Skaeve huse

Rare huizen voor rare mensen

Onaangepaste types worden verbannen naar containers aan de randen van de stad. De tuigdorpen, hufterhutten en asowoningen zijn de woonscholen van nu, maar dan zonder de opvoedgedachte. ‘De samenleving is niet maakbaar.’ door Guido van Eijck en Saskia Naafs


Leslie is begin dertig en woont in een container op een industrieterrein aan de rand van Kampen. Het is zes uur ’s avonds als hij de slaap uit zijn net geopende ogen wrijft. Soms gamet Leslie de hele nacht door. Terwijl hij praat schiet zijn schichtige blik van het scherm met Grand Theft Auto 5 naar zijn pitbull Angel en weer terug. ‘Ik ben een multifunctioneel persoon, ik houd van afwisseling’, antwoordt hij op de vraag waarom er drie televisieschermen tegelijk aan staan in zijn kleine kamer.

In trainingsbroek en vaalwit T-shirt zit hij op een eenpersoonsbed midden in de donkere woonkamer. Op de grond staan lege 7Up-flessen, naast de frituur een bord met klodders mayonaise. Van de drie kamers die hij tot zijn beschikking heeft, is dit de enige die hij gebruikt. Sinds een jaar huurt Leslie een van de vier containerwoningen aan de Kampense Loswalweg, een begeleid-wonenproject voor mensen met verslavingen en psychiatrische problemen. Met het huurcontract tekende hij ook voor begeleiding, zorg en budgetbeheer.

Nog niet zo heel lang geleden was Leslie de bekendste zwerver van Kampen. Anderhalf jaar zwierf hij over straat; een winkelwagen met daarin een Playstation 3, een Xbox 360, een stapel computerspellen en een plasmascherm met een doorsnede van anderhalve meter met zich mee zeulend. ‘Die plugde ik ’s nachts in bij de Kruidvat’, zegt Leslie. ‘Stond ik de hele avond te gamen.’

Op straat raakte hij steeds dieper in de schulden door drugsgebruik. Zijn zorgkosten, schulden en uitstaande boetes stapelden zich op. Via het Leger des Heils kwam hij in zijn huidige woning terecht. Nu staat hij onder strakke financiële bewindvoering en krijgt hij veertig euro per week om van te leven. Erg rechtvaardig vindt hij dat niet. ‘Als ik een nieuw spel wil kopen, kost me dat al 50 of 60 euro.’

Het spel dat Leslie bezighoudt is nog maar net verschenen, maar hij heeft het al uitgespeeld. Vanuit zijn container neemt hij het op tegen gamers uit de hele wereld. ‘Ik hoef die mensen niet te ontmoeten’, zegt hij, ‘in gta hoef ik alleen op ze te schieten’. Met anderen heeft hij weinig op, in tegenstelling tot Angel, die blaffend tegen het bezoek opspringt. ‘Angel heeft adhd’, zegt Leslie. ‘Ze trekt erg naar mensen toe.’

De vier containers in Kampen zijn het eerste skaeve huse-project in Nederland. De gemeente en twee woningcorporaties zochten twintig jaar geleden vervanging voor een aantal zwaar verkrotte woningen. Onder de eerste containerbewoners bevonden zich een zwaar vervuilde Familie Flodder en drie alleenstaande mannen met verschillende verslavingen.

De term ‘skaeve huse’ komt uit Denemarken. Letterlijk vertaald zijn het ‘rare huizen voor rare mensen’ (in het Engels freak houses). In de jaren negentig zijn ze begonnen als woongroepen voor kunstenaars, studenten en mensen met alternatieve levensstijlen. In Denemarken staan inmiddels zo’n vierhonderd skaeve huse. Hoewel de Nederlandse overheid enthousiast is, staan er hier maar enkele tientallen. Lange tijd was het namelijk not done om mensen buiten de maatschappij te plaatsen. Ook staan de skaeve huse hier synoniem voor asowoningen, wat het lastig maakt een locatie voor ze te vinden.

