Japan kijkt achteruit

Ramp na een jaar

De aardbeving en kernramp van maart vorig jaar zouden voor de nijvere Japanners aanleiding zijn om schoon schip te maken en snel te hervormen. Niet dus. De economie zit vast en de frustratie groeit.

TOEN JAPAN een jaar geleden werd getroffen door een aardbeving, een metershoge tsunami en de ergste nucleaire ramp sinds Tsjernobyl, twijfelde niemand eraan dat de gedisciplineerde Japanners erin zouden slagen om binnen korte tijd de weggevaagde huizen, fabrieken en infrastructuur weer op te bouwen. Op dat soort momenten toont Japan zich doorgaans van zijn sterkste en meest veerkrachtige kant. Een veel belangrijker vraag, die meteen na de ramp werd opgeworpen, was of deze schok ook als een katalysator zou kunnen werken om Japan weer uit de politieke en economische impasse te halen waarin het al een paar decennia verzand is. Japan is een welvarend, hypergeorganiseerd en technologisch hoogontwikkeld land. Maar het worstelt met grote problemen: uit de pan rijzende sociale en gezondheidskosten, een torenhoge schuld (in het afgelopen decennium verdubbeld tot ruim tweehonderd procent van het nationaal inkomen), hoge productiekosten, een verstarde landbouwsector, gebrekkige internationalisering, ‘galapagostechnologie’ die alleen in Japan gebruikt wordt en een demografische statistiek die de grootste optimist nog somber zou maken: de voorspelling is dat in 2060 de bevolking met dertig procent gekrompen zal zijn, terwijl veertig procent van de Japanners dan ouder is dan 65. Grote Japanse bedrijven, zoals Sony, eens de schrik van de wereldeconomie, kampen met forse verliezen terwijl hun concurrenten de wereld veroveren. Die problemen worden in Japan helder gezien en de noodzaak tot verandering wordt breed gevoeld. Maar de grote vraag is: wie kan die verandering brengen, en hoe?
Een paar maanden na de ramp brengt consultancyfirma McKinsey een spraakmakend boek uit met de veelzeggende titel Reimaging Japan: The Quest for a Future that Works. Niet alleen consultants en economen laten in dit boek hun licht schijnen over de noodzakelijke veranderingen, ook historici en sociale wetenschappers. Japan-kenner Ian Buruma onderstreept hoe groot het belang is van een wederopstanding van Japan als een dynamisch en open land - en niet alleen voor Japan zelf: 'In een wereld waarin democratieën serieus uitgedaagd worden door China’s model van politiek dictatorschap en keihard kapitalisme, hebben we een sterk, zelfverzekerd en dynamisch Japan nodig, alleen al voor de voordelen van politieke vrijheid. De kans [op een culturele transformatie] lijkt wellicht niet groot, maar als de Japanse geschiedenis iets laat zien, dan is het wel het vermogen van de Japanners om iedereen (inclusief henzelf) versteld te doen staan.’
Daarvoor zijn echter leiders nodig die de weg wijzen, maar in Japan lijken al decennia alleen middelmatige grijze muizen boven te komen drijven. In dat opzicht heeft het land al twee jaar voor de ramp van 2011 een grote teleurstelling moeten wegslikken. Henry Tricks, bureauchef van The Economist in Tokio, schrijft daarover in Reimaging Japan: 'In de dagen na 11 maart 2011 was het moeilijk om hetzelfde gevoel van optimisme te hebben als in de dagen toen de Democratische Partij van Japan (DPJ) in augustus 2009 aan de macht kwam en een einde maakte aan 55 jaar bijna onafgebroken leiderschap van de conservatieve partij. Maar de DPJ is er niet in geslaagd veel van zijn beloftes gestand te doen, deels door eigen onvermogen en deels door tegenwerking van de oude garde. De grote vraag voor de komende jaren is of een nieuwe generatie jonge, energieke politici op zal staan om het land te helpen opnieuw op te bouwen en het nationale moreel nieuw leven in te blazen.’
