Is de academische vrijheid in het geding?

Ramadan moest hangen

Na het ontslag van gasthoogleraar Tariq Ramadan is de academische wereld in de war. De belangen van de gemeente Rotterdam en de Erasmus Universiteit rondom Ramadan waren opvallend nauw met elkaar verweven.

Medium gorillaramadan

‘We hebben er natuurlijk grapjes over gemaakt’, bekent professor Han Entzinger, ‘maar de kwestie is niet plezierig.’ ‘Verbondenheid van stad en universiteit’ luidde het thema van de opening van het Rotterdamse academisch jaar afgelopen maandag. Juist dat thema (dat al maanden vast lag) heeft de Nederlandse academische wereld nu enkele weken bij de strot, met als aanleiding het ontslag van Tariq Ramadan als integratieadviseur door de gemeente Rotterdam en het gelijktijdige intrekken van zijn gasthoogleraarschap aan de Erasmus Universiteit. De gemeente bekostigde Ramadans leerstoel, zijn salaris en verblijfkosten. De universiteit ontkent dat het ontslag van de islamoloog een politiek besluit is, of ook maar iets te maken heeft met het wegvallen van de gemeentelijke financiering. Gemeente en universiteit voeren Ramadans medewerking aan een Iraanse tv-zender als reden aan.
Als hoogleraar migratie- en integratiestudies werkte Entzinger met Tariq Ramadan samen aan de Erasmus Universiteit. Hij heeft begrip voor het ontslag, maar stelt ‘vraagtekens bij de snelheid en de manier waarop het is gegaan’.
Andere wetenschappers hebben dat begrip niet. Het verzet tegen Ramadans ontslag van twee weken geleden breidt zich snel uit over tal van universiteiten en disciplines.
‘Ramadans ontslag is een teken aan de wand’, aldus Peter Geschiere, hoogleraar antropologie van Afrika aan de Universiteit van Amsterdam, die wijst op ‘de hetzes van columnisten’. ‘Dit is aan niemand uit te leggen.’
‘Het is een slecht idee om mensen de mond te snoeren’, meent ethicus Boudewijn de Bruin van de Rijksuniversiteit Groningen.

Het is nu eens niet Ramadans vermeende dubbele tong of zijn religiositeit die zijn ratio zou overheersen. Deze keer wordt de onrust veroorzaakt door het handelen van het college van bestuur van de Erasmus Universiteit, dat onzuiver zou zijn geweest en schadelijk voor de academische vrijheid. De universiteit lijkt de politieke beweegredenen van de gemeente te hebben gevolgd, en dat kan niet, is de teneur onder vertegenwoordigers van de universitaire wereld met wie De Groene Amsterdammer sprak.
De opgegeven reden voor Ramadans ontslag bij zowel gemeente als universiteit is zijn nevenfunctie als presentator van het discussieprogramma Islam & Life op de Iraanse satellietzender Press TV, een wekelijks programma over religie, filosofie en moderne levensvraagstukken. Volgens het bestuurscollege van de universiteit heeft Ramadan zich daarmee ‘voor de kar van een repressieve regering’ laten spannen, iets waartoe hij ‘in zijn positie als hoogleraar te allen tijde de schijn moet vermijden’.
Tariq Ramadan stelde ‘volledige redactionele vrijheid’ te hebben bedongen, vrij te zijn in zijn onderwerpskeuze en slechts contact te hebben gehad met de Britse producenten van het programma. Van enige steun aan het Iraanse regime was volgens hem geen sprake – hij had de sjiitische moellahs juist herhaaldelijk bekritiseerd. Hij koos juist ‘de weg van het kritische debat’ om Iran te helpen bij zijn ‘ontwikkeling naar democratische transparantie’. Hij wees er bovendien op dat alleen in Nederland moeilijk werd gedaan over zijn werk voor Press TV – inderdaad een opvallend verschijnsel. Hij wijt het aan de om zich heen grijpende moslimangst en de opkomst van Wilders’ PVV.
De twijfel over de geldigheid van de opzegging van zijn gasthoogleraarschap wordt extra gevoed door de politiek in de Rotterdamse gemeenteraad. Daar was de steun voor Tariq Ramadan als integratieadviseur en ‘bruggenbouwer’ sinds zijn aanstelling tweeënhalf jaar geleden flink afgebrokkeld. In april vorig jaar werd Ramadan door de Gaykrant beschuldigd van vrouwonvriendelijke en homovijandige uitspraken. Dat kostte hem veel goodwill. Een onderzoek door GroenLinks-wethouder Grashoff pleitte hem vrij, maar toen zich twee weken geleden opnieuw een kans voordeed om van Ramadan af te komen, liet het voltallige college van burgemeester en wethouders, met steun van hun partijen in de gemeenteraad, hem vallen. Oók degenen die hem eerder fel verdedigd hadden tegen vermeende ‘islamofobie’ van de oppositie. Ramadan was van bruggenbouwer gaandeweg een verkiezingsrisico geworden, boegbeeld van een falend integratieprogramma. Hij moest hangen.
Aan dergelijke afwegingen behoort een universiteit geen boodschap te hebben. Enkele dagen na Ramadans ontslag protesteerden verscheidene medewerkers van de Erasmus Universiteit tegen de gang van zaken middels een open brief in NRC Handelsblad, waarin ze Ramadans ontslag ‘strijdig met de academische vrijheid’ noemden. Ze riepen in herinnering dat de universiteit tijdens de homocrisis in april juist stelde het debat te willen bevorderen en zich niet te willen bemoeien met persoonlijke opvattingen en uitspraken van wetenschappers. De brief was ondertekend door 24 medewerkers van de Erasmus Universiteit (en één uit Leiden), onder wie zeven hoogleraren. Zij eisten dat de universiteit op haar besluit terugkwam.
Het bestuurscollege haastte zich een nieuwe, uitgebreider verklaring te publiceren, waarin ze stelde dat niet Ramadans opvattingen reden waren voor het intrekken van het gasthoogleraarschap, maar het ‘onbedoeld en indirect (…) legitimeren van het repressieve beleid van de Iraanse regering’. Pas toen hij weigerde met het programma te stoppen was hij niet meer welkom in Rotterdam. Er volgde een gesprek met de ondertekenaars van de protestbrief, maar beide partijen bleven bij hun standpunt.

