Hard//hoofd: Interview met Raquel van Haver

Raquel van Haver overstijgt het oppervlakkige

Raquel van Haver (1989) raast als een orkaan door het kunstlandschap: wat op haar pad komt belandt in haar steeds sneller draaiende vortex, zonder dat zij zelf aan kalmte inboet.

© Tara Eva Kuijpers Wentink

Raquel van Haver (1989) raast als een orkaan door het kunstlandschap: wat op haar pad komt belandt in haar steeds sneller draaiende vortex, zonder dat zij zelf aan kalmte inboet. In 2012, 2013, 2016 en 2018 werd zij genomineerd voor de Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkunst; in 2018 zette ze de nominatie om in de winst. Begin 2019 had ze een solo-expositie in het Amsterdamse Stedelijk Museum en in oktober won ze de Amsterdamprijs voor de Kunst. Het Bonnefantenmuseum in Maastricht zou vanaf juni 2020 eigenlijk haar nieuwste werk over vrouwelijke sociale leiders in Colombia tentoonstellen, maar dit is verplaatst naar dit najaar. Ondertussen reist ze de wereld over. De storm lijkt voorlopig niet te gaan liggen.

Het is eind januari. We spreken af in de IJ-kantine in Amsterdam-Noord, gelegen aan de NDSM-oever, om de hoek bij haar atelier. Het waait en het is koud buiten, maar binnen is het warm. We kijken uit over het golvende IJ. Misschien beeld ik het me in, maar er gaat iets vertrouwds van haar uit. Misschien is het omdat zij net als ik jarenlang in Amsterdam Zuidoost en Noord heeft gewoond, en dat dit een band schept. Of misschien komt het door het zelfvertrouwen dat ze uitstraalt, en waar een zekere aantrekkingskracht van uitgaat: dit is iemand die weet wat ze wil. Het moet ook wel zo zijn dat je iets vertrouwds hebt als je het als buitenstaander klaarspeelt om weken- tot maandenlang in je eentje rond te dwalen in de armste buurten van wereldsteden, zonder daarbij in de problemen te raken. Voor haar research – een woord dat veelvuldig voorkomt tijdens ons gesprek en betrekking heeft op de lange trajecten die aan haar werken voorafgaan – verbleef ze bijvoorbeeld in de buitenwijken van Lagos in Nigeria, en trok ze op met de bewoners. Vaak met werkloze jonge jongens, die niet altijd binnen de gebaande paden blijven om zichzelf een inkomen te verschaffen. Het was niet vanzelfsprekend, maar ook hun vertrouwen wist ze te winnen. En niet alleen haar persoonlijkheid roept dit op; haar kunst is tot hetzelfde in staat. Deze onbeweeglijke, verharde objecten hebben de eigenschap dat ze sympathie opwekken – en dit is misschien wel de bron van betekenis waar veel van haar werk op drijft.

Hard//hoofd

Hard//hoofd is een niet-commerciële vrije ruimte waar nieuwe schrijvers en kunstenaars de ruimte krijgen om te experimenteren en zich te ontwikkelen. Hard//hoofd wordt mogelijk gemaakt door haar kunstverzamelaars. Zij ontvangen als dank voor hun steun kunstwerken van talentvolle kunstenaars. Vóór 1 mei heeft Hard//hoofd 600 nieuwe kunstverzamelaars nodig om hun geannuleerde tienjarig jubileum te verplaatsen, de geboekte artiesten te betalen en hun makers te blijven ondersteunen. Wie zich nu aansluit bij Hard//hoofd ontvangt een kunstwerk van Raquel van Haver.

Het schilderwerk van Raquel van Haver breekt regelmatig letterlijk weg van het tweedimensionale canvas en komt met directe oprechtheid je comfort zone binnen. Verflagen als vloedgolven rijzen op van het doek en de rauwheid van vorm en inhoud dwingen om je tot deze kolkende massa te verhouden. Het is het soort kunst waarvan je net iets meer pikt dan gemiddeld, als van je beste vriend die ongevraagd – en soms ongemakkelijk – maar goedbedoeld advies geeft. Dat komt deels door de alledaagse onderwerpen die ze in beeld brengt: etende mensen, spelende mensen, feestende mensen. Maar ook liefhebbende en rouwende mensen. Ze geeft weer wat ze meemaakt, wat ze fascinerend vindt en wat haar raakt. Afgelopen jaar overleed haar moeder. Ze besloot om samen met een vriendin een huisfeestje te organiseren, in het teken van de vriendschappen die haar hielpen om deze aangrijpende gebeurtenis een plek te geven. Ze begon de aanwezige mensen te schilderen, en zo ontstond er een werk, volledig in roze en rood, over rouw, maar het is geen weergave van rouw. Het zijn simpelweg mensen die eten, drinken, samen zijn.

