POPMUZIEK

Raising Sand 1?

Robert Plant

Als Robert Plant in 1968 door gitarist Jimmy Page wordt gevraagd om te komen zingen bij The Yardbirds speelt de dan achttienjarige zanger met drummer John Bonham in The Band of Joy. Niet veel later spelen ze met z'n drieën 22 jaar lang in het legendarische Led Zeppelin. De moeder aller hardrockbands stopt in 1980 na de dood door drankzucht van Bonham en komt drie jaar geleden met zijn zoon op drums weer bij elkaar voor een succesvol reünieoptreden in de Londense 02-Arena. Geruchten over een wereldtournee worden daarna steeds hardnekkiger, maar het is Plant die de boot afhoudt (‘too heavy’ en 'what’s the point?’ verklaarde hij onlangs in een interview).

Waar de groep Band of Joy deels het begin markeert van Led Zeppelin lijkt Plants nieuwe soloplaat met dezelfde naam een teken dat door eventuele plannen voor een nieuwe samenkomst definitief een streep kan. De zanger heeft voor zichzelf een aantrekkelijker alternatief. Terwijl ex-bandleden John Paul Jones en Page nu vooral door het leven gaan als rocklegendes vindt Plant de laatste jaren op onbekender terrein nieuwe muzikale inspiratie. Zo is 2007 behalve het jaar van het verrassende 02-optreden ook het jaar van de opvallende samenwerking met countryzangeres Alison Krauss. Beiden dagen elkaar uit om dingen anders te doen dan normaal. Het zorgt voor een erg ingetogen zingende Plant, en Krauss schuift haar pure countrystijl meer naar de achtergrond. Eindresultaat Raising Sand is een veelgeprezen mix van countryblues, folk en bluegrass, met ruim een miljoen verkochte exemplaren en een prestigieuze Grammy Award.

Uit mislukte pogingen om met Krauss een tweede plaat op te nemen (het goede gevoel ontbreekt ditmaal) komt de halve opvolger Band of Joy voort. Plant werkt met producer T Bone Burnett en een ervaren groep muzikanten verder. Dat leidt tot een tweede ongedwongen en diverse plaat die muzikaal erg in het verlengde ligt van Raising Sand. De keuze uit bestaande nummers is origineel en opnieuw voegt Plant zijn stem geslaagd naar sfeer en genre. Neem countryfolkballad Cindy, I’ll Marry You Someday of de bewerkte r&b-klassieker You Can’t Buy My Love (Barbara Lynn). Als een allround performer zet hij ze naar zijn hand. Townes van Zandt wordt opnieuw herdacht, nu met diens laatst geschreven nummer Harm Swift Way. De keuze voor twee nummers van het ernstige Amerikaanse trio Low blijkt ook een geslaagde. Met de zwaar aangezette dramatiek van Silver Rider en het onheilspellende Monkey blijkt Plant ook prima overweg te kunnen. Zoals gewoonlijk excelleert meester-sessiegitarist Buddy Miller, hier onder meer op Satan Your Kingdom Must Come Down. Ander belangrijk pluspunt: uit liedjes als The Only Sound that Matters en House of Cards blijkt dat het met de warme countrystem van Patty Griffin even goed klikt als eerder met Krauss.

Veertig jaar terug zette Plant de blues keihard naar zijn hand, nu zoekt hij het meer in de subtiele interpretatie van liedjes en stijlen. Ook bij Band of Joy hoor je daar zoveel spelplezier aan af dat zowel de oude als nieuwe Led Zeppelin heel ver weg lijkt.

Robert Plant, Band of Joy (Decca/Universal)