Rare mensen die rare dingen zeggen

HET LULLIGSTE oorlogsmonument van ons land staat in een parkje naast het station van Winterswijk. Het betreft een bakstenen bouwsel van onbestemde vormgeving met daarop de droevig stemmende woorden: ‘Nederland neutraal 1914-1918’. Terwijl in Frankrijk het miezerigste dorp nog een pompeus gedenkteken voor de gevallenen in de Grote Oorlog koestert, is Winterswijk trots op ons gebrek aan heldhaftigheid. Al mijn pacifistische principes ten spijt schaam ik me toch een beetje voor dit onding. Hoe praat ik mij hier uit?

Ik vrees dat heldenverering een zo fundamenteel bestanddeel van onze opvoeding vormt, dat niemand eraan ontkomt. Ook de meest rabiate voorvechter van vrede en geweldloosheid heeft behoefte aan idolen, liefst dappere vrouwen of mannen die zich onverschrokken opofferden voor een verheven zaak. We kunnen soms zelfs niet ontkennen bewondering te voelen voor mensen die hun leven hebben gegeven voor doelen die in onze ogen verre van fraai zijn. We walgen van oorlog, maar zwelgen in verhalen over Jan van Schaffelaar, Che Guevara en het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is helaas niet anders.
De uit Padua afkomstige Romeinse historicus Titus Livius (waarschijnlijk 59 v. Chr.-17 na Chr.) heeft als geen ander de westerse beschaving van heldhaftige voorbeelden voorzien. Zijn tienduizend pagina’s tellende geschiedenis van Rome was direct vanaf het moment dat het werk begon te verschijnen verplichte schoollectuur, en dat is tot op de huidige dag zo gebleven, zij het dat inmiddels drie kwart van het geheel is zoekgeraakt. Vele generaties scholieren hebben zich met een mengsel van geamuseerde bewondering en wanhopige verveling een weg gebaand door Livius’ volzinnen over de grootheid van Rome en het door luxe en lediggang veroorzaakte verval der zeden. Wie kent Mucius Scaevola niet, die zonder dat daartoe ook maar enige noodzaak bestond zijn rechterhand in het vuur stak? Of Lucretia, die, nadat ze was verkracht, op grond van een nogal warrige redenering besloot een eind aan haar leven te maken? Wie heeft nooit van Hannibal gehoord, wiens gebrekkige geografische kennis hem ingaf in de winter met een kudde olifanten via de Alpen naar Italië te trekken?
LIVIUS WAS historicus, maar daaronder verstond men in de oudheid iets anders dan tegenwoordig. Hoofddoel van de geschiedschrijver was niet het achterhalen van de historische waarheid of het met omvangrijk feitenmateriaal onderbouwen van een wetenschappelijke hypothese omtrent gebeurtenissen uit het verleden, maar het vertellen van een goed en leerzaam verhaal. De historiograaf was, net als de dichter van een epos, een literator. Natuurlijk waren er ook toen historici die hun werk op controleerbare feiten baseerden, maar zeldzaam waren die wel. Van Livius is bekend dat hij persoonlijk geen primaire bronnen heeft geraadpleegd. Hij ging voetstoots af op de historiografen die hem waren voorgegaan, en waar die elkaar tegenspraken, koos hij de leukste versie.
Ter verdediging moet gezegd worden dat er voor de vroegste geschiedenis van Rome überhaupt geen bronnen waren, zodat er weinig te raadplegen viel, wat Livius er niet van weerhield er honderden bladzijden over vol te schrijven. En voor wat betreft de perioden waaruit wel originele documenten beschikbaar waren, die tijd was zo lang dat het gewoon ondenkbaar was dat allemaal zelfstandig uit te zoeken. Op sommige plaatsen is, bijvoorbeeld doordat toevallig Griekse bronnen bewaard zijn gebleven, aantoonbaar dat Livius de gebeurtenissen om verteltechnische redenen verdraait. Dat Livius dit doet is jammer, want voor de meeste feiten is hij onze enige bron. Maar daar ging het dus niet om. Hij wilde een spannend verhaal met een simpele moraal vertellen. Laten we bekijken of hij daarin is geslaagd.
Livius staat bekend om zijn anekdoten over kleurrijke figuren, en om zijn veldslagen. Wie een poging doet de nu in vertaling verschenen gedeelten van Livius’ werk achter elkaar te lezen, moet dat beeld iets bijstellen. Het grootste deel van deze veertienhonderd bladzijden wordt in beslag genomen door veldslagen, gesprekken over veldslagen, gevolgen van veldslagen of voorbereidingen van veldslagen. Na het twintigste treffen met de Aequen, de Volsken en de Veienten of hoe al die jongens ook heten, krijgt men hevige aandrang het boek een plek naast de telefoongids te geven, maar gelukkig is er dan steeds weer een ijzersterk verhaal over een vader die geen traan laat als zijn zoon sterft, een dictator die bescheiden afstand doet van de macht, of een veldheer die doodkalm sneuvelt met een citeerbare tekst op de lippen.