Toch zijn skaeve huse niet alleen bedoeld voor ernstige overlastgevers. Onder de doelgroep vallen ook daklozen en mensen die niet op zichzelf kunnen wonen; het zijn veelal alleenstaande mannen met psychische problemen en verslavingen. Ze onttrekken zich aan behandeling en zijn moeilijk te diagnosticeren. Voor hen zijn de skaeve huse een ‘laatstekanswoning’. Ze krijgen begeleiding, maar er wordt geen druk op ze uitgeoefend om te reïntegreren.

Ook Leslie krijgt wekelijks hulpverleners aan de deur, die hij met een diep wantrouwen benadert. Wat hij precies mankeert, is ondanks alle bemoeizorg nog steeds onduidelijk. Dat hij overgevoelig is voor prikkels staat vast. En ook dat hij moeite heeft met autoriteit. ‘Ik heb een hele hoop baantjes gehad, maar ik kreeg altijd mot. Mij krijgen ze niet meer aan het werk.’

Skaeve huse zijn vrijstaande eenpersoonswoningen. Bij voorkeur staan ze aan de rand van de stad, op minimaal 75 meter afstand van de dichtstbijzijnde woonwijk. In een rustige omgeving geven de skaeve huse-bewoners minder overlast, zo concludeerde een evaluatierapport van de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (sev) in 2010. De sev monitorde vijf jaar lang pilotprojecten in zeven gemeenten. Op basis hiervan was het advies aan de minister van Wonen: ‘Gewoon doen!’

Voor bestuurders zijn de containerwoningen ook een middel om hun spierballen te tonen

Toch zijn skaeve huse niet onomstreden: het is het verschuiven in plaats van het oplossen van problemen, overlast gevende bewoners worden bij elkaar gezet en voor hun gedrag beloond met een woning, de projecten zijn arbeids- en kostenintensief, er is een peloton van hulpverleners nodig en bovendien werken de ‘asocontainers’ stigmatiserend.

Maar van links tot rechts zien politieke partijen de skaeve huse als oplossing voor overlast. Voor bestuurders zijn de containerwoningen ook een middel om hun spierballen te tonen. Begin september liet burgemeester Eberhard van der Laan (pvda) met veel tamtam een Amsterdams asogezin in een container op Zeeburgereiland plaatsen, een braakliggende woestenij tussen water en snelweg. Zijn partij vindt dat de overheid overlastgevers een ‘niet-alledaags onderkomen’ moet kunnen bieden. Van der Laan waarschuwde dat komend jaar nog zo’n tien gezinnen zullen volgen. ‘Het zijn de daders die moeten verhuizen, niet de slachtoffers.’

De pvv omarmde de asocontainer in nog krachtiger termen. Geert Wilders riep twee jaar geleden: ‘Veelplegers moeten verplicht uit de wijken worden gehaald en naar zo’n tuigdorp gestuurd. Daar worden ze in wooncontainers geplaatst. Zet al het schorriemorrie bij elkaar.’ Tuigdorp werd dankzij de Partij voor de Vrijheid woord van het jaar 2011.

In Almere, waar de pvv bij de gemeenteraadsverkiezingen de grootste partij werd, kondigde burgemeester Annemarie Jorritsma (vvd) vorige maand aan dat ze overlast gevende gezinnen wil onderbrengen in skaeve huse en verbannen naar ‘de rafelrandjes’ van de stad. Het zijn oude plannen in een nieuw jasje; Almere zoekt al sinds 2009 naar een geschikte plek voor overlastgevers. Ook de Doetinchemse gemeenteraad wil tien skaeve huse plaatsen, maar werd onlangs teruggefloten omdat er te weinig rekening gehouden was met de leefbaarheid en veiligheid van omwonenden. De gemeente Utrecht gaat in de nieuwbouwwijk Leidsche Rijn zeven skaeve huse plaatsen, naast vijfhonderd studentencontainers. Een vorige locatie vlak bij een school voor kinderen met beperkingen stuitte op te veel verzet. En ook Tilburg, Lelystad en Den Haag zoeken naar geschikte locaties.

