Rampen na de rampen

IN EEN UITZONDERLIJK uitgebreide en degelijke evaluatie van de noodhulp na de tsunami in 2004 concludeerde de Tsunami Evaluation Coalition (TEC) dat de internationale gemeenschap na een ramp telkens weer in groten getale neerstrijkt en vervolgens op een ongeorganiseerde en matig gecoördineerde manier hulp verstrekt, met een grote mate van verspilling en ineffectiviteit als gevolg. Noodhulp is arbitrair, de kwaliteit matig en lokale capaciteit wordt onderschat en onvoldoende gebruikt. De TEC schrijft eigenlijk met zoveel woorden: hou nou eens op met z'n allen achter rampen aan te lopen.
In de praktijk komt daar helaas weinig van terecht. Het begint bij het gebrek aan zelfreflectie van de Samenwerkende Hulporganisaties (SHO). Ze maken rapportages van de hulp, maar om het draagvlak niet te ondermijnen zijn die opmerkelijk positief. Om niet te zeggen onbetrouwbaar. Over de tsunami schrijven ze dat door de Nederlandse hulp ‘drie miljoen mensen weer een dak boven hun hoofd hebben, in hun onderhoud kunnen voorzien, en konden genieten van gezondheidszorg, scholen, voedsel en schoon drinkwater’. Dat is nogal wat. Slechts in één zin wordt gezegd dat er 'lessen getrokken’ zijn uit de 'knelpunten’.
Is dat zo, ten aanzien van Pakistan? Een grote ramp - miljoenen mensen dakloos - beweegt de SHO logischerwijs tot actie. Het is hun bestaansrecht. Maar de hulporganisaties zouden zich moeten afvragen wat ze werkelijk kunnen doen, gegeven de omstandigheden. Wat kan Kerk in Actie eigenlijk betekenen in Pakistan?
Ten eerste is de hulp een druppel op een gloeiende plaat. Pakistan krijgt nu al jaarlijks bijna tien miljard (!) dollar aan hulp, als trouwe bondgenoot tegen het fundamentalisme. Dat geld word afgeroomd, komt terecht bij de elite en wordt nauwelijks besteed aan scholen, gezondheidzorg of bescherming van de middenstand. Het merendeel gaat naar kernwapens en het leger (dertig procent erbij, in 2009).
Ten tweede zou de les van de tsunami moeten zijn dat multilaterale organisaties voorrang hebben, bij dit soort rampen. De Wereldbank paste direct zevenhonderd miljoen aan leningen aan, gericht op herstel. De VN coördineren al 350 miljoen. De EU geeft zeventig miljoen. Wat moet die zestien miljoen verdeeld over tien SHO-deelnemers daaraan toevoegen, op een 'gecoördineerde’ manier?
Tot slot is er de illusie van toegang en effectiviteit. Dat is in Indonesië na een tsunami al lastig, in Birma na een overstroming nog moeilijker, maar in het noorden en westen van Pakistan onmogelijk. Het leger heeft er al geen gezag, Pakistaanse medewerkers van hulporganisaties riskeren hun leven, laat staan dat westerse hulpverleners er kunnen werken. De SHO kan het geld overboeken naar een lokale organisatie, maar moet het dan stellen zonder enig toezicht.
De SHO heeft statutair tot doel 'zoveel mogelijk steun en fondsen te werven’. Maar als de organisatie werkelijk lessen uit het verleden zou trekken en draagvlak in stand wil houden, dan moet vooraf worden afgewogen of het geld wel effectief kan worden besteed.