Rancune als motor

In 1937 is het essay van Menno ter Braak Het nationaal-socialisme als rancuneleer verschenen. Nederland was in een uitzichtloze depressie gedompeld, de NSB leek onstuitbaar in opkomst. In 1933 had de beweging duizend leden, een jaar later 21.000 en in 1936 waren het er 52.000. Bij de statenverkiezingen van 1935 kregen de nationaal-socialisten bijna acht procent van de stemmen, uit alle klassen, rangen en standen. Leider Mussert was een onverholen bewonderaar van Hitler en Mussolini, maar dat werd in ruime kring niet als een bezwaar gezien. Daar was hij de aanpakker, de redder van het vaderland.
Tegen zijn groeiende aanhang werd door een aantal intellectuelen in 1936 het Comité van Waakzaamheid opgericht. George Kettmann, dichter en hoofdredacteur van Volk en Vaderland, heeft toen een gedicht aan dit Comité opgedragen. Het eindigt met het volgende kwatrijn:
Gij – op ’t fluweel als heele potentaten –
zijt al door Moskou voor de jacht gehuurd;
weet dit: het heeft den langsten tijd geduurd,
dan komen wij – wij durven jullie haten!
Het gedicht in zijn geheel is door Ter Braak als motto voor zijn essay gebruikt.
De politieke situatie in het midden van de jaren dertig is volstrekt onvergelijkbaar met de nu heersende verhoudingen. Dit essay heeft dan ook geen voorspellende waarde. Het belang ligt in de diagnose van de rancune als politieke motor, en dit niet alleen van het nationaal-socialisme. ‘De rancune’, schrijft Ter Braak gecursiveerd, ‘hoort tot de meest essentiële verschijnselen van onze cultuur.’ In de negentiende eeuw is met de democratie het besef tot ontwikkeling gekomen dat iedereen ook recht heeft op cultuur. Dan blijkt dat in de praktijk dit universeel recht van de burger op alles niet te verwezenlijken valt. ‘Naarmate het bezit van cultuur meer als een recht wordt gevoeld, wordt de afstand tussen dit recht op alles en het bezit van weinig meer beseft als een onrecht. (…) De mens van de rancune weet dat hij het meerdere bezit van de ander niet kan verdragen, dat het hem hels maakt, een ander bevoorrecht te zien; hij wrokt omdat hij in de wrok althans de lust beleeft der permanente ontevredenheid; hij koestert de wraakgedachte.’
Tot zo ver een van de sleutelpassages. De wrok die Ter Braak signaleert, is zeventig jaar later tot een nog veel wijder verbreide emotie geworden. De verschillen in cultuur zijn gebleven, maar degenen die door rancune worden beheerst hebben oneindig veel meer mogelijkheden om zich ongeremd en meestal anoniem op het onbegrensde internet te uiten. Door de digitalisering is de wrok mondiaal geëmancipeerd. Dat is een politiek vraagstuk waarvoor geen oplossing bestaat.
Plato heeft vastgesteld dat de enige die kan beoordelen of een schoenmaker zijn vak verstaat degene is die zijn schoenen draagt. Zeker. Maar de meeste schoenendragers zijn geen mensen die zelf ook schoenen kunnen maken. Dat is de andere kant van de praktijk. En dat manco is de bron van de permanente wrok die door Ter Braak zo mooi is geanalyseerd.

Menno ter Braak, Het nationaal-socialisme als rancuneleer, Van Gorcum, 1937