De diagnose is gesteld, maar wat is de juiste behandeling? En, misschien belangrijker: waar is de dokter? Velen kijken terug naar Japans roemruchte verleden, waarin het zich van achterlijk, afgesloten land transformeerde tot wereldmacht. Maar de twee vorige grote transformaties vonden plaats onder zware militaire druk van buiten en verliepen via de staat. Eind negentiende eeuw kopieerde Japan de koloniale machten (en de militaristische Pruisische staatsinrichting) om niet zelf gekoloniseerd te worden. Na de Tweede Wereldoorlog bezetten de Amerikanen het land en zette het machtige ministerie van MITI (Internationale Handel en Industrie, tegenwoordig METI) in het nieuwe Japan de lijnen uit. Juist de strakke regie van de staat was de sleutel tot het Japanse succes na de Tweede Wereldoorlog, betoogt Chalmers Johnson in zijn standaardwerk MITI and the Japanese Miracle.
Anno 2012 is het echter nauwelijks denkbaar dat een nieuwe transformatie weer door de staat geleid zal worden. Japanse politiek werd de afgelopen decennia een synoniem voor totale verstarring en een jaar na de ramp is de politieke impasse nog even groot als in het jaar daarvoor. Yoshihiko Noda, inmiddels al weer de derde premier in tweeënhalf jaar, noemt zichzelf een 'modderkruiper’ en lijkt vooral geen visionair te willen zijn. Zijn steun onder het publiek is sinds zijn aantreden gekelderd. En niet alleen de premier, maar diens hele partij DPJ is zijn glans razendsnel kwijtgeraakt. De partij zou een einde maken aan de wurggreep van de conservatieve LDP op de samenleving, maar de democraten kunnen én durven niet.
Het antieke, oneerlijke kiesstelsel in Japan is een treffende illustratie. In rurale gebieden bestaan onvervalste politieke dynastieën, waarin ambten van vader op zoon worden doorgegeven en waar uitgebreide netwerken bestaan tussen politici, ambtenaren en de bouwsector. Maar geen politicus durft zijn vingers te branden aan een hervorming, zelfs niet nu Japans hoogste rechter het kiesstelsel onwettig heeft verklaard.
Bovendien worden alle Japanse partijen verscheurd door interne verdeeldheid. The Nikkei Weekly beklaagde zich vorige maand op zijn voorpagina openlijk over deze chaos in de politiek. Elke grote Japanse partij is in een staat van oorlog met zichzelf, stelt het weekblad, en niet één lukt het om zich achter een gemeenschappelijk ideaal te scharen: 'Zeggen dat het publiek de politiek wantrouwt is een understatement. We koersen regelrecht af op een politieke ramp.’
Het politieke onvermogen werd pijnlijk opengelegd door de ramp van vorig jaar. Terwijl in Tohoku mensen en reddingswerkers vochten voor hun eigen of andermans leven faalden politici om een regering van nationale eenheid van de grond te krijgen en brachten bitter weinig politici een bezoek aan het getroffen noorden. En dat begint een populistische tegenreactie op te roepen. In Osaka en Nagoya, de derde en vierde stad van Japan, werden in het afgelopen jaar populistische burgemeesters op het schild gehesen die van leer trokken tegen de centrale overheid. Zij zoeken nu, samen met andere populisten, zoals de aartsconservatieve burgemeester van Tokio, de aanval op de landelijke partijen. Een aantal ideeën van deze politici is fris, maar de kans dat de populisten van Japan weer een dynamisch, open land kunnen maken is bijzonder klein.

IN ECONOMISCH opzicht is het plaatje even somber. Voor het eerst in dertig jaar noteerde Japan vorig jaar een tekort op de handelsbalans, een tekort van vijftien miljard euro per maand, in januari. Natuurlijk zijn hiervoor externe oorzaken aan te wijzen: de tsunami spoelde een deel van de productiecapaciteit weg, door sluiting van kerncentrales moeten fossiele brandstoffen duur ingekocht worden, de zwakke dollar en euro maken de yen sterk, wat slecht is voor de export. Maar het handelstekort toont ook dieper liggende oorzaken van een tanende economie.
Het probleem van Japanse bedrijven is simpel, stelde The Economist in een artikel medio februari: te veel bedrijven zijn te groot en te weinig gespecialiseerd. Er is dus grote overlap tussen de bedrijven - erg inefficiënt. Bovendien blijven ze actief in markten waar ze verlies draaien. Gevolg: de winst van de ene divisie wordt gebruikt om het bloeden van de andere te stelpen. Dat is onhoudbaar. Kredietbeoordelaar Fitch verlaagde onlangs de schulden van Panasonic en Sony tot net boven junkstatus. Het nog steeds machtige ministerie METI probeert het tij te keren door samenwerking tussen grote bedrijven af te dwingen. Sony, Toshiba en Hitachi vormden afgelopen herfst gezamenlijk een lcd-divisie, Japan Display, dat de concurrentie met het Koreaanse Samsung aan moet gaan. Maar het heeft iets weg van een stervend dier in beweging proberen te slaan.