‘We wisten dat hem een Amerikaans visum was geweigerd en dat hij een wolf in schaapskleren werd genoemd’, zegt professor Han Entzinger, die als vice-decaan betrokken was bij Ramadans aanstelling eind 2006. ‘We zijn te rade gegaan bij diverse islamologen van naam en faam uit verscheidene landen en dat zette de seinen op groen. Ramadan is conservatief en gelovig, de laatste tijd eerder meer dan minder, maar hij is consequent en consistent in zijn uitspraken. Hij spreekt niet met dubbele tong, wel wollig.’
Entzinger staat achter het beëindigen van Ramadans gasthoogleraarschap: ‘Ik heb het tv-programma gezien, inhoudelijk kabbelt het rustig voort, dat is het probleem niet.’ Het gaat juist om de symbolische waarde, stelt Entzinger: ‘Een islamitisch discussieprogramma is essentieel voor een islamitisch regime. Via Press TV legitimeren hij en de gasten in zijn programma het Iraanse regime wel degelijk.’ Entzingers protesterende collega’s maken regelmatig de vergelijking met China: moet de samenwerking met Chinese universiteiten nu dan óók worden opgeschort wegens de schending van de mensenrechten? Volgens Entzinger is dat geen goede vergelijking: ‘De vraag is: stel dat een collega op de Chinese televisie een positief programma over de Chinese mensenrechtensituatie presenteert, wil ik dan nog met diegene samenwerken? Ik liever niet.’
Volgens Entzinger is Ramadans vertrek een verlies voor de universiteit. Hij kweet zich met verve van zijn academische taak (‘hij is veel meer een wetenschapper dan een sociaal opbouwfiguur’) en was geliefd bij de studenten. Hij zal niet ontkennen dat er binnen de universiteit aanvankelijk ‘enige weerstand’ was tegen Ramadans aanstelling, en dat er terugkijkend beter rekening gehouden had kunnen worden met ‘het hier zeer gepolitiseerde onderwerp’. Bij de aanstelling van bijzonder hoogleraren, die worden gefinancierd met extern geld, wordt doorgaans een speciale stichting (een curatorium) in het leven geroepen, bestaande uit vakgenoten. Die kan fungeren als een buffer tussen financier en hoogleraar. Nu betaalde de gemeente Rotterdam Ramadans leerstoel rechtstreeks, wat bijdroeg aan de onrust rond zijn ontslag.
Het is opvallend hoe nauw de belangen van de gemeente en de universiteit rondom Ramadan met elkaar verweven waren. Ramadans leerstoel burgerschap en identiteit had dezelfde naam als het sociaal dialoogprogramma waaraan hij bijdroeg. De gemeente bekostigde beide. Volgens Entzinger was het naar Rotterdam halen van Ramadan een idee van de gemeente. Hij werd per e-mail benaderd ‘door iemand uit het gemeentelijk bestuur’ met het idee van een leerstoel voor Ramadan. ‘Door hem te binden aan de universiteit wilden zij hem enige status geven in Rotterdam’, zegt Entzinger. ‘Een verinniging van de samenwerking tussen gemeente en universiteit zou Ramadans integratiewerk helpen’, aldus de hoogleraar, ‘en het zou ook goed zijn voor ons.’ Het leverde de universiteit geld voor onderzoek en promovendi op.