‘Je ziet steeds een slingerbeweging: van excluderen, mensen buiten de maatschappij plaatsen, naar integratie en ze proberen een plek te geven’, zegt Judith Wolf, hoogleraar maatschappelijke zorg aan het Radboudumc Nijmegen. ‘De samenleving heeft altijd moeite gehad met moeilijke mensen.’ Nederland kent een lange geschiedenis van pauperkoloniën, woonscholen en heropvoedingswijken voor landlopers, onaangepaste lieden en asocialen. Het isoleren van ‘onmaatschappelijken’ is geen nieuw fenomeen. Maar de heropvoedingsgedachte van vroeger hebben we nu laten varen.

In juni 1902 verscheen in De Amsterdammer (zoals De Groene toen nog heette) een felle aanklacht tegen de beruchte pauperkolonie van Veenhuizen. De auteur schreef dat ‘daar de toestand zoo niet kan blijven, omdat daar de toestand zoo rot is dat de hoofddirecteur zelf verklaarde: wie eenmaal het gesticht binnentreedt, is onherroepelijk verloren’.

Suzanne Jansen citeert het artikel in haar boek Het pauperparadijs, over de geschiedenis van de Drentse kolonie. Opgericht in de vroege negentiende eeuw had deze als doel de onaangepasten door arbeid en strenge discipline te genezen. Niet iedereen was overtuigd van die aanpak, schrijft Jansen: ‘Het was al tientallen jaren bekend dat het heropvoedingsideaal van Veenhuizen in de praktijk geen vruchten afwierp. Duizenden mannen zaten er jaar in, jaar uit te verpieteren.’ Bewoners droegen hun verblijf in Veenhuizen bovendien als een levenslang stigma met zich mee.

De Armenwet van 1854 maakte de staat verantwoordelijk voor de armenzorg. Van steun werden armen lui en passief, was de gedachte. In ruil voor ondersteuning moesten ze werken aan hun zelfbeheersing en levensonderhoud. Van iemand die armenzorg ontving, mocht je verwachten dat die zijn best deed om zijn situatie te verbeteren. Met de Woningwet van 1901 kregen gemeenten de mogelijkheid vervallen krotten onbewoonbaar te verklaren. De oude bewoners maakten kans op nieuwe, mooiere woningen, maar alleen als zij hier zorgvuldig mee om konden gaan. In Amsterdam, Utrecht, Den Haag, en later ook in de rest van het land, verrezen woonscholen waar deze ‘ontoelaatbare gezinnen’ in wijken bij elkaar gezet werden om te leren wonen.

Vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw bereikte het heropvoedingsideaal zijn hoogtepunt. Begin jaren zestig berekende een commissie in opdracht van het ministerie dat een half procent van de Nederlandse gezinnen door hun onmaatschappelijke gedrag de belastingbetaler jaarlijks meer dan 240 miljoen gulden (670 miljoen euro) kostte. De maatschappij had de plicht om de ergste gevallen aan de randen van de maatschappij op te voeden en sociaal te integreren, zo oordeelde de commissie. Maar in de jaren zestig groeide ook de weerstand tegen heropvoeding en het stigma van onaangepastheid. In zijn proefschrift Lof der onaangepastheid (1967) prees de socioloog Herman Milikowski onaangepastheid als de ‘afwijzing van het bestaande, protest, verzet’. De maatschappij kon daar volgens hem maar moeilijk mee omgaan. ‘De onaangepaste mens wordt gewoonlijk in het sociologisch systeem in een aparte categorie ondergebracht: “Marginale Groep”.’

