Waden door het bier

Raggende vijftigers

Je bent van de Stones nog. Nu heb je De Raggende Manne. Je kleedt je als iemand die er bijhoort. «Ze staan allemaal te kotsen.»

Omdat we erbij willen blijven horen, besloten we een jaar of wat geleden naar De Raggende Manne te gaan. In Wytgaard, een dorpje vlak bij Leeuwarden. Er stond een advertentie in de krant, zullen we daar eens heen? Ja oké. Wij, drie opgewekte vijftigers — mijn vrouw en ik plus een vriendin — allemaal ongelooflijk goed thuis in de popcultuur, alles van de Rolling Stones, alles van Dylan, alles gezien vroeger, alles meegemaakt. Kijk, als je zoals wij in 1967 bij het eerste concert in Nederland van Frank Zappa was, dan beteken je iets. Was jij ook bij Soft Machine? Bij welk concert bedoel je, het eerste of het tweede? Ik was ook bij het derde. Weet je nog de Beach Boys in het Concertgebouw? Die begonnen a capella met A Young Man Is Gone. O ja, een ode aan James Dean, wat een fantastische sfeer toen in de zaal. Was dat voor of na de Kabouterdemonstratie? Welke bedoel je? Waarbij ze zeven keer rond de Neder landse Bank liepen, die zou dan instorten, net als de muren van Jericho.

We gaan dus naar De Raggende Manne omdat we vermoeden dat in die groep de tijdgeest rondzindert. Daar gebeurt het, jongeren gaan uit hun dak. We hebben een opname gezien waarin de zanger van de groep zingt: «Zal ik jou eens even in je bek schijten?» Mooie opstandige tekst, klinkt goed, dat zongen de Beach Boys dus nooit. Ach, de afgelopen jaren gingen we vaker naar concerten: Bryan Ferry, Willy deVille, Neil Young, allemaal voor ons soort volk, zeg maar, oudere puistloze dames en heren in passende outfit, heel netjes in een zaal of op stoelen, nog steeds barstend van de illusies want daar zijn we goed in, die branden in ons voort en voort.

De zaal in Wytgaard is vanaf negen uur open. Dit snappen we niet helemaal, moet je er dan om negen uur zijn? Volgens ons beginnen popconcerten altijd te laat, weet je nog wel met Chuck Berry? Zou je van tevoren kaartjes moeten bestellen? Het zijn problemen die ons flink bezighouden. En wat voor kleren doen we aan?

We besluiten om half tien te gaan en ons niet te netjes te kleden. Onze vriendin draagt een lange, zwarte, hoogsluitende jurk, mijn vrouw een gele broek met een zwart jack en ik een zwarte broek met een grijs jasje.

Het concert is in een gymnastiekzaal. Als we om half tien aankomen, is er niemand. Het zou toch om negen uur beginnen? vragen we aan de kaartverkoopster, een meisje van een jaar of veertien. Dan gaat de zaal open, zegt ze. In elk geval hebben we een kaartje. We drentelen door de lege zaal waar tegen de wanden gymnastiektoestellen hangen. Weet je nog, zeggen we: apenkooien. Er is tegen een wand een bar waar niemand staat, verderop tegen de korte wand is een podium in elkaar gezet, er is niemand. Hoe laat begint het? We durven het niet te vragen, we drinken een biertje en proberen eruit te zien als mensen die er helemaal bijhoren.

Pas vanaf half elf verschijnen jongens en meisjes van tussen de veertien en twintig jaar: kale jongens maar ook langharigen, er is weinig peil op te trekken. Blonde en bleke en zwarte meisjes, er is geen vast modepatroon te ontdekken, ze dragen maar wat, vinden we. Ze hebben vaak ringetjes in oren of neus, dat is dus blijkbaar toch normaal. We gaan voor de zekerheid achteraan staan omdat we volkomen uit de toon vallen, je weet het hier maar nooit. Maar gelukkig komt niemand ons een nare duw verkopen of beledigen. De sfeer is zelfs ontspannen, denken we opgelucht.

Om kwart over elf begint het voorprogramma. De zaal is stampvol en er wordt door de jongens en meisjes in een enorm tempo gezopen. Ze gooien de lege plastic bekertjes op de grond en vertrappen die. Dat maakt een lekker knapperig geluid, wij doen mee. Voor ons staat een meisje met drie volle bekertjes pils in haar handen.

De band is gekleed in Beierse outfit, met korte leren broeken, bretels en hoedjes op met veertjes. Vast een leuke cabaret-act vermoeden we, dit hadden we niet gedacht. Maar dan beginnen ze: een striemend, keihard en ongelooflijk vlug ritme. Bonkende en gillend aangeslagen gitaren en een zanger die daarbovenuit brult. Plotseling vliegen de plastic bekertjes met pils door de lucht, niet een of twee maar tientallen. Ze landen op het podium en spatten uiteen. De band trekt zich er niks van aan. We gaan nog maar iets meer naar achteren; straks krijgen wij zo'n bekertje op onze kop. In de wandrekken hangen jongeren hevig bier te drinken. Jepesimpalbluist, schreeuwt onze vriendin in mijn oor. Wat zeg je: Jezus, ik ga naar buiten. Blijf nou maar hier, buiten is het misschien nog erger.

We waden door het bier. Uit het wandrek stort vlak voor onze voeten een jongen naar beneden. Hij blijft op de grond liggen en braakt hartgrondig. Een meisje trekt hem overeind. We staan te kijken hoe de jongen weer braakt en daarna in een coma glijdt. Onze vriendin helpt hem naar buiten dragen. Als ze terugkomt zegt ze: «Ze staan godverdomme buiten allemaal te kotsen, allemaal, je weet niet wat je ziet.»

Na een kwartier stopt de band. Het drinken wordt in de zaal met volle kracht voortgezet, er komt geen einde aan.

En dan verschijnen De Raggende Manne. Het lawaai is oorverdovend, splijtend, daverend. We verstaan niks, we horen gebrul, om ons heen zien we flitsen van tegen elkaar op beukende dansers. We staan nu achter in de zaal tegen de wand gedrukt en wachten tot het ergste achter de rug is. Vlakbij is een kleedkamer ingericht waar je tot rust kunt komen. Het zit er stampvol bleke, bezopen jongeren. Als we weggaan, staan op het grasveld bij de gymnastiekzaal overal jongens en meisjes bier naar binnen te werken. Anderen wankelen tegen elkaar aan. Twee meisjes liggen op de grond over te geven. We lopen door. Moet je daar kijken, zegt mijn vrouw. Vlak voor ons, aan de linker- en rechterkant van het pad, liggen twee stellen op de grond te neuken, ondergoed om zich heen, gezichten tegen elkaar geplakt. Ze liggen gewoonweg te neuken, zeg ik.