Entzinger vindt die verinniging geen probleem. ‘Er zijn tal van voorbeelden waarbij overheden bijzondere leerstoelen financieren, met name in de sociale wetenschappen. De Wibaut-leerstoel in Amsterdam (eerst bekleed door Geert Mak, nu door Paul Scheffer – jb) wordt door de gemeente betaald. In de bèta-wetenschappen ritselt het van de leerstoelen die door bedrijven bekostigd worden.’ Volgens de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) kan contractonderzoek echter ‘corrumperend’ werken, waarbij overheden vaak meer druk uitoefenen dan bedrijven. Uit onderzoek van de Volkskrant uit april 2008 bleek dat bijna een kwart van de professoren wordt betaald door bedrijven of overheden, doorgaans via stichtingen. Volgens de krant leidde dat soms tot onderzoek volgens de formule ‘wij van wc-eend adviseren wc-eend’.
De kwestie-Ramadan gaat niet over gecorrumpeerd onderzoek, maar over de vermeende politieke beïnvloeding van het universiteitsbestuur: iets wat moeilijk aantoonbaar is. Al in 1984 heeft de KNAW een commissie Vrijheid van Wetenschapsbeoefening in het leven geroepen, een soort Amnesty International voor de academische wereld, die namens de Akademie van Wetenschappen in het geweer komt bij ‘aantastingen en bedreigingen van de vrijheid van wetenschapsbeoefening’ of ‘steun betuigt aan geleerden die belemmeringen van politieke aard of anderszins ondervinden bij hun wetenschapsbeoefening’.
Volgens voorzitter Pieter Drenth zal de commissie niet in actie komen: ‘De man wordt geen strobreed in de weg gelegd bij het schrijven, denken en bekendmaken van wat hij maar wil.’ Als voormalig rector magnificus van de Vrije Universiteit en oud-voorzitter van de KNAW kreeg Drenth eerder te maken met kwesties waarbij de vrije wetenschapsbeoefening in het geding was. In dit geval is volgens hem sprake van een geschil tussen werkgever en werknemer. ‘Ramadan is gasthoogleraar, in feite zegt nu het gezinshoofd: ik vind dat jij je niet als een goede gast gedraagt, dus ga maar weg.’
Drenth heeft wel kritiek op de vorm die de leerstoel burgerschap en identiteit heeft. Die heeft meer weg van een bijzonder hoogleraarschap dan van een gasthoogleraarschap: ‘Bij een gasthoogleraar moet je denken aan een schrijver die eenmalig wat colleges geeft. Daarbij is het niet nodig een curatorium in te stellen. In het geval van Ramadan was het verstandig geweest dat wel te doen. Een college van bestuur bestaat niet uit vakgenoten, dus is zij niet bevoegd te oordelen over de prestaties van een hoogleraar.’ Drenth vraagt zich af op welke gronden in januari eigenlijk besloten is tot het verlengen van Ramadans universitaire aanstelling, nu er geen curatorium was.

Daar komt wederom de gemeente om de hoek kijken. Drenth: ‘Natuurlijk was het voor de gemeente makkelijker om Ramadan binnen te halen als ze hem ook een leerstoel konden aanbieden. Voor zo’n gemeente is dat een leuk erebaantje, een soort lintje. Daarvoor mag een universiteit zich echter nooit lenen. De universiteit hoort zélf op zoek te gaan naar een geschikte kandidaat voor de gesponsorde leerstoel. Als slechts de door de sponsor aangedragen kandidaat wordt beoordeeld, is dat een ongeoorloofde vermenging van competentiesferen. Dan glijd je af.’
Volgens Han Entzinger van de Erasmus Universiteit blijft de door de gemeente gesponsorde leerstoel ook na het vertrek van Tariq Raman bestaan. Er wordt nagedacht over een nieuwe invulling. Of ook een curatorium zal worden opgericht als buffer tussen overheid en universiteit, weet Entzinger nog niet. Maar hij vindt het geen slecht idee.