Opera

Rampzalige Verdi’s

Opera: Boccanegra; I due Foscari

Opera’s van Verdi horen in Nederland (helaas) niet tot het repertoire van alledag. Je moet vaak lang wachten om zelfs de blockbusters (Aida, Traviata, Rigoletto of Trovatore) tegen het lijf te lopen. Het lijkt er wel eens op dat Nederlandse intendanten bang zijn voor de explosieve passie en de zuidelijke heftigheid van Verdi’s muziektheater. Des te verrassender dus dat direct na elkaar twee Verdi-opera’s te zien waren: Simon Boccanegra bij De Nederlandse Opera in Amsterdam, en I due Foscari bij de Reisopera. Beide zijn vroege werken van de componist, beide hebben een Doge als titelfiguur – de een regeert in Genua (Boccanegra), de ander in Venetië (Foscari). In beide gevallen gaat het om macht, intrige, wraak en de liefde tussen vader en zoon, kortom, typische thema’s voor het Italiaanse melodrama uit de negentiende eeuw. In beide gevallen zijn er een charismatische bariton, tenor en sopraan nodig om Verdi’s stereotiepe karakters en nobele zanglijnen leven in te blazen en bovendien een regisseur die het hoge pathos van de verdiaanse operakunst overtuigend kan overbrengen op zijn zangers en op het publiek.

Dit proces van overbrengen is bij dno en de Reisopera grondig fout gegaan. In Amsterdam engageerde men na vijftien jaren afwezigheid Peter Mussbach weer eens als regisseur. Dat was weliswaar goed voor de pr van het gezelschap in Duitsland en ook goed voor Pierre Audi’s netwerk (Mussbach is intendant van de Berlijnse Staatsoper), maar voor Verdi was het desastreus. Het werd bij de première – voor Amsterdamse verhoudingen hoogst ongewoon – ongekend heftig weggehoond. Terecht.

Walgend over zo’n compleet gebrek aan scenische ideeën bleven de ten dele goede zangers (Roberto Scandiuzzi als Fiesco en Andrzej Dobber als de titelheld) en dirigent Ingo Metzmacher ver onder hun niveau. Ze lieten alleen Verdi’s muziek heel af en toe fonkelen. Een finaal gemiste kans.

Bij de Foscari-_première in Enschede werd weliswaar geen boe geroepen, maar wat onder leiding van Monique Wagemakers op de bühne van de Reisopera plaatsvond had meer te maken met een provinciale opvoering van _A Chorus Line dan met Verdi’s wereldtheater. Lachwekkende gebaren, steriel showlopen door het koor, onbeholpen karakterregie en ook nog een stiervervelend «arrangeren» van de (mooi gekostumeerde) zangers. De dirigent en het Gelders Orkest toonden tenminste nog enig gevoel voor Verdi’s grootsheid. De bloedjonge Vasily Petrenko (1976) dirigeerde met adembenemend brio, waaraan op het toneel door de excellente tenor John Hudson en de een tikje boven haar macht werkende sopraan Oxana Shilova een heel eind tegemoetgekomen werd – als zangers, niet als acteurs. Daarnaast was Claudio Otelli als de Doge een totale catastrofe, qua stem en qua spel. Dat was al zichtbaar in zijn optreden in Le Villi, aan het begin van het seizoen; dat intendant Guus Mostart hem desondanks liet optreden getuigt van grote nalatigheid, en niet van enig gevoel voor artistieke verantwoordelijkheid.

Kortom, beide gezelschappen moeten dringend de documentaire Tosca’s Kiss (dvd, emi) gaan bekijken, om van de oude Italiaanse zangersgarde in het Casa Verdi in Milaan te leren hoe je deze muziek juist zingt. Verder wachten wij met spanning op de komst van Vasily Petrenko naar Amsterdam; Truze Lodder van De Nederlandse Opera zat in elk geval bij de première in Enschede, en applaudisseerde energiek.

Nationale Reisopera: I due Foscari, tournee tot en met 25 juni