'De twee grootste problemen van Japan zijn conservatisme en lafheid’, stelt Tadashi Yanai van textielfabrikant Uniqlo onomwonden in een telefonisch gesprek. 'De Japanners willen stabiliteit, gemoedsrust en veiligheid. Maar de wereld blijft veranderen. Terwijl andere landen op de toekomst focussen, blijft Japan in de achteruitkijkspiegel kijken.’
Uniqlo is een dynamisch en innovatief bedrijf dat het consequent goed doet in onafhankelijke bedrijfsanalyses. Japan heeft die bedrijven best, maar het probleem is dat zij geen steun krijgen van de gevestigde machten en zelfs een slecht imago hebben. Het succes van dergelijke bedrijven, naast Uniqlo bijvoorbeeld ook Softbank en Rakuten, ligt er deels in dat zij weinig op hebben met het traditionele Japanse bedrijfsmodel. Maar dat maakt hen noodgedwongen tot vijanden en critici van het bestaande bestel.
Masayoshi Son van telecombedrijf Softbank hekelt net als zijn collega van Uniqlo de achteruit gerichte blik die in de gevestigde Japanse instituties overheerst: 'Ik hoor nog steeds heel veel leiders praten over het maken van producten. Het beeld dat zij voor ogen hebben is nog steeds dat van grote fabrieken met assemblagelijnen en arbeiders die bouten en moeren aandraaien. Maar bouten en moeren zijn Japans verleden, niet de toekomst.’ Dat is geen welkome boodschap. Maar je hoeft in Japan niet eens openlijk kritisch te zijn om in een slecht daglicht te komen staan. Want dynamische, onafhankelijke ondernemers worden in Japan automatisch gewantrouwd, stelt Son. 'De media zijn grote bedrijven als Toyota of Sony altijd gunstig gezind. Anders dan in de VS worden succesvolle jonge ondernemers niet geprezen maar gehoond.’
De negatieve rol van de Japanse media kwam afgelopen jaar pregnant naar voren in het Olympus-schandaal. In oktober vorig jaar werd de Brit Michael Woodford bestuursvoorzitter van de cameraproducent en werd twee weken later prompt ontslagen. Vanwege zijn 'onvermogen om de Japanse bedrijfscultuur te begrijpen’, aldus Olympus. Omdat hij onderzoek wilde doen naar een reusachtige zwendel binnen het bedrijf, zei Woodford, waarbij Olympus jarenlang miljarden aan verliezen had verzwegen en daar een gigantisch, met de georganiseerde misdaad verweven web omheen had gesponnen.
Geen blad durfde het schandaal aanvankelijk aan de kaak te stellen. 'Verstrengeling van belangen is het grote probleem in Japan, en de gevestigde pers is daar net zo goed in verwikkeld’, zegt Shigeo Abe van Facta, een klein onafhankelijk blad dat de deksel van de beerput rukte. Toen het schandaal in zijn volle omvang bekend werd (Woodford had natuurlijk gelijk) bleven Japanse grootaandeelhouders stil, tot Woodfords verbijstering. Alleen een belangengroep voor kleine beleggers en marginale bladen als Facta zijn bereid in het schandaal te roeren. Zij zien het als een gevolg van een bedrijfscultuur waarin topmannen hun opvolgers benoemen, onafhankelijke commissarissen en bestuursleden niet bestaan, waar absolute loyaliteit aan de superieur de belangrijkste eigenschap voor een carrière is en waar de media aan de leiband lopen.

ACHTER DE ONKREUKBARE façade van het moderne Japan gaat dus veel onvermogen, ongeziene corruptie en vriendjespolitiek schuil. En bij de burgers heerst daarover veel woede, onder een masker van gezagsgetrouwheid en berusting. Het ligt voor de hand dat de meeste woede zich richt tegen Tepco, de eigenaar van de kerncentrale die een meltdown had. Maar de woede keert zich in toenemende mate tegen de overheid. De geschiedenis van de nucleaire industrie in Japan is immers een schoolvoorbeeld van hoe politiek, bureaucratie en bedrijfsleven jarenlang in een ijzeren driehoek samenwerken.
