Christopher Meyer, Lance Price

Raften met Rumsfeld

Christopher Meyer

DC Confidential: The Controversial Memoirs of

Britain’s Ambassador to the U.S. at the Time of 9/11 and the Iraq War

Weidenfeld & Nicolson, 302 blz., £ 20.00

Lance Price

The Spin Doctor’s Diary: Inside Number 10 with New Labour

Hodder & Stoughton, 394 blz., £ 16.99

De reddende engel van de meest recente Europese top was José Manuel Barroso. Geconfronteerd met een dreigende crisis vergeleek hij Tony Blair, fungerend president, kort voor de top met de Sheriff van Nottingham, die stal van de armen en schonk aan de rijken. De Portugees wist maar al te goed dat waar Thatcher en Major vochten voor het nationale belang bij Blair de eigen populariteit voorop staat. Geobsedeerd door zijn plaats in de geschiedenis en open solliciterend naar het presidentschap van de Europese Commissie besloot de Britse premier inderdaad over te gaan tot de Great British Giveaway, zonder daar iets voor terug te krijgen, op loftuitingen na. In eigen land werd hij daarentegen honend onthaald. Ondanks vier troefkaarten – het tweevoudige «nee», de Britse compensatie, de obscene landbouwsubsidies en Chiracs rottende republiek – had de Britse premier het eindspel in Brussel weten te verliezen.

Dat Blair een zwakke onderhandelaar is en zeker voor een jurist weinig interesse heeft in de kleine lettertjes komt uitgebreid ter sprake in DC Confidential, de memoires van Sir Christopher Meyer, van 1997 tot 2003 de Britse ambassadeur in de Verenigde Staten. Het boek veroorzaakte opschudding omdat een topdiplomaat van dit formaat niet geacht wordt op een «bitchy tittle-tattle»-toon te vertellen over zijn raft-avonturen met Donald Rumsfeld, de op maat gemaakte cowboylaarzen die hij van Karl Rove kreeg en de tranen van Condoleezza Rice nadat zij de Coldstream Guards van koningin Elisabeth het Amerikaanse volkslied hoorde spelen in de nadagen van 11 september. De Britten smulden van Meyers opmerking dat de Britse regering bestaat uit enkele Masaï-strijders te midden van een kolonie pygmeeën. Hij had vooral John Prescott op het oog, die in gesprekken met zijn ambtsgenoot Dick Cheney filosofeerde over «Kovosa» en de «Balklands».

De meest bijtende kritiek reserveerde Meyer, voormalig perschef van John Major, voor Blair. Hij loofde de welsprekendheid en de ongecompliceerde hartelijkheid van de New Labour-leider. Het duo Blair-Clinton deed hem denken aan de Blues Brothers. Hoewel de populariteit van de «evangelist» Blair in die tijd reeds grote hoogten bereikte in de Verenigde Staten voelde Meyer niets van de nationale trots die hij koesterde toen hij in het kielzog van Thatcher en haar minister van Buitenlandse Zaken over de wereld reisde. Regelmatig ergerde hij zich aan Blairs gebrekkige dossierkennis. Zo vroeg Blair hem op het hoogtepunt van de Lewinsky-crisis, die samenviel met diens bezoek aan de Verenigde Naties in New York, wat precies de aantijgingen tegen zijn zielsverwant waren, iets waar Meyer, zelf een rokkenjager, hem uitgebreid over had voorgelicht. Een gebrek aan voorbereiding speelde hem evenzeer parten bij zijn pogingen om Clinton ervan te overtuigen grondtroepen in te zetten op de Balkan en tijdens een diner met onder anderen de Amerikaanse bankpresident Alan Greenspan waar Blair weinig in te brengen had.

Het intellectuele vedergewicht van Blair is reeds beschreven door James Naughtie in The Accidental American: Tony Blair and the Presidency. De premier had bij deze radio presentator een keer luchtig geïnformeerd waar The Project for the New American Century eigenlijk over ging. Aan de rand van Berlusconi’s zwembad of op het jacht van Cliff Richard heeft Blair zichzelf er nooit toe kunnen bewegen om de oertekst van de neocons te lezen. Dat deze onwetendheid niet werd gecompenseerd door vechtlust of bluf wekt de irritatie van Meyer, die Blair onder meer verwijt geen aandacht te hebben besteed aan de handleiding «Hoe te onderhandelen met de Amerikanen» van ex-topdiplomaat Sir Roderic Braithwaite. Terwijl Blair na 11 september 2001 bij de Amerikanen zo ongeveer populairder was dan Bush zelf en het Witte Huis de Britten beschouwde als de enige relevante bondgenoot, wist hij niets af te dingen bij Bush en zijn Republikeinse Garde, dit in tegenstelling tot Margaret Thatcher, die er niet voor schroomde om haar vriend Ronald Reagan uit te foeteren. Het brengt Meyer tot de conclusie dat Blair, zijn vrouw (gevleid door Stevie Wonder, die een speciaal liedje voor haar had geschreven) en zijn adviseurs waren verleid door de glamour van de Amerikaanse macht.

