Miroslav Krleza, De terugkeer van Filip Latinovicz

Randje Europa

Miroslav Krleza

De terugkeer van Filip Latinovicz

Uit het Kroatisch vertaald door Guido Snel, uitg. De Bezige Bij, 239 blz., € 18,50

Een keuze vraagt om uitleg. Waarom stel ik van de afgelopen jaar verschenen boeken die ik gelezen heb een roman uit 1932 voor? De eerste keer dat het boek werd vertaald, in 1970, was er in Nederland kennelijk geen gehoor voor; een bijkomende reden zal de auteursnaam geweest zijn die met een mondvol medeklinkers begint. Toen was Krleza — spreek uit Kurlezja — nog een levende Joegoslavische schrijver, nu is hij meer dan twintig jaar dood (1893-1981) en inmiddels weer een Kroatische auteur.

Hoewel Krleza altijd veel geschiedenis in zijn verhalen verwerkte, is De terugkeer van Filip Latinovicz niet direct een politieke roman. Het is een kunstenaarsroman die voor die tijd de noodzaak van nieuwe kunstvormen laat zien. Filip Latinovicz is een schilder die in een crisis verkeert. Waarom en waarheen keert hij terug? 23 jaar geleden werd hem door zijn moeder de toegang tot het ouderlijk huis ontzegd. Toen ontvluchtte de opstandige jonge bohémien de benauwende provincie, nu keert hij als erkend kunstenaar en kunstcriticus, teleurgesteld door het grotestads leven en de kunstwereld, in feite weer op de vlucht, terug naar het platteland dat zijn herinnering bedrieglijk in een overzichtelijke en kalme wereld heeft omgetoverd. Hij verzandt er in het Pannonische moeras waar deze mensen «al enkele duizenden jaren bewegingloos in voortvegeteren» — Krleza gebruikt de naam Pannonië zoals de streek heette als provincie van het Romeinse Rijk. De zelfgenoegzaamheid van het burgerlijke milieu van zijn moeder is alleen maar bedompter geworden, wat Krleza ruimte biedt voor een paar mooie staaltjes sarcastische satire. Ondertussen bouwt de oprukkende civilisatie van industrie en massaproductie ook in deze uithoek van Europa al haar toekomstige ruïnes.

Requiem voor Habsburg is de titel van een werk van Krleza. Deze roman is een van de vele voorbeelden — denk aan Hofmannsthal, Musil, Broch — die laten zien hoe vruchtbaar het zieltogende Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk was, een tijd dat alles in het teken stond van een niet-meer en een nog-niet. Die gelijktijdigheid van oud en nieuw, op alle gebieden, betekende een botsing van totaal verschillende werelden, en Filip staat midden in een stroom waar schotsen tegen elkaar en over elkaar heen schuiven. De buitenstaander in hem kijkt met een afstandelijke blik naar die verwarring, maar aan den lijve ervaart Filip hoezeer hij zelf nog van die oude wereld deel uitmaakt. Van de nood dat hij een bastaard was maakte hij in zijn jeugd een deugd door zich de zoon van een bisschop te wanen, rotte vrucht van een decadente hofcultuur; nu hoort hij wie zijn vader is: een opgeblazen notabele, de vleesgeworden kleinburger. Alles hier is namaak, niets zo misplaatst als echte kunst, hij zelf als kunstenaar dus ook.

Een mooi moment is wanneer Filip zijn moeder schildert, die vindt dat de moeder van een schilder recht heeft op een portret. Zolang het schilderij lijkt te lijken is zij in haar nopjes, des te groter de teleurstelling wanneer het penseel een lancet wordt waarmee de schilder blootlegt wat onder haar masker zit. Op zoek naar de waarheid verandert Filips stijl onder zijn handen. Wie indertijd ook model heeft gestaan voor Filip als schilder, tot hier kun je zijn ontwikkeling lezen als die van een Kokoschka toen hij Adolf Loos portretteerde; niet toevallig wordt de naam Loos ergens laatdunkend gebruikt door een gravin tijdens een thee. Filip gaat verder, wellicht in de richting van wat later abstract expressionisme zou heten, waarschijnlijk eerst nog die van Georges Grosz of Otto Dix, maar voor zijn gevoel zoekt hij aansluiting bij een Jeroen Bosch of Brueghel door in één schilderij naast elkaar verschillende werelden af te beelden.

