Film: Oscar-winnaar Tsotsi van Gavid Hood

Rampspoed en romantiek

Oscar-winnaar Tsotsi van Gavid Hood verbeeldt op energieke wijze de taal en cultuur van de straat in Zuid-Afrika. Toch is het een problematische film, die de werkelijkheid met een laagje suiker lijkt te willen bedekken.

De legendarische Johannesburgse buitenwijk Sophiatown is als een schaduw aanwezig in de nieuwe film Tsotsi van de Zuid-Afrikaan Gavid Hood, winnaar van de Oscar voor de beste buitenlandse film. Tsotsi is namelijk gebaseerd op Athol Fugards gelijknamige korte roman uit 1980. In die roman speelt het verhaal zich eind jaren vijftig af, ten tijde van de vernietiging van Sophiatown door het apartheidsregime. Onheil kwam naar Sophiatown in de tijd van de regering van premier D.F. Malan, super-Afrikaner en nationalist in hart en nieren. Hij begon in 1948 met het leggen van de fundamenten van de apartheid. Eén daarvan heette de groepsgebiedenwet, volgens welke mensen uit verschillende bevolkingsgroepen niet konden wonen en werken waar zij wilden. De wet mondde in februari 1955 uit in de komst van bulldozers naar Sophiatown. De huisjes van de zwarte inwoners werden met de grond gelijk gemaakt. In de plaats daarvan kwamen goedkope woningen, exclusief voor de witten. En een nieuwe naam: Triomf. De ironie was groot, want de vernietiging van Sophiatown was een tragedie. De oorspronkelijke inwoners werden gedwongen te verhuizen naar een nabijgelegen township, Meadowlands. Daarmee verdween ook de magie van Sophiatown, een voorstad die de anti-apartheidsstrijder Trevor Huddleston, die er woonde en werkte, ooit als volgt omschreef: «Soms, kijkend naar Sophiatown, verbeeldde ik me dat ik een Italiaans stadje zag, ergens in Umbrië. En in het avondlicht, door de blauwgrijze waas van rokende schoorstenen heen, tegen de achtergrond van een lucht van saffraan, zag je de dicht op elkaar gebouwde huisjes met de rode daken (…). Je zag kleurvol aangeklede groepjes mensen op en neer lopen in de heuvelachtige straatjes. En ’s avonds, tegen de vroege Zuid-Afrikaanse zonsondergang, was er weinig gettoachtig aan Sophiatown.»

De romantiek van Sophiatown heeft door de jaren heen legendarische vormen aangenomen. De woonbuurt vormde een bron van inspiratie voor schrijvers, kunstenaars, politieke activisten en ook voor de pioniers van de «township jazz», bijvoorbeeld de African Jazz Pioneers. De rage was een nieuw soort muziek, de Tsaba-tsaba, een combinatie van Amerikaanse swing en melodieën. Al deze dingen fuseerden met elkaar in Sophiatown. De naam van de bioscoop was Odin Cinema. En het verhaal gaat dat de Odin in de jaren veertig en vijftig een centrale plaats innam in het leven van de inwoners van Sophiatown. Huddleston ging bijvoorbeeld ook naar de Odin Cinema, maar niet om films te kijken. In de Odin deelde hij het podium met de strijders van het anc, onder wie Nelson Mandela.

Dat was ook de tijd van de Amakwaito, oftewel groepen gangsters die in de jaren vijftig de straten van Sophiatown controleerden. «Amakwaito» stamt van het Afrikaanstalige woord «kwaai» (of «kwaad» in het Nederlands), dat zowel «boos» als «cool» kan betekenen. De Amakwaito waren vroege vormen van tsotsi’s, een verbastering van het Sotho-woord «tsotsa», dat betekent «om je uitbundig te kleden». Dat deden de Amakwaito, want net als alle gangsters hadden zij hun eigen, strikte codes. En de kiem van deze codes, zo gaat het verhaal, werd gelegd in de Odin Cinema, waar oude films van beroemde «gangsters» als Humphrey Bogart, James Cagney en Edward G. Robinson razend populair waren. Maar niemand was populairder dan «Stiles», oftewel Richard Widmark,
die nergens een grotere filmster was dan in Sophiatown. De reden: zijn rol als Alec Stiles in de klassieke noir-gangsterfilm The Street with No Name (1948) van William Keighley. Wanneer deze film in de Odin draaide, zat de zaal volgepakt met tsotsi’s. En iedere keer als de fbi-helden op het scherm verschenen, maakten de tsotsi’s hun afkeur luid duidelijk met boegeroep. Maar wanneer Stiles verscheen, cool gekleed, net als zij, gingen de tsotsi’s uit hun dak. Zij riepen dan: «Stiles! Stiles! Do it, Stiles!»