In de donkere dagen voor Kerstmis moest Meyer zich verantwoorden voor de Britse kamercommissie openbaar bestuur voor het prijsgeven, tussen alle sappige details in zijn kiss-and-tell-boek, van tweederangs staatsgeheimen.

Hetzelfde lot trof Lance Price. Ook in zijn The Spin Doctor’s Diary komt de verslaving van Blair cum suis aan het politieke wereldtoneel ter sprake. Klokkenluider Price was van 1998 tot 2001 als assistent-spindoctor werkzaam op de afdeling verkoop van New Labour. Hij noteert begin 1999: «Blair lijkt verveeld met het gewone werk en is alleen geïnteresseerd in buitenlandse leiders, Clinton, oorlog, enzovoort.» Die verveling is een constante in het boek. Blair komt naar voren als een politicus die geboeid kan raken door sexy, in het oog springende initiatieven met zijn signatuur, maar daarna al snel de interesse verliest en al helemaal geen belangstelling toont voor de eventuele uitvoering. Wanhopig pleit Blair voor interessante verhalen van zijn ministers. Price geeft de indruk dat het Verenigd Koninkrijk vanaf 1997 niet wordt geleid door een regering, doch door een vriendenclub. Blair hecht waarde aan quality time met zijn bevriende adviseurs, om op de sofa te praten over de grote lijn, de populariteit bij de focusgroepen (levende kiezers mijdt hij liever), manieren om rivaal Gordon Brown van de voorpagina’s te houden, zijn afkeer van coalitieregeringen en de Inner Zen van zijn Conservatieve opponent William Hague. Geen wonder dat hij op een gegeven moment een «Blue Skies Thinker» aan zijn staf toevoegde.

Ministers deden inderdaad als pygmeeën mee. Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Robin Cook moest via The Sun vernemen dat Britse troepen in 1998 deelnamen aan een luchtaanval in Irak. Deze taakverdeling komt ook naar voren bij Meyer. Minister van Buitenlandse Zaken blijkt ook in diens boek te zijn verwaterd tot een ceremoniële functie. Het belangrijkste «ministerie» was de Strategic Communications Unit, waar Price met zijn collega’s de populariteit van Blair hoog moest houden.

Wie niet beter weet, zou denken dat Price, voormalig BBC-journalist en inmiddels pensioneigenaar in Frankrijk, in de hoofdredactie zat van een dagblad. Tijdens vergaderingen werden alle koppen gesneld en nieuwe verhalen bedacht die vervolgens discreet hun weg vonden naar uitverkoren journalisten. Soms kibbelden de vrienden. Blairs beslissing om een Calvin Klein-bril te kopen viel slecht bij bijzonder hoogleraar spinologie Alastair Campbell, die hem had aanbevolen een ziekenfondsbril te kopen. Het dragen van een bril vond Blair echter al pijnlijk genoeg.

De drijfveer van de blairites wordt duidelijk wanneer het boek The Powers Behind the Prime Minister van Anthony Seldon verschijnt. Dit werk bevat, zo schrijft Price, «nogal vervelende stof over de dood van de traditionele kabinetsregering (die eigenlijk wel waar is) en enkele citaten over Blair als een maoïst! Iedereen zegt: ‹We zouden nooit meer aan zoiets moeten meewerken›, maar daar kwam natuurlijk niets van terecht omdat we onze plaats in de geschiedenis willen veiligstellen.»

De plaats in Het Boek van de Geschiedenis was ook de ambitie van Winston Churchill, die dit werk voor alle zekerheid zelf maar besloot te schrijven. Populariteit deed hem weinig: «Wie geliefd wil zijn, is bereid om compromissen te sluiten, en uiteindelijk niets te bereiken.»