Oorlog is goed voor de Amerikaanse munt

Ramkoers voor de dollar

Velen zien de oliebelangen van Amerika als belangrijkste drijfveer om Irak aan te vallen. Maar het zit dieper. De Amerikaanse dollar is aan een opknapbeurt toe.

Wie moeite heeft om de officiële beweegredenen van de blijkbaar onafwendbare Amerikaanse oorlog tegen Irak te geloven, grijpt doorgaans snel naar de oliebronnen als alles omvattende verklaring. Men kan er moeilijk naast kijken: als de Amerikaanse strijdkrachten ergens ingrijpen, dan is een pijplijn meestal niet ver weg. Olie is de enige grondstof waarvan met zekerheid kan worden gezegd dat de vraag zal blijven groeien terwijl het aanbod eindig en weinig elastisch is.

Is het Washingtons bedoeling om de wereldmarkt te overspoelen met goedkope Irakese olie? Zo snel gaat dat niet, waarschuwt economist Marshall Auerback, en het is ook niet wat de oil men die de VS regeren willen. Wat die volgens hem willen is niet een lagere olieprijs, maar het vermogen om de prijs te bepalen. «De bezetting van de Irakese olievelden zal Opec de facto vernietigen», meent hij. Olie zou een formidabel wapen worden voor Amer‰ka’s globale controle en een hefboom voor haar economie die de val van koning dollar zou kunnen voorkomen, of op zijn minst uitstellen.

Wat heeft oorlog in Irak met de dollar te maken? Het antwoord op die vraag vereist een korte schets van de belabberde situatie waarin de Amerikaanse economie — en met haar de hele wereldeconomie — is beland. Het grondprobleem is nog altijd hetzelfde als wat de naoorlogse groei in het begin van de jaren zeventig deed sputteren: overcapaciteit. Pogingen om de vraag aan te zwengelen brachten de wereld aan de rand van hyperinflatie in de jaren zeventig en leidden tot wildgroei van overheidsschuld in de jaren tachtig. Maar in de jaren negentig leek de combinatie van het einde van de Koude Oorlog, de globalisering en een «nieuwe industriële revolutie», gedreven door de informatietechnologie, een nieuw tijdperk in te luiden. Winst, productiviteit, investeringen, tewerkstelling en beurswaarden stegen, begrotingstekorten en inflatie daalden. Wall Street zag een «nieuw paradigma», een nieuwe gouden eeuw. Maar het goud bleek klatergoud: de nieuwe eeuw begon met dalende winsten, recessie, het verlies van meer dan 8,1 biljoen dollar aan beurswaarden, scherp stijgende werkloosheid en begrotingstekorten en een waardeverlies van de dollar tegenover de euro met twintig procent.

Het is natuurlijk niet de eerste keer dat de dollar zinkt, maar de risico’s die daarmee gepaard gaan zijn nu groter dan ooit. Een sterke munt heeft voor- en nadelen: hij trekt kapitaal aan, maar ondergraaft het concurrentievermogen. Dat ervoer de Reagan-ûegering toen die in de jaren tachtig de inflatie en de dollarontwaarding met behulp van hoge rentevoeten onder controle bracht. De sterke dollar trok buitenlands (vooral Japans) kapitaal aan, wat de enorme begrotingstekorten, veroorzaakt door bewapenÚngsescalatie en belastingverlaging, hielp financieren. Maar de sterke dollar maakte Amerikaanse producten op de wereldmarkt duur, wat slecht was voor de winsten. Dat veranderde met het Plaza-akkoord dat Washington in 1985ýaan zijn voornaamste handelspartners oplegde, waardoor die zich ertoe verbonden de dollar omlaag te drijven. De dollar zakte met vijftig procent en het Amerikaanse concurrentievermogen herstelde zich, terwijl het Duitse en Japanse nu zware opdoffers kregen.