Niet langer heetten mensen ‘onmaatschappelijk’ of ‘ziek’, zij waren ‘kansarm’ en slachtoffer van hun omstandigheden

Om aan deze stigmatisering een einde te maken, gingen beleidsmakers en maatschappelijk werkers mensen zien als onderdeel van de maatschappij. Niet langer heetten mensen ‘onmaatschappelijk’ of ‘ziek’, zij waren ‘kansarm’ en slachtoffer van hun omstandigheden. In plaats van hen te labelen en te isoleren, moesten zij bij de samenleving worden betrokken.

De skaeve huse vormen sinds de jaren negentig een trendbreuk met de gedachte dat we iedereen bij de samenleving moeten betrekken. Op kleinere schaal keren nu de woonscholen en pauperkoloniën terug in de vorm van wooncontainers, zij het zonder de opvoedingsgedachte van weleer. We isoleren weer, en daarmee is ook het stigma van de asowoning terug van weggeweest.

Medium skaevehuse2

Op de rand van de Nijmeegse wijk Weezenhof wijst Toon Kerssemakers langs het prikkeldraad naar een weiland. Met zijn voeten staat hij in de modder, met zijn rechterarm trekt hij een halve cirkel tussen het tuindersbedrijf en de A73, waar het verkeer sinds een jaar met 130 kilometer per uur overheen raast. ‘Op dit veld komen straks de skaeve huse te staan.’

De gepensioneerde Kerssemakers is ‘social broker’. Zijn zorgvuldig gekozen woorden wisselt hij af met een guitige glimlach. Als voorzitter van het bewonersplatform Weezenhof zit hij boven op de gemeentelijke plannen om in zijn wijk acht ‘rare huizen’ te bouwen. ‘Vorig jaar hoorden we voor het eerst van het plan’, zegt hij.

‘Asowoning langs de snelweg’, kopte De Gelderlander in dikke chocoladeletters. De term ‘skaeve huse’ viel. Toen bewoners daarop gingen googlen, stuitten ze op verhalen over tuigdorpen en hufterhutten. Op de eerste informatiebijeenkomst liepen de gemoederen hoog op, herinnert wethouder Zorg en Wonen Bert Frings van GroenLinks zich. Casual gekleed in ribfluwelen colbert vertelt hij op het Nijmeegs stadhuis in rappe zinnen over het skaeve huse-plan. ‘We kregen die eerste keer de kans niet ons plan toe te lichten. Mensen zeiden: “Wat u ook zegt, ik wil het gewoon niet. Punt uit.”’

Het bewonersplatform vond de houding van de gemeente aanmatigend. ‘Ze gaven ons de indruk dat wij de aso’s waren omdat we die mensen niet in onze achtertuin wilden’, vertelt Kerssemakers. ‘“Jullie hebben het toch goed? Waar maak je je dan druk om?” zeiden ze.’ Om van het label ‘asowoning’ af te komen, veranderde de gemeente de skaeve huse op papier in ‘zorgwoningen’. In het bestemmingsplan worden ze zelfs aangeduid als chalets. ‘Zie het als vakantiebungalows in een groene setting’, zegt Frings.

In Nijmegen zoekt de gemeenteraad al sinds 2010 naar twee permanente plekken voor vijftien skaeve huse. Nadat bijna dertig mogelijke locaties onder de loep waren gelegd viel de keuze in april op de Stadbroekseweg. Naar verwachting worden daar begin 2015 de eerste acht woningen geplaatst. Pal naast de gemoedelijke Weezenhof, een bloemkoolwijk uit begin jaren zeventig. Kerssemakers spottend: “De Rivièra van Nijmegen wordt het wel genoemd.”