De combinatie van een overheidsobsessie met economische groei, Japans gebrek aan grondstoffen en de behoefte aan een stabiele energievoorziening, maakte nucleaire energie een logische keuze. METI zette uiteraard de lijnen uit en werkte daarbij samen met industriële grootmachten als Hitachi en Mitsubishi. METI deed ook het toezicht op de veiligheid, terwijl gouverneurs ervoor zorgden dat er flink wat geld vloeide naar de provincies waar centrales kwamen. Er ontstond zo een belangengroep rond nucleaire energie, een hechte ons-kent-ons-club, die baantjes binnen de nucleaire industrie, wetenschap en bureaucratie verdeelde onder een kleine groep gelijkgestemden. Het gevolg: ondeugdelijke risicoanalyses, ernstig tekortschietende veiligheidsvoorschriften en het willens en wetens negeren van mankementen.
'Mensen die rond kerncentrales wonen, worden gewoon opgeofferd’, vertelt Katsunoba Onda, een freelance journalist die al 35 jaar onderzoek doet naar kerncentrales, tijdens een bijeenkomst met buitenlandse journalisten. 'Bij geen enkele Japanse centrale waar ik geweest ben heb ik het gevoel gehad dat mensen zich bewust waren van potentiële risico’s of gevaren, laat staan dat er serieus over aardbevingen werd nagedacht.’
De publieke onvrede stimuleert actie onder de ontevreden burgers. Daniel Aldrich, een socioloog van Purdue University, doet intensief onderzoek naar de opkomst van de civil society in Japan. Het vertrouwen in de Japanse overheid neemt al langer af, legt hij uit in een interview per e-mail. Al jaren groeit het wantrouwen het hardst op het gebied van nucleaire energie. 'De ramp van 11 maart kan wel eens de druppel zijn die de emmer deed overlopen’, stelt Aldrich. 'Er waren massademonstraties en pogingen om referenda te houden. Waar de Japanse civil society lang als slaperig of niet-agressief werd gezien, heeft de ramp mensen over het hele spectrum gemobiliseerd. Meer dan een half miljoen vrijwilligers zijn afgereisd om de getroffen gebieden te helpen. Er zijn burgerinitiatieven zoals Safecast, een website waarop burgers stralingsdata uploaden en waarop al meer dan 2,5 miljoen stralingsgegevens staan.’
De website is na de ramp opgestart door Joichi Ito, directeur van het MIT-medialab in Boston, en de Nederlander Pieter Franken, die al twintig jaar in Tokio woont. Franken: 'We zijn allebei een groot voorstander van vrij dataverkeer en wilden stralingsgegevens online zetten. Maar we kwamen erachter dat er eigenlijk nauwelijks gegevens beschikbaar waren. Vrijwilligers verzamelen nu zelf data met het systeem dat we ontwikkeld hebben, een soort lunchbox die je boven op je auto zet en die alle gegevens doorstuurt naar de site.’
Aanvankelijk bestond de groep vrijwilligers die de apparatuur ontwikkelde vooral uit buitenlanders. 'De overheid zei direct na de ramp dat mensen beter niet zelf konden gaan meten. En veel Japanners gaven gehoor aan die oproep. Maar de data van de overheid zijn zo weinig accuraat dat ze, mild uitgedrukt, onbruikbaar en krachtig uitgedrukt misleidend zijn. Toen de zorgen rond de centrale aanhielden tot in de zomer, hebben veel Japanners ook op allerlei andere manieren naar betrouwbare data gezocht.’
Het succes van Safecast ondergraaft het idee dat Japanners altijd gezagsgetrouw blijven. Ook andere aannames over de Japanse cultuur zijn vaak overdreven of ingebeeld. Zoals het idee dat Japanners een 'intrinsieke’ weerstand tegen verandering zouden hebben. Veel analisten menen dat die mythe pertinent onwaar is. Zoals Carlos Ghosn, de Braziliaans-Libanees-Franse CEO van Nissan. Hij klaarde de onmogelijk lijkende klus om Nissan van de ondergang te redden. Volgens Ghosn kun je 'elke mogelijke verandering in een Japans bedrijf doorvoeren als je het maar helder uit kunt leggen en laat zien dat het betekenisvol is voor de mensen zelf’. Dat geldt ongetwijfeld ook voor Japan. Maar dan zal het wel leiders moeten hebben die een helder idee hebben waar het land heen moet, die het belang daarvan kunnen uitleggen én die daarna ook doorzetten als de ijsberg van gevestigde belangen opdoemt.