Vooral voor Japan was dit catastrofaal. Maar Japan was Argentinië niet, Washington kon het niet rustig laten wegglijden in een afgrond. Japan was en is Amerika’s voornaamste schuldeiser. Een financiële crisis zou Japan dwingen om Amerikaanse waardepapieren massaal te verkopen en zo die crisis naar de VS te exporteren. Daarom accepteerde Washington in 1995 het zogenaamde omgekeerde Plaza-akkoord, waarin de drie economische grootmachten besloten de dollar omhoog te drijven.

Nu was het weer de beurt aan het Amerikaanse concurrentievermogen om een klap te incasseren op een wereldmarkt waar de globalisering het overcapaciteitsprobleem nog aanscherpte. De gevolgen bleven niet uit. Tussen 1997 en 2000 daalden de netto-bedrijfswinsten met 23 procent. Toch stegen de beurswaarden van die bedrijven in dezelfde periode met 65 procent. Tot 1995ýstegen bedrijfswinsten en beurswaarden parallel. Hoe kon de beurs daarna de zwaartekracht negeren? Een oorzaak daarvan was dat investeerders de hype van Wall Street over het «nieuwe paradigma» slikten en accepteerden dat de dot.coms en telecommunicatiebedrijven «voorlopig» geen winst zouden maken, omdat hun was wijsgemaakt dat «de explosie van internet» ze spoedig in goudmijnen zou veranderen. Een andere was dat buitenlandse investeerders enthousiast stonden tegenover de Amerikaanse beursrage en zo de aandelenkoersen omhoog hielpen stuwen.

Door de dollarstijging werden buitenlandse bezitters van dollar-assets (op papier) vanzelf rijker, zelfs zonder waardestijging of dividenden. De voornaamste oorzaak was de politiek van de Federal Reserve onder Alan Greenspan die telkens opnieuw de twijfels over het niveau van de aandelen wegstreek met nieuwe rentevoetverlagingen. Dat steeds goedkopere krediet creëerde de grootste leenorgie aller tijden. Bedrijven leenden niet alleen om hun productiecapaciteit te vergroten, maar ook om hun eigen aandelen op te kopen om zo de vraag naar aandelen en dus hun prijs hoog te houden (tussen 1995 en 2000 waren Amerikaanse bedrijven de grootste kopers op de beurs).

Consumenten leenden (de spaarvoet zakte van acht procent in 1993 naar nul procent in 2000) en kochten alsof het gelag nooit betaald hoefde te worden. De Amerikaanse consumptiewoede was een reddingsboei voor de wereldeconomie. Maar de zwaartekracht won uiteindelijk. Overproductie leidde tot prijsoorlogen en dreef de winsten nog lager (een daling van 42 procent tussen 1997 en 2002) wat investeren zinloos maakte. Daarna volgden de ineenstorting van de dot.coms en de Nasdaq, de Enron-affaire en andere schandalen die onthulden hoezeer het succes van Amerikaanse bedrijven op boekhoudkundige manipulatie berustte, de recessie en de onvermijdelijke inzinking van de Dow Jones.

Dat de neerwaartse spiraal beteugeld kon worden, was vooral te danken aan de creatie van een nieuwe zeepbel, dit keer in de onroerendgoedmarkt. De lage rentevoet — Greenspan verlaagde hem sinds januari 2001 twaalf keer, tot 1,25 procent — maakte hypotheken goedkoop en stelde huiseigenaren in staat hun bestaande hypotheken met goedkope leningen af te betalen. De vraag dreef de vastgoedprijzen op en hield zo het wealth effect dat de beursstijging had gecreëerd, in stand.

De Amerikaanse consument blijft boven zijn stand leven, maar hoe lang nog? De consumentenschuld bedraagt nu al 8,2 biljoen dollar. Als de vastgoedstijging eindigt, dreigt de Amerikaanse economie haar laatste pilaar te verliezen.