Het is het soort kunst waarvan je net iets meer pikt dan gemiddeld, als van je beste vriend die ongevraagd maar goedbedoeld advies geeft

Alledaagse onderwerpen maakt ze qua vorm onalledaags en zo ontstijgt haar werk het oppervlakkige. Het is wel van het grootste belang dat de wortels van haar kunst in de werkelijkheid liggen. Er moet ruimte zijn voor mysterie en de grondbetekenis mag verborgen blijven, maar de kunstwerken moeten een ‘eerlijk’ verhaal vertellen, of daar in ieder geval tot te herleiden zijn: ‘Je moet het kunnen uitleggen’. Als ik vraag waarom dit voor haar zo belangrijk is, zegt ze: ‘Omdat ik me zo goed mogelijk wil kunnen inleven in wat ik schilder. En het is ook dat ik weet dat verkeerde beeldvorming funest kan zijn.’ Haar verhalen mogen geen vertekend beeld schetsen waar kwalijke misvattingen uit voortkomen. Ze is zich maar al te bewust van de verwoestende kracht van vertekende representatie; de in- en uitsluitingsmechanismen die hiermee in werking treden. Research en documentatie vormen het fundament, waardoor haar werk niet geforceerd, maar oprecht aanvoelt. Alsof ze de werkelijke situatie heeft weten te vangen. Ze is consequent als het aankomt op haar artistieke ethos: ook haar kunst zonder duidelijke maatschappelijke implicaties moet recht doen aan de realiteit.

De Foxtrot wordt de Amsterdamse haven uit gesleept © Eva Plevier

‘Eigenlijk is het een idee dat opeens oppopt…’ Als ze vertelt over hoe ze aan een nieuw werk begint, gebeurt er iets opmerkelijks. Ze richt zich plotseling op en valt stil. ‘Huh, zijn ze dat ding nou aan het wegslepen?’ Vanaf onze bank met uitzicht over het IJ zien we dat een negentig meter lange vervallen onderzeeër door boten van Rijkswaterstaat wordt weggesleept. Dit doorgeroeste pronkstuk van de NDSM-werf is een van die dingen die de kade de afgelopen jaren haar rauwe, ongepolijste aanschijn gaven. Een onderzeeër genaamd Foxtrot, die in 1956 werd gemaakt voor de Russische vloot en in 1991 door ondernemers naar Nederland werd gehaald. Een gevaarte met een verhaal. Met onze neuzen nagenoeg tegen het raam gedrukt verwonderen we ons over deze uitzonderlijke gebeurtenis. ‘Dit is wel echt een momentje. Ik ga even een foto maken. Hm, jammer dat hij weggaat.’

Weer over haar maakproces: ‘Nou, dus zoals dit: ik zie het gebeuren en op een of andere manier ga ik dat leuk vinden. Ik vind het vooral interessant dat die mannetjes er zo op staan. Er komt een idee in me op en ik denk, ik wil een schilderij over deze mannen maken want ik vind het interessant en stoer dat ze op deze halfvergane onderzeeër staan. Goed, dus het beeld heb ik al een beetje voor ogen. Dan komt het veldwerk. Dan ga ik het bedrijf bellen of een connectie zoeken en als ik die heb gevonden, dan probeer ik daar zo lang mogelijk bij in de buurt te blijven, in gesprek te gaan. Foto’s maken. Dat duurt minstens een week, maar meestal wel drie maanden of langer. Constant op iemands lip zitten en foto’s maken, foto’s maken, foto’s maken. Documenteren, schrijven, interviews doen. Dat ik totaal snap waarom ze in godsnaam op dat ding staan, wat het achterliggende verhaal is van die onderzeeër, totdat ik het begrijp en denk: ik heb zoveel informatie dat ik een legit schilderij kan maken over deze mensen.’

Ik wil snappen waarom die mannetjes in godsnaam op die onderzeeër staan

De doortastendheid in haar research komt overeen met de ernst die ze legt in haar fysiek-scheppende fase. Als ik haar vraag welke eigenschap voor haar onmisbaar is, weerkaatst mijn vraag als een stuiterbal, direct en snel: ‘Koppig. Héél koppig. Dat is noodzakelijk als je eigenzinnig wilt zijn, een eigen stem wil hebben. Ik weet gewoon: dit wil ik en dit moet gedaan worden. En daarnaast doe ik zoveel dingen tegelijkertijd: boekhouden, afspraken maken, lezingen geven, aanvragen doen. Als je zo veel dingen moet doen, moet je wel koppig zijn, wil je alles in de juiste banen leiden.’ Momenteel staat ze elke dag om zes of zeven uur op en is ze tot twaalf uur ‘s nachts in haar atelier. Nu vooral om toe te werken naar haar expositie over vrouwelijke sociale leiders in Colombia, die, onder voorbehoud, in het najaar van 2020 te zien zal zijn in het Bonnefantenmuseum in Maastricht. ‘Het moet gewoon af.’