Schilderend lijkt hij verder te komen dan in woorden en gedachten. Krleza demonstreert dat sluw doordat hij de eerder serieus gedebiteerde ideeën van Filip op het laatst door een duivelse Griekse praatjesmaker aan flarden laat scheuren. De schilderende Faust wordt gefileerd door Mefistoles en gebiologeerd door een verwoestende vrouw, de femme fatale die zich gaandeweg tot een volwaardige hoofdpersoon naast Filip ontwikkelt. Dat is ook een interessante kant aan de roman: je ziet hoe de schrijver warm loopt zodat elke bij figuur zich ontpopt als hoofdpersoon van weer een andere roman — geen wonder dat latere romans van Krleza in series uitliepen.

Hoe lees je zo’n boek uit 1932? Een beetje roman, ik bedoel dus een belangrijke roman, moet onmiddellijk bij verschijnen gelezen worden wil je alle verwijzingen en implicaties vatten, óf pas veel later, wanneer de lezer zicht heeft op een bredere context. Wat wij ons nauwelijks meer kunnen voorstellen is dat toen het Habsburgse Rijk politiek aan scherven lag het centrum van Europa in cultureel opzicht een smeltkroes was. Krleza in Zagreb was een naaste collega van Karl Kraus, Robert Musil, Hermann Broch in Wenen, van Bruno Schulz in Polen, van Italo Svevo in Triëst, van Franz Kafka in Praag en Alfred Döblin in Berlijn; ik noem maar enkele namen van auteurs die eveneens probeerden het verdwijnen van een wereld uit te beelden.

Krleza laat zien hoe een wereldbeeld vergruisde en de kunstenaar daar beelden van een wereld tegenover plaatste. Filip noemde zichzelf fauvist en expressionist en voelde zich verwant met het surrealisme, volgens hem meer een ziens- en belevingswijze dan een schilderkunstige stroming. Als schildering van een levensgevoel is De terugkeer van Filip Latinovicz niets meer of minder dan een existentialistische roman, niet eens avant la lettre wanneer je het existentialisme als een voortzetting van de mentale desintegratie van het fin de siècle beschouwt. Ik haal maar even breed uit.

Als Filip uit Parijs terugkeert gaat hij verder waar Malte Laurids Brigge ophoudt, de hoofdpersoon uit de gelijknamige roman van Rilke, decennia eerder maar eveneens over een kunstenaar in Parijs die in een crisis verkeert. Malte vlucht voor de grote stad en keert echt naar het verleden terug, Filip vindt in de oude Brabantse kunst van Brueghel en Bosch een oplossing om greep op de chaos te krijgen: hij onderkent de noodzaak van een nieuwe, liefst authentieke kunst.

Zeg je existentialisme dan zeg je Sartre. Dezelfde Sartre die in La nausée (1938) letterlijk naar Malte Laurids Brigge verwijst — en inderdaad heeft Rilke het daarin al over de kleverigheid van het stadsleven — zal later bij een bezoek aan Joegoslavië bekennen dat als hij indertijd de roman van Krleza gekend had, hij Walging niet meer had durven schrijven. De artistieke crisis van Filip — die zijn wereldbeeld in fragmenten uiteen ziet vallen zodat hij alleen nog maar losse details waarneemt, terwijl hij voor de «mentale destructie» die hij in de metropool heeft opgelopen aan de rand van Europa soelaas zoekt voor zijn elementaire behoefte aan het echte — is niet minder dan een existentiële crisis die tot ver in de vorige eeuw het intellectuele leven heeft beheerst. Jawel, daar gaat het om in deze roman van zeventig jaar geleden.