Het Platform vindt dat er plek moet zijn voor skaeve huse, maar is ongelukkig met de locatie. Kerssemakers somt de bezwaren op: ‘Het is hier lawaaiig, terwijl die mensen in een rustige omgeving moeten wonen.’ Dan zijn er nog het fijnstof, de hoogspanningsmasten, de pesticiden van de kwekerij. En bij de snelwegafslag wordt gedeald. Bewoners van de Weezenhof zijn bang voor overlast en waardevermindering van hun huizen. Ook maakt een groepje zich zorgen om het groen. Het gebied maakt deel uit van de ecologische hoofdstructuur en wordt gebruikt door dassen en recreanten. Als om dit te illustreren, zoeven twee gepensioneerden op elektrische fietsen langs het nu nog lege veld.

Zelf wil Leslie het liefst in een boerderij wonen, nog verder weg van anderen

Sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (wmo) in 2007 zijn gemeenten verantwoordelijk voor zorg, welzijn en wonen. De skaeve huse passen binnen een trend waarin ‘zorg in de wijk’ het werk van dure instellingen moet overnemen. Door bezuinigingen moeten mensen vaker een beroep doen op hun eigen netwerk. Binnen de wmo ligt de nadruk op preventie. ‘Alleen als mensen het in hun eigen leefomgeving echt niet meer redden, zijn zorgvoorzieningen beschikbaar. Skaeve huse zijn ontstaan voor de mensen bij wie het niet lukt om in een gewone wijk een woning te huren’, zegt Judith Wolf.

Nu gemeenten het gedecentraliseerde zorg- en welzijnsbeleid vormgeven, worden de skaeve huse voor hen een middel om de eindjes aan elkaar te knopen. Het is een vergaarbak geworden voor onaangepaste tokkies, verwilderde zwervers en verslaafde mannen van middelbare leeftijd. Categorieën waarvoor in ons reguliere woon- en zorgaanbod geen plek is. Zo ziet de gemeente Nijmegen in de skaeve huse een ontbrekende schakel. Een groep einzelgängers zwerft nu nog over straat omdat zij zich niet op hun gemak voelen in een reguliere opvang. ‘Ze zijn wel eens de vlinders van deze samenleving genoemd’, zegt wethouder Frings. Een van de toekomstige bewoners is een man die achttien jaar in het bos woonde, op een zelfgemaakte vuilnisbelt. De eenlingen in het bos aan hun lot overlaten is geen optie. ‘Je wilt niet bij de eerste de beste nachtvorst iemand dood aantreffen.’

De ‘vlinders’ worden straks verzameld door de Regionale instelling voor begeleid wonen (ribw). Zij huren de skaeve huse van twee woningcorporaties en selecteren de toekomstige bewoners, die onder behandeling komen te staan bij zorgaanbieder Iriszorg. Dat er zoveel verschillende partijen bij het project betrokken zijn, baart Kerssemakers zorgen. ‘Wie neemt de verantwoordelijkheid als het mis gaat?’ Met inbreng van bewoners is een uitgebreid beheerplan opgesteld en zijn twee evaluaties ingepland.

Nijmegen zoekt nadrukkelijk naar een permanente locatie voor de skaeve huse, omdat de verwachting voor doorstroom van bewoners laag is. Deze realiteitszin schemert door in de zorgnota voor 2012-2015. ‘We willen ruimte geven aan anders zijn’, schrijft de gemeente. ‘Te lang dachten we dat de samenleving een wiskundige formule was. Als we aan de juiste knoppen zouden draaien, zouden alle problemen verdwijnen. Inmiddels weten we beter: de samenleving is niet maakbaar.’

Met het verdwijnen van het maakbaarheidsideaal verdwijnt ook de opvoedingsgedachte van de woonschool. Tot ver in de twintigste eeuw ging de aanpak van armen samen met bevoogding en disciplinering. Armoede, achterstand en asocialiteit waren te verhelpen. De skaeve huse zijn een eindstation; een rustplaats voor mensen die zijn opgegeven door de maatschappij. ‘Ik vind dat je ook in skaeve huse de mensen moet blijven aanspreken op hun gedrag’, zegt hoogleraar Judith Wolf. ‘Als samenleving moet je mensen niet willen uitsluiten. Je moet je best blijven doen totdat je erbij neervalt, blijven inzetten op normaliteit.’