De boomüvan de jaren negentig laat gevaarlijke onevenwichtigheden achter. De beurswaarden zijn weliswaar scherp gedaald, maar de winsten ook zodat de kloof tussen aandelen en bedrijfswinsten even groot blijft. De beurs blijft dus overgewaardeerd, maar een ernstige «correctie» zou catastrofale gevolgen hebben. De totale schuldenlast van de Amerikaanse economie steeg van 4 biljoen dollar in 1980 naar 31 biljoen. Dat is niet alleen in absolute cijfers een record. De schuldenlast vertegenwoordigt 295 procent van het BNP, meer nog dan tijdens de depressie. De vrees voor deflatie — een dalend prijsniveau door overproductie — groeit. Deflatie maakt geld meer waard en dus de schuldenlast automatisch groter. Verder zijn de Amerikaanse handels- en betalingstekorten groter dan ooit. Amerika koopt voor zo’n vierhonderd miljard dollar per jaar meer van de rest van de wereld dan het verkoopt. De massale buitenlandse vraag naar Amerikaanse assets compenseerde dat tot voor kort, maar nu niet meer: de buitenlandse aankoop van Amerikaanse assets was in 2002 83 procent lager dan in 2000. Vandaar de dollardaling. Als de trend zich doorzet, staat Greenspan voor de keuze: ofwel de rentevoeten optrekken met een diepe recessie als gevolg, ofwel de dollar laten zinken met het risico dat dit tot een algehele ontwaarding van Amerikaanse assets leidt.

De opdracht is dus de dollar te beschermen zonder de rentevoeten te verhogen. De oorlog in Irak kan dit mogelijk maken. Ook tijdens de Reagan-regering profiteerde de dollar van de politieke en militaire machtsuitstraling van de VS. Internationale spanninü doet kapitaalbezitters nerveus zoeken naar een schuilplaats. «Als de VS worden gezien als een ‹veilige haven›, zal de dollar door de oorlog in Irak stijgen», zegt Gerald Cohen, de chef-econoom van het investeringsbedrijf Merrill Lynch. «Maar dat veronderstelt wel dat de oorlog goed verloopt. Anders is het omgekeerde effect mogelijk.»

Het debat over de oorlog had als neveneffect een groeiende verdeeldheid binnen Europa. Die verdeeldheid werd door Washington aangemoedigd; zie de opmerking van defensieminister Rumsfeld over het nieuwe en het oude Europa. «Hoe meer de euro wordt gezien als de Frans/Duitse munt, hoe minder aantrekkelijk ze lijkt als alternatief voor de dollar», meent Marshall Auerback, «tenminste als het Irak-probleem wordt opgelost in Amerika’s voordeel en Frankrijk en Duitsland daardoor politieke invloed en relevantie verliezen.»

Maar volgens Auerback zal vooral de bezetting van de Irakese olievelden de dollar in het zadel houden. «Het feit dat olie in dollars wordt geprijsd, is al lang een belangrijke steun voor de dollar. Als de nieuwe Irakese autoriteiten aankondigen dat ze enkel cheques in dollars aanvaarden, als ze hun winsten in dollars investeren en de Amerikaanse export stimuleren door vooral met Amerikaanse bedrijven zaken te doen, dan zullen de vooruitzichten van de dollar zowel op korte als op langere termijn aanzienlijk verbeteren.»

Irak zou een belangrijke nieuwe koper van dollar-assets worden en al zou dat de Amerikaanse betalingsbalans niet aanzuiveren, het psychologisch effect op de financiële markten zou niet te versmaden zijn. Auerback gelooft overigens niet dat de invasie begint met de verovering van Bagdad. Dat plan, de zogenaamde inside out-strategie, lekte volgens hem uit ter misleiding. Hij verwacht dat de Amerikanen meteen de olievelden zullen bezetten en Bagdad enkel zullen omsingelen. Zo zouden ze hun eigen verliezen beperken en rustig kunnen wachten tot het regime van Saddam, verstoken van inkomsten, ineen klapt. De bezetting van de olievelden zou van lange duur zijn. Irak zou een permanente militaire basis kunnen worden van waaruit Washington de olierijke regio domineert.

Zoals Jay Bookman schrijft in The Atlanta Journal: «Waarom lijkt de regering zich geen zorgen te maken over een exitstrategie uit Irak, nadat Saddam omvergeworpen is? Omdat we er niet zullen weggaan.»