontslagen wegens het aannemen van giften van patienten en niet veel later werd hij voor valsheid in geschrifte veroordeeld tot elf maanden cel. Tegenwoordig beweert hij dat hij een politieke gevangene was, maar de 'anti-communistische dissident’ Karadzic ontwikkelde in de gevangenis een blijvende fascinatie voor de maatschappelijke zelfkant. In een interview beschreef hij hoe hij indruk maakte op andere misdadigers: 'Mijn medegevangenen waren als de dood voor de bewaarders die hen in elkaar sloegen. Die bewaarders konden je op een vreselijke manier aankijken, dus koos ik de ergste uit en deed hetzelfde.’ Het leverde hem een eigen cel en allerlei privileges op.
VEEL VAN ZIJN vroegere celgenoten bekleden tegenwoordig hoge functies in Pale, en het lijkt wel of Karadzic in het gezelschap van hele en halve psychopaten en misdadigers zijn roeping had gevonden.
Volgens zijn voormalige collega Narcisa Kamberovic was hij er na zijn gevangenisstraf 'lichamelijk en psychisch beter aan toe dan ooit tevoren. Het leek of hij zijn criminele handelingen niet had verwerkt, maar getransformeerd tot grootheidswaan.’ (Alfred van Cleef, De verloren wereld van de familie Berberovic, 1994.) Zijn betrekking kon hij wel vergeten, maar hij trok al gauw de aandacht van de Servische polit-gangsters, onder wie de ideoloog van het Servische nationalisme, Dobrica Cosic. In 1990 was Karadzic een van de oprichters van de extreem-nationalistische Servische Democratische Partij (SDS), maar als krijgsheer is hij in de eerste plaats een creatuur van Milosevic. Toen deze in hetzelfde jaar in het geheim Servische strijdgroepen in Kroatie en Bosnie oprichtte, werd Karadzic hem aanbevolen door een medewerker van de Joegoslavische geheime dienst en medeoprichter van de SDS, de historicus Milorad Ekmecic.
Ekmecic had een studie gemaakt van de levens van Hitler en Stalin en daaruit afgeleid hoe een 'leidersfiguur’ wordt opgekweekt. Volgens hem was Karadzic de aangewezen man: sluw, gewetenloos en vervuld van minderwaardigheidsgevoelens. Karadzic’ mentor werd een andere psychiater en SDS-oprichter, Jovan Raskovic. Deze huisbakken freudiaan, die zich de 'psychiater van Joegoslavie’ noemde, beschreef in zijn boek Een krankzinnig land de Kroaten als gecastreerde wezens ('Ze zijn voor alles bang. De Serviers moeten hen leiden’) en de moslims als 'anaal-gefixeerden’. De Serviers daarentegen waren in het oedipale stadium: 'Serviers hebben gevoel voor autoriteit. Daarvan moeten ze gebruik maken om anderen te overheersen.’
Raskovic kreeg spijt en trok zich terug, maar Karadzic ging onverdroten door met het aanwakkeren van geweld, burenhaat en etnische achtervolgingswaan in heel Bosnie. Het toenmalige hoofd van de Bosnische staatstelevisie, Nenad Pejic, herinnert zich een surrealistisch gesprek met Karadzic, waarin deze eiste dat al het omroeppersoneel voortaan werd opgedeeld naar Servische, Kroatische en moslim-herkomst. 'Moeten we dan naar elke persconferentie drie verslaggevers sturen?’ vroeg Pejic. 'Jazeker’, zei Karadzic, 'we gaan een hele nieuwe samenleving scheppen.’
Na de verkiezingen van 1991, die hij verloor van de moslim Izetbegovic, verliet hij spoedig met zijn hele partij het parlement en bestookte vanuit zijn kantoor in het hoofdstedelijke Holiday Inn de media met panische berichten over een ophanden zijnde jihad van de moslims. Zijn persbureau SRNA verspreidde een lijst van Servische vrouwen en schreef die toe aan de moslims, die er een 'geheim programma voor het inrichten van Servische harems’ op zouden nahouden. Volgens onbevestigde berichten uit Amerikaanse bron zouden Karadzic en andere Servische leiders gebruik maken van in Engeland en Amerika opgedane technieken voor psychologische oorlogvoering. Volgens Kamberovic projecteerde Karadzic, net als een groot deel van de Bosnische bevolking in die tijd, voornamelijk zijn eigen onverwerkte problemen op de buitenwereld en paste hij dus perfect in het tijdsbeeld.
Hij bereidde het beleg van Sarajevo zorgvuldig voor in samenwerking met generaal Milutin Kukanjac van het Joegoslavische leger. Deze architect van de eerste Servische campagnes in Bosnie liet volgens ooggetuigen al in de winter van 1991 geschutsstellingen rond de stad aanleggen. Karadzic ontkende glashard dat hij over een gewapende militie beschikte, maar toen president Izetbegovic in maart 1992 de Bosnische onafhankelijkheid uitriep, gaf hij zijn niet-bestaande strijders opdracht om op te rukken naar Sarajevo. Toen de inwoners in doodsangst barricaden opwierpen, beschikte hij over het gewenste excuus: de jihad was begonnen! Terwijl zijn sluipschutters het vuur openden, ontvluchtten Karadzic en zijn hofhouding als ratten de stad en sloegen hun hoofdkwartier op in het nabije ski-oord Pale. Het beleg werd gerechtvaardigd met de wildste leugens: 'De moslims beschikken over zware artillerie! Wij moeten terugvechten!’ In interviews verklaarde Karadzic dat de moslims op hun eigen stadgenoten schoten om de media tegen de Serviers op te jutten: 'Wij hebben helemaal geen sluipschutters!’
INMIDDELS IS HIJ hoofdverantwoordelijk voor honderdduizend doden en twee miljoen vluchtelingen, maar hij draagt zijn last 'met spontaan gemak, zoals een ander fluit onder de douche’ (Vesovic). Zijn eerste en vaak enige verweer is de botte ontkenning. Aanvankelijk ontkende hij zelfs de etnische zuiveringen. Later beloofde hij dat hij een eind aan de zuiveringen zou maken, maar ze werden integendeel verhevigd, met als voorlopig hoogtepunt de inname van Srebrenica. Toen in de zomer van 1992 de eerste beelden van Servische concentratiekampen de wereld rondgingen, ontkende hij bij hoog en laag dat ze bestonden. Twee maanden later verzekerde hij dat de niet- bestaande kampen met onmiddellijke ingang zouden worden gesloten. Quod non.
Terwijl Milosevic hem van brood, olie en Russische luchtafweerraketten voorziet, bouwt de Leonardo van de Balkan welgemoed voort aan zijn Servische Republiek. Geen diplomaat of dreigement brengt hem van zijn stuk, want hij denkt altijd twee leugens verder dan de tegenstander. Tussendoor is er tijd voor een verzetje, zoals het 'staatsbezoek’ van Vladimir Zjirinovski vorige zomer. Terwijl de belegeraars voor de gelegenheid een ziekenhuis in Sarajevo kapotschoten, liet de dronken Zjirinovski zich in een kruiwagen door de stellingen rijden: 'Groot-Servie zal leven!’
Ook vloeit zijn dichtersader weer volop. Zo dook de zingende vogelverschrikker uit Pale vorig jaar opeens op in een kunstprogramma van de BBC. 'Het valt niet mee/ de slechtste der Montenegrijnen te zijn’, luidde een van zijn verzen. Waarempel, alweer gelogen!