Ondanks deze boeiende achtergrond heeft Hood ervoor gekozen het verhaal in zijn film te verplaatsen naar het Zuid-Afrika van nu. De negentienjarige Tsotsi (Presley Chweneyagae) is een gangster die in een sloppenwijk bij Johannesburg woont. Hij is de leider van een bende. De leden: Boston (Mothusi Magano), Butcher (Zenzo Ngqobe) en de domme Aap (Kenneth Nkosi). De gang schuwt moord en doodslag niet om aan geld te komen. Op een avond gaat Tsotsi naar een straat in een chique woonbuurt in Johannesburg. Daar steelt hij de auto van een rijk echtpaar, met, blijkt dan, een baby op de achterbank. Tsotsi besluit de baby mee te nemen naar huis. De reden waarom hij dat doet, raakt het hoofdthema van de film: het zoeken naar en de onmogelijkheid van on-schuld in Zuid-Afrika.

Hoods film bruist van energie. Taal en muziek staan centraal. De film is geheel opgenomen in de tsotsi-taal, een prachtig, poëtisch patois dat bestaat uit flarden Afrikaans (en dus ook Nederlands), Engels, Zoeloe, Tswana, Sotho en Xhosa. Het is een levende taal, met wortels in de goudmijnen van Johannesburg omstreeks 1886 en later ook in de straten van Sophiatown, waar de gangsters de taal nog swingender maakten. Voorbeelden: ambaag (ambacht), bhaya (kopen), entlek (eigenlijk), heita (hallo), kholi (fris), oorkant (overkant, overzee) en sixty (problemen). Als verlengde hiervan klinkt constant kwaito-muziek. Kwaito, een verbastering van het Afrikaanse «kwaai», is moderne muziek die eind jaren negentig in Johannesburg populair werd. De stijl heeft een housebeat als basis. In de laatste jaren heeft kwaito zich als een soort Afrika-versie van hiphop ontwikkeld, dat wil zeggen een muziekgenre dat stedelijke leefstijlen weerspiegelt en waarin politieke en sociale motieven zijn verwerkt.

Tsotsi maakt deel uit van een opleving in de Zuid-Afrikaanse cinema, waarin de apartheidsgeschiedenis steeds meer slechts als achtergrond aanwezig is. Ook nieuw is de wijze waarop de township een centrale plaats inneemt, niet als plaats van angst, maar als kleurrijke, levendige woonomgeving. De vraag rijst: is dit een reflectie van de werkelijkheid? Of een droombeeld?

Johannesburg, 2006. In het centrum vergaderen Britse diplomaten en leden van de National Hijacking Prevention Academy, een overlegorgaan dat zich toelegt op het voorkomen van carjacking, een geweldsmisdrijf waarbij gangsters, tsotsi’s dus, automobilisten op straat overvallen en met de auto ervandoor gaan. Volgens een bericht in The Guardian luidt een tip van de Academy: «Wanneer u op het punt staat te worden beschoten, draait u zich dan naar uw zijkant, zodat u een kleiner doel vormt. Keer uw aanvaller niet de rug toe, aangezien de voorzijde van uw lichaam meer botten bevat die uw organen zouden kunnen beschermen.»