De 74-jarige Jan Grootjen verhuisde vorig jaar, met gezonde tegenzin, naar een verzorgingstehuis in Kampen. Grootjen woonde elf jaar in een container aan de Loswalweg. ‘Ik heb daar nooit geen hekel gehad’, zegt hij. ‘Maar ik kon ’s winters niet meer lopen met mijn rollator, want ze strooiden er geen zout. Het werd beschouwd als een doodlopende weg.’

Grootjen zit in zijn ruim bemeten bejaardenwoning, te midden van de eikenhouten meubelen die hij van zijn moeder erfde. Van het geld dat hij met de loterij won – ‘wel drie miljoen’ – kocht hij een televisie en een koekoeksklok. In het bejaardentehuis kan hij doen en laten wat hij wil. ‘Hier ga ik niet meer weg’, zegt hij stellig. Eén keer per week neemt hij de taxi naar zijn oude supermarkt bij de containers in de buurt. ‘Even een praatje maken.’

Herman Leemreijze was elf jaar coördinator van wat in Kampen toen nog de ‘moeilijk plaatsbaren’ heetten. Gezeten in het kantoor van de Zwolse zorginstelling waar hij nu werkt, denkt hij met weemoed terug aan zijn kleurrijke oud-cliënten. Vol smaak vertelt hij over de keer dat hij een van hen met een bezemsteel van zich af moest houden. ‘Ik mis ze wel’, geeft hij toe. Zo nu en dan ontvangt hij nog een kerstkaartje uit de Loswalweg.

Leemreijze vindt de skaeve huse een ideale oplossing. ‘De bewoners hebben daar de ruimte en de vrijheid. Mensen storen zich niet aan hen en zij hoeven zich niet meer te storen aan mensen in hun omgeving. Center Parcs, zo noemden we het soms’, zegt hij lachend. Maar, vervolgt hij, ‘zo iemand als Jan had er eigenlijk veel eerder uit gemoeten. Toen hij daar kwam, zoop hij tegen de klippen op, dat werd geleidelijk minder. Hij heeft daar nog jaren gezeten, maar was met geen stok in beweging te krijgen. “Ik woon hier goed”, zei hij.’

Lang voordat Grootjen in een container kwam, werkte hij als scheepslosser. Hij had een huis, een vrouw en een dochter. Maar door de alcohol takelde hij af. ‘Mijn vader was alcoholist en zijn vader was ook alcoholist. Het zit in de genen.’ Zijn vrouw verliet hem, zijn baan raakte hij na een beroerte kwijt, en de schulden stapelden zich op. Na een lang ziekenhuisverblijf verloor Grootjen zijn huis en woonde hij een tijdlang in het park. Via het Leger des Heils belandde hij in de container.

‘We lieten elkaar daar met rust. Er kwam wel eens politie, maar nooit voor mij.’ Wel herinnert hij zich levendig de dag dat hij zelf de politie belde. Een verslaafde buurman hield zich wel heel rustig. ‘Door het achterraam zag ik dat hij dood op de vloer lag.’ Grootjens eigen verslaving verdween. ‘Ik ben nu zes jaar van de drank af’, zegt hij trots.

Grootjen wist uit zijn container te komen, maar het is niet erg waarschijnlijk dat dat Leslie ook zal lukken, zegt zijn coördinator zorg. Zelf wil Leslie het liefst in een boerderij wonen, nog verder weg van anderen. Maar op dit moment is hij tevreden met zijn wooncontainer. ‘Ik zit hier goed, ik heb hier stroom.’


Beeld: Elmer van der Marel / HH, Jeroen Oerlemans / HH