KUNST Vermeer

Ramsey Nasr te Delft

De dame met de weegschaal die het Rijksmuseum dezer dagen toont is een éénstuks-blockbuster-tentoonstelling. Uitputtende overzichten zijn niet meer nodig. Eén schilderij van Vermeer is genoeg voor een item in het Journaal, lange rijen voor de deur en een prachtgedicht van de nieuwe Dichter des Vaderlands.
Die sterstatus is modieus, natuurlijk, en aanleiding tot een hoop airport-literatuur, maar gelukkig ook tot steeds verdergaand onderzoek. Dat is in Vermeers geval niet makkelijk. De kunsthistoricus John Michael Montias groef in de jaren tachtig van de vorige eeuw eigenlijk al alles op wat er aan archiefmateriaal van de Vermeers te vinden was, maar met het verder zeven van de Delftse aarde op zoek naar het kleinste stukje nog niet ontdekt bronnenmateriaal kan de wereld van de schilder toch nog, stukje bij beetje, verder worden blootgelegd. Het blijft millimeterwerk, en het gaat vaak op basis van ‘circumstantial evidence’. Zo weten wij nog altijd niet honderd procent zeker of Vermeer voor zijn huwelijk katholiek werd. Zijn schoonmoeder was het in elk geval, zijn vrouw ook. Vermeer trouwde buiten de stad, wat een indicatie voor een niet-gereformeerd huwelijk kan zijn; dat hij pal naast de Delftse jezuïetenstatie woonde was misschien toeval, maar dat hij een van zijn kinderen Ignatius noemde misschien nou net weer niet.
Dat soort gegevens heeft repercussies voor de lezing van zijn werk. De schaaltjes van de weegschaal in de vingers van de dame zijn leeg, maar ze zijn geen loos element. Achter haar is een schilderij te herkennen met een vlammend Laatste Oordeel. De connectie was voor elke zeventiende-eeuwse kijker, van welk religieus domicilie dan ook, volkomen duidelijk: hier verricht iemand een alledaagse handeling, die leidt tot bezinning op het eeuwige.
Of dat soort kennis van wezenlijk belang is voor de beleving van een schilderij is altijd een open vraag. Ramsey Nasr neemt daarover in zijn gedicht, Wat ons rest, een originele positie in. De historische of filosofische gelaagdheid van De Dame vindt hij niet belangrijk: ‘… wie verwijzingen zoekt, diepzeekijken wil of juist hogere/ waarden wil koesteren, moet dat vooral doen, maar dit is genoeg’. Nasr eist het schilderij op voor de werkelijkheid, voor een les in realiteitszin: ‘Dit volstaat voor mij, als een heidens geloof in het tastbare.’ De lege schalen van de weegschaal neemt hij als symbolen van de bedrieglijkheid van het moderne financiële systeem, dat parels verkocht ‘terwijl intussen werd gepoogd de parel te behouden, of tenminste de glans achter te houden en deze apart nogmaals te verpatsen’. ‘Wij werden consequent belazerd’, zegt Nasr. Maar: ‘Vandaag zullen wij leren kijken.’ Het schilderij is tenminste echt.
Het aardige is dat Nasrs positie juist heel dicht bij de (mogelijke) betekenis van die schalen ligt. In de zeventiende-eeuwse emblematiek geldt de weegschaal als ‘stom en rechtveerdigh’, omdat ze zonder aanzien des persoons ‘de waerheydt aen den dagh brenght’. De christelijke waarheid, misschien, niet de financiële. Maar toch.

Te gast: Vermeer uit Washington: De dame met de weegschaal (ca.1664). Rijksmuseum Amsterdam, t/m 1 juni. www.rijksmuseum.nl