Alleen op papier zijn de tsunamilanden geholpen

Ramphulp

Nederlandse hulporganisaties haalden na de tsunami in Azië meer dan tweehonderd miljoen euro op. Op papier verloopt de hulpverlening voorspoedig. In de praktijk blijkt het beeld minder gunstig.

Zes maanden nadat de Aziatische kustlijn achtereenvolgens door een vloedgolf, een sympathiegolf en een geldgolf werd overspoeld, is het nog steeds niet goed mogelijk de aard en omvang van de ramp vast te stellen. Hetzelfde geldt voor het effect van de hulpverlening, dat zoals bekend niet altijd van de oorspronkelijke ramp te onderscheiden is.

De totale verwoesting door de overstromingen van tweede kerstdag 2004 is moeilijk te schatten omdat deze toesloegen op een kuststrook van tienduizenden kilometers die zich uitstrekt van het noorden van Sumatra (Atjeh) tot Somalië en bovendien honderden grote en kleine eilanden omvat. Het ontbrak de landen rond de Indische Oceaan niet alleen aan een seismisch waarschuwingssysteem (dat in middels met westerse hulp wel is geïnstalleerd) maar ook aan de moderne bureaucratie die overheden en hulpverleners in staat stelt de schade, de hulpbehoefte en de effectiviteit van de hulp per regio vast te stellen.

Derhalve zijn we nog niet veel verder dan de schatting die VN-coördinator Jan Egeland gaf op 13 januari van dit jaar, de eerste dag waarop de ramp niet langer de voorpagina van The New York Times en de opening van de Amerikaanse tv-journaals haalde. In twaalf getroffen landen waren in totaal 150.000 doden gevallen terwijl nog eens tienduizenden werden vermist. Meer dan een miljoen mensen waren al hun bezittingen kwijt en in de meeste gevallen ook hun broodwinning. Daar stonden meer dan 150.000 hulpverleners tegenover, met andere woorden: een hulpverlener per dode. Alleen al op Banda Atjeh werkten op dat moment meer dan achtduizend hulpverleners, waar er voorheen slechts acht geregistreerd waren. In totaal waren er zoveel ngo’s actief, aldus Egeland, dat ze alleen al door hun aantal problemen veroorzaakten.

Medium 25tsunami

Het is dan ook met geen mogelijkheid vast te stellen of de meer dan tweehonderd miljoen euro die door de gezamenlijke Nederlandse hulporganisaties onder het motto «Actie Aardbeving Azië» op gironummer 555 werd bijeengebracht verantwoord wordt besteed.
Hier in Nederland, uitgeschreven op geduldig papier, staat de hulpverlening er ouder gewoonte piekfijn bij. Volgens de Samen werkende Hulp Organisaties (SHO), een koepel waarin de negen grootste organisaties zijn verenigd, is van het totale aardbevingsgeld inmiddels 86 miljoen toegezegd aan noodhulp- en wederopbouwprojecten in de regio, waarvan 47 miljoen daadwerkelijk zou zijn uitgekeerd.

Afgezien van de negen deelnemende organisaties – die bijdragen uit de pot ontvangen volgens een verdeelsleutel op basis van hun «draagvlak» – hebben nog eens acht gastorganisaties geld gekregen op projectbasis. Door die acht worden dan weer 39 Nederlandse «projectpartnerorganisaties» ter plaatse on dersteund, uiteenlopend van de Stichting Howu-Howu (prot.-chr.) tot de oer-roomse Actie voor Zuster Madeleine, die overigens ook ruimhartig wordt ondersteund door de carnavalsvereniging Papgat te Sint-Oeden rode. Al met al werken momenteel 56 Nederlandse hulporganisaties met het geld van Giro 555.

De eerste twijfels over de besteding van het hulpgeld rezen door een uitzending van het consumentenprogramma Radar op 9 mei, waarin werd gemeld dat een aantal Nederlandse projecten in Zuid-Sri Lanka in het geheel niet bestond of althans ter plekke onbekend was. Het tv-programma had zich niet laten gidsen door de hulporganisaties, maar was zelfstandig op onderzoek uitgegaan. Anders dan de organisaties Cordaid en Terre des Hommes hadden gerapporteerd, bleken vissersboten niet gekocht, scholen niet gebouwd en ziekenhuizen niet gerenoveerd te zijn. De woordvoerders van de organisaties spraken van «misverstanden» en de SHO liet in een officiële reactie weten dat het programma met de «verkeerde mensen» had gesproken.

Zo ontstaat de indruk dat de Nederlandse ngo’s vooral zichzelf aan het werk houden. In de uitzending luchtte de Srilankaanse arts Prasad, die zelf met kunst en vliegwerk een bescheiden kliniek overeind houdt, zijn hart over hun werkwijze: «De gevoelens van de gevers van al dat geld waren oprecht. De bedoelingen van de ngo’s zijn ongetwijfeld ook goed en ze zouden hier uitstekend werk kunnen doen. Maar dat doen ze niet. Ze zijn overbodig. Ik weet niet eens of het geld hier wel is aangekomen. Het is misschien wel aan de ngo’s gegeven, maar het heeft de mensen op straat nooit bereikt. Die leven nog steeds als bedelaars.»