De bron voor haar nieuwste expositie ligt in een verlangen naar persoonlijk onderzoek, en weer spelen verhalen een sleutelrol. ‘Ik wilde verhalen verzamelen om mijn achtergrond invulling te geven. Ik ben geboren in Colombia en geadopteerd, en weet niet heel veel over Colombia. Dus voor mij was het een persoonlijk onderzoek: “Wat zou er gebeurd zijn als ik hier was gebleven?” Wat ze daar zeiden: je bent nu hier, dus wees daar blij mee. Nu kun je iets terugdoen voor je land. Maar wees ook blij dat je niet bent gebleven, want er zijn veel erge dingen gebeurd. De corruptie en het machtsmisbruik; het veelvoorkomende geweld, vaak tegen vrouwen’. Maar, zo zegt ze er nadrukkelijk bij, deze schilderijen gaan niet om haar. Haar persoonlijke biografie is een instappunt, geen eindstation. Het gaat haar om de ervaringen van de vrouwelijke sociale leiders die in Colombia woonden, toen zij allang naar Nederland was. ‘De verhalen die ik gehoord heb van deze dames, er zit zo veel pijn en moed in. Hoe ze zich staande hielden terwijl ze zo werden tegengewerkt door hun omgeving. Bijvoorbeeld de trans vrouw Johanna Maturana, die ondanks alle tegenslagen heeft doorgezet en nu de spokeswoman van trans women in Colombia is geworden. Deze mensen focussen heel erg op de toekomst, op de jeugd, en dat het op een bepaalde manier beter wordt. Er is zo veel gebeurd, maar ze zijn allemaal hoopvol, en die emotie wil ik heel graag een plek geven.’

Raquel van Haver in haar atelier op de NDSM-werf in Amsterdam-Noord. © Tara Eva Kuijpers Wentink

Ze reageert ontkennend en bescheiden op de vraag of ze zich identificeert met deze sociale leiders: ‘Als ik zie wat deze dames of heren allemaal doen, met zo'n energie, wilskracht, nee, daar kan ik echt niet aan tippen. Ik heb een luxeleventje vergeleken met wat ik daar zie.’ Maar het is duidelijk dat daadkracht en visie haar niet vreemd zijn; ook zij hecht veel belang aan de ontwikkeling van de jeugd en het realiseren van een betere toekomst. Hoewel ze haar eigen kunst hiervoor niet direct ziet als middel, ziet ze wel dat kunst een belangrijke rol speelt om dit doel te bereiken. Toen ze op haar zeventiende vanuit Hoorn naar Amsterdam Zuidoost verhuisde, zag ze zich na verloop van tijd steeds meer omringd door kunstenaars en makers, jonge mensen die barstten van de energie en idealen. ‘Er zit heel veel creativiteit in Zuidoost. Dat heeft me getriggerd om dingen te gaan doen.’ Een van die dingen was kunsteducatie. ‘Ik denk dat educatie sowieso heel erg belangrijk is. Ik heb veel les gegeven op scholen, waar ik de kids meenam naar buiten om naar kunst te kijken. In het begin zagen sommigen niet echt het nut ervan in. Maar ze mochten alles zeggen over het kunstwerk, er was niets fout, en vanaf het moment dat ze voelden dat ze gehoord werden, dan braken ze open en begonnen ze écht te vertellen. Dat is zóóó fucking… o, sorry… zo ongelooflijk belangrijk voor de jeugd, om zichzelf op zo'n manier open te stellen.’

Die jonge mensen, dat zijn de makers van de toekomst. En wat haar betreft spelen met name jonge kunstenaars een belangrijke rol als het aankomt op maatschappelijke en artistieke vernieuwing. ‘Kijk, elke generatie komt met zijn eigen ideeën. Bij die jonge kunstenaars is de energie: we moeten nu wat gaan veranderen, en we gaan het echt met zijn allen doen.’ Kunst is volgens haar tot meer in staat dan de meeste mensen denken, maar het gaat erom hoe je haar inzet. ‘Het mag pijn doen. Maar de vraag is: waar heb je het voor nodig? Is het nodig om te verbinden? Is het nodig om iets kapot te maken? Kijk, het gaat om het gesprek dat je opstart. Het moet iets teweegbrengen.’

Uit haar antwoord op de vraag wat haar toekomstdromen zijn, blijkt nog eens dat haar visie verder reikt dan haar eigen kunstpraktijk: ‘Ik denk – en ik hoop dat dit gaat lukken – om een art space te creëren voor jonge makers. Van een grote fysieke ruimte tot aan programma’s, en een kunstverzameling. En dit alles vooral in samenwerking met andere residencies. Dit is zo belangrijk voor jonge makers. Zonder ruimte kun je niets maken, en makers hebben een plek nodig waar ze zichzelf kunnen zijn. Ze moeten tijd en ruimte hebben om te experimenteren en te onderzoeken, want zonder onderzoek kom je nergens. Dat is ook het belang van kunstacademies, omdat je daar de ruimte krijgt. Dan mag je twee of vier jaar fouten maken, maar als je afgestudeerd bent mag dat niet meer. Daarom is het belangrijk om meer van zulke plekken te creëren. Waar mensen fouten mogen maken, en waardoor ze weer een stapje verder komen.’


Mark de Boorder (1991) is uitgever en redacteur bij Hard//hoofd.