Voor deze «techniek» heeft de vrouw die in Tsotsi het slachtoffer wordt van de carjacking door Tsotsi, geen tijd. Dat kan ook niet, want zij is op dat moment gek van angst, omdat haar baby op de achterbank in zijn stoeltje ligt. En dus gebeurt het: zij krijgt een kogel in haar buik en Tsotsi scheurt weg, richting sloppenwijken. Daar, in zijn aftandse huisje van golfplaat, kijkt hij verwonderd naar de baby. Langzaam beginnen de gruwelijke feiten van zijn eigen jeugd in de vertelling door te sijpelen: moeder stierf aan aids, vader was een dronken tiran, waarna Tsotsi wegliep van huis, op straat opgroeide, beter gezegd in het open veld, waar de enige vorm van onderdak een grote, kale rioolpijp was. Tsotsi had met andere woorden geen leven als kind. Hij was nooit onschuldig, letterlijk en figuurlijk. En op latere leeftijd was hij nooit «niet schuldig» aan de een of andere misdaad. Daarom is hij wat hij is.

De hele film is gebouwd op zijn dromen van onschuld, zijn zucht naar iets wat hij nooit had, en ook nooit zou krijgen, iets wat misschien geen mens in Zuid-Afrika ooit had, ooit echt had, en dat is onschuld.

Dat de regisseur Tsotsi ondanks zijn gewelddadige karakter – hij is een killer – afschildert als een sympathiek personage, maakt de film problematisch. Tsotsi verbeeldt een deel van Zuid-Afrika dat lang onderbelicht is gebleven in de culturele hoofdstroom, namelijk de taal en cultuur van de straat. En toch, de kijker kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de film als een laagje suiker over de werkelijkheid heen ligt. Wie de Zuid-Afrikaanse kranten dagelijks leest, huivert om de niet-aflatende stroom van berichten over carjackings en overvallen waarbij kinderen vaak slachtoffers zijn, en over moord en verkrachting, die aan de orde van de dag zijn. Aan de andere kant, het is een verademing om Johannesburg en omstreken in Tsotsi nu eens niet alleen maar op negatieve wijze in beeld te zien. Ja, het is een plek van groot onheil, deze stad, maar ook van onuitsprekelijke schoonheid en vitaliteit – hier kan geen mens omheen die ooit in Johannesburg is geweest.

Zo is er in het leven van Tsotsi precies dezelfde tegenstelling die inherent is aan Johannesburg, het oude Sophiatown, en misschien ook Zuid-Afrika als land. Sophiatown was een mix van rampspoed en romantiek. De Amakwaito waren mooie figuren, maar zij waren wel boeven, antihelden, net als Stiles in The Street with No Name en net als Tsotsi en zijn vrienden in Tsotsi. In hoeverre is het dan legitiem om een film te maken waarin Tsotsi, zijn vrienden en hun omgeving druipen van sensualiteit? Ze zijn schitterend gefotografeerd in Panavision en de beelden zijn mooi gemonteerd op de maat van de kwaito-muziek. Zelfs de straatkinderen in de sloppenwijk waar Tsotsi woont, stralen «cool» uit. Op dit punt steekt de film slecht af bij Fernando Meirrelles’ magnifieke gangsterfilm Cidade de Deus (2002), waarin realisme en fantasie en stijl en geweld hand in hand gaan zonder een zweem van suiker of sentimentaliteit. Tsotsi en de anderen daarentegen, zijn aantrekkelijke jongens en ze kleden zich hip, met veel zwart leer en gouden kettingen. Ze zouden niet misstaan in een film van Quentin Tarantino of Spike Lee of in een hiphopvideo van The Neptunes, te meer nu ze over de hele wereld bekend zijn geworden dankzij het succes van de film waarin zij spelen.

Tsotsi, hoe hip ook, is een tragische figuur. Dat blijkt ook in de laatste scène wanneer hij oog in oog komt te staan met politieagenten die achter hem aan zitten. Zonder te veel prijs te geven over hoe de film eindigt: de agenten richten hun pistolen op hem en Tsotsi draait zich om met zijn handen omhoog. Maar het is geen overgave, zo suggereert regisseur Hood met een laag camerastandpunt dat de tsotsi iets triomfantelijks geeft. En dan? Dan barst de kwaito los.