In zijn tweede driemaandelijkse tussen rapportage meldde de SHO afgelopen vrijdag wederom succes op alle fronten, maar er ontbreken twee wezenlijke elementen in die rapportage. In de eerste plaats is het stuk geschreven op basis van de verslaglegging van de deelnemende organisaties zelf, niet van onafhankelijke waarnemers. Die onafhankelijke evaluaties komen nog, bezweert Jacques Willemse, SHO-voorzitter en adviseur noodhulp van Kerkinactie. Willemse: «Er lopen nu 64 evaluaties van tsunamiprojecten en die worden allemaal verricht door onafhankelijke waarnemers, door de VN, door rekenkamers, enzovoort. Maar die evaluaties gaan niet uit van de SHO of Giro 555; wij zijn slechts een uitvoerende organisatie. Voor de evaluatie van zijn projecten valt elke deelnemende organisatie terug op zijn eigen internationale netwerk.»

Ten tweede ontbreekt er een duidelijke visie op de besteding van het totale bedrag. Nu er zoveel geld is binnengebracht, zouden de hulporganisaties kunnen overwegen eens iets bijzonders te doen door hun hulp op één getroffen gebied of economische sector te concentreren. Dat hebben ze ook overwogen, zegt Willemse, maar door de versnippering van de organisaties is het formuleren van zo’n strategie ondoenlijk. Willemse: «De visie die je op hulpverlening hebt, hangt af van het netwerk waarin je zit. De ene organisatie concentreert zich op noodhulp, de andere op rehabilitatie, de derde op kinderen. De situatie is per land ook nog eens verschillend. Economische contexten verschillen en op Sri Lanka heb je ook nog eens te maken met een langlopend nationaal conflict waarin het moeilijk opereren is. Daarnaast heeft bijna elke organisatie zijn aandachts gebied. Mijn organisatie Kerkinactie bijvoorbeeld heeft vanouds goede banden met Atjeh en legt zich daarom toe op die regio. En uiteindelijk zijn die tweehonderd miljoen Nederlandse euro’s maar een druppeltje in de grote zee van hulp. Het totaal toegezegde bedrag staat meen ik op ongeveer vijf miljard, al moet je maar afwachten wat daarvan daadwerkelijk binnenkomt. Dat wordt allemaal besteed door internationale organisaties waarvan onze leden maar een onderdeeltje zijn.»

Van slechte publiciteit zoals de Radar- uitzending ligt Willemse naar eigen zeggen dan ook niet wakker, «maar wel van de gedachte aan wat er op de grond allemaal mis kan gaan nu er zoveel organisaties naast en door elkaar heen werken». In het ergste geval heeft de hulpverlening, louter door zijn financiële en maatschappelijke impact op het ontvangende land, ongewenste politieke gevolgen. Het oervoorbeeld van de politiek ontwrichtende uitwerking van hulp is de inzamelingsactie die popster Bob Geldof in 1984 met zijn Band Aid hield ten behoeve van de honger lijdende bevolking van Ethiopië. De Franse nouveau philosophes André Glucksmann en Thierry Wolton schreven daarover toen een akelig maar noodzakelijk boek, Silence, on tue, waarin zij het averechtse effect ervan aan de kaak stelden. Het verscheen pas in 1986, toen het grote publiek zich al door Do They Know It’s Christmas in slaap had laten sussen en de inmiddels geridderde Geldof keurde het nimmer een reactie waardig. Dat neemt niet weg dat bijna twintig jaar later de conclusie van Glucksmann en Wolton nog altijd overeind staat: het geld van Band Aid diende voornamelijk om het concentratiekampstelsel van de Ethiopische dictator Meghistu Haile Mariam in stand te houden.

Tegenover de retoriek van de professionele inzamelaars en hulpverleners staat de verfrissende kijk van echte vrijwilligers, zoals Frank van den Hoek (41), werkzaam in de verslavingszorg en vader van drie kinderen. Hij vertrok in een spontane opwelling samen met zijn broer en collega’s naar een zwaar getroffen gebied dat één van hen reeds kende van eerdere bezoeken: de Zuid-Srilankaanse stad Galle. Die was getroffen door een zogeheten refractie van de vloedgolf, een terugslag die ontstond doordat de golf zich rond het eiland stulpte en zodoende een grotere snelheid ontwikkelde. In de regio waren vierduizend mensen om het leven gekomen, terwijl de materiële schade enorm was.

De groep reisde op 5 januari af met vijftig dozen vol speelgoed, pleisters en andere spullen. Hun vlucht werd bekostigd met geld dat hun vrienden binnen de kortste keren bijeenbrachten. Bijna een hele maand werkten ze in tientallen opvangkampen samen met Srilankanen van de medische faculteit in Galle die precies wisten welke hulp op welke plek nodig was. Van den Hoek: «We hadden een taakverdeling, waarbij wij de wonden verzorgden en werkten aan de hygiëne van drinkwater, keukens en toiletten. Dat verliep uitstekend, al maakten we aanvankelijk de fout ons over de kop te werken. De grote hulporganisaties zagen we alleen maar rijden op de weg, in de kampen zijn we die niet tegengekomen. De eerste noodhulp in de kampen kwam van particulieren, niet van het Rode Kruis. Als je het mij vraagt, hadden we dat hulpgeld gewoon in handen moeten geven van de getroffenen zelf. Dan was het tenminste beland bij de mensen die er recht op hebben.»