LIVIUS WAS een man uit de provincie die zelf geen actieve rol in de politiek speelde. Misschien verklaart dat waarom zijn werk zo weinig staatkunde bevat. Voor Livius zijn het individuele personen die, gedreven door duidelijk omschreven karaktertrekken en morele principes, de gebeurtenissen aanjagen. De geschiedenis is een aaneenschakeling van persoonlijke en veel minder van politieke of economische drama’s. Daarom besteedt Livius uitvoerig aandacht aan de hoofdrolspelers van zijn schouwtoneel. Helaas is zijn psychologisch inzicht vrij armzalig. In tegenstelling tot de mensen die het werk van de Griekse historiograaf Herodotos bevolken, die weliswaar in vreemde werelden leven maar desondanks normaal praten, zijn de personages van Livius vrijwel zonder uitzondering rare mensen die rare dingen zeggen. Nergens wordt iemand in de directe rede geciteerd, of hij doet in onwaarschijnlijk ingewikkelde zinnen de meest hoogdravende uitspraken. In deze boeken komen nauwelijks mensen voor met wie je wel eens een borrel zou willen drinken. Wanneer Coriolanus zich koppig van Rome heeft afgewend, tracht zijn moeder hem met de volgende woorden te vermurwen: ‘Laat me, voordat ik je omhelzing aanvaard, eerst weten of ik bij een vijand of bij een zoon gekomen ben, of ik gevangene of moeder ben in dit kamp van jou. Heeft mijn lange leven en mijn droeve ouderdom het zover met mij laten komen dat ik je eerst als balling en daarna als vijand moest aanschouwen?’ En dat gaat dan nog een halve bladzijde zo voort. Livius denkt kennelijk dat het leven een opera is.
Dat brengt ons op zijn stijl. Quintilianus, hoogleraar toegepaste taalkunde ten tijde van keizer Domitianus, omschrijft Livius’ idioom als lactea ubertas, 'romige volheid’. Dit oordeel is in zoverre eenzijdig, dat Quintilianus voorbijgaat aan de talloze passages waarin Livius in korte zinnen zakelijke informatie geeft. Maar daar staat tegenover dat overal waar het spannend wordt, waar menselijke drijfveren worden afgewogen of de stemming onder het volk wordt gepeild, waar bloed vloeit of redevoeringen worden gehouden, de lengte van de zinnen toeneemt en de uiterste zorg is besteed aan klank, ritme en symmetrie.
Wie Livius’ Latijn een uurtje tot zich neemt, zal zich genoeglijk door die voluptueuze boezem van taal laten smoren en de romige volheid met verzaligde teugen indrinken. Maar dan is het ook echt genoeg. Livius orkestreert zijn verhalen als waren het symfonieën van Sjostakovitsj, met een overdaad aan schetterend koper. Neem nu deze mededeling: 'Er werd nu beroep aangetekend door de man die het recht van beroep had afgeschaft, de bescherming van het volk werd ingeroepen door de man die alle rechten van dat volk met voeten had getreden, de man die een vrij persoon naar de slavernij had verwezen, werd nu naar de gevangenis gesleept zonder aanspraak te kunnen maken op enig vrijheidsrecht.’ Een aardig idee, die drie antithesen, maar na de eerste hadden we het ook wel begrepen. En dit soort paukenslagen zet Livius soms enige malen per bladzijde in.
OMDAT EEN overvloedige toepassing van retorische middelen in Nederlands proza ongebruikelijk is, hebben de vertaalsters de meeste van die effecten gladgestreken: allitteraties en assonanties zijn meestal verdwenen, antithesen afgezwakt, en dramatische afwisseling van werkwoordstijden is doorgaans niet overgenomen. De Latijnse zinnen zijn vaak al langer dan wij in het Nederlands prettig vinden, bovendien worden uit het Latijn vertaalde zinnen in onze taal meestal nog anderhalf keer zo lang. Daarom zijn de meeste van die volzinnen in stukken geknipt. Ik denk dat deze ingrepen onvermijdelijk waren; het resultaat is in ieder geval een goed leesbaar Nederlands. Mijn enige bezwaar is dat bepaalde woorden die een thematische functie hebben, niet overal op dezelfde manier zijn vertaald. Zo wordt Flaminius, de consul die bij het Trasumeense meer door Hannibal in de pan zal worden gehakt, binnen één hoofdstuk driemaal ferox, 'woest’ genoemd, een woord dat bijvoorbeeld voor bloeddorstige dieren wordt gebruikt; in de vertaling treffen we achtereenvolgens 'overmoedig’, 'impulsief’ en 'strijdlust’. Maar afgezien van dergelijke kleinigheden is de vertaling een indrukwekkend geheel. Onbedoeld gevolg van de vlotte leesbaarheid is echter dat Livius het nu niet meer van zijn romige volheid, maar geheel van zijn gebeurtenissen moet hebben. Laat de latinist zich nog gewillig afleiden door Livius’ bedwelmend balkon, wie de vertaling leest merkt pas hoe ongelooflijk saai het grootste deel van deze boeken is.
Gelukkig wordt de inhoudelijke eentonigheid op gezette tijden onderbroken door moraliserende uitspraken van het meest weerzinwekkende type. Helemaal in het begin beweert Livius al: 'Maar de geboorte van een zo grote stad en het begin van het machtigste rijk na dat van de goden was, denk ik, voorbeschikt door het Lot.’ Zo spreekt koning Romulus: 'Ga en verkondig aan de Romeinen dit: het is de wil van de hemelingen dat mijn Rome de hoofdstad van de wereld zal zijn. Laat ze de krijgskunde beoefenen; laat hun weten en aan het nageslacht doorgeven dat géén macht van mensen in staat is Romeinse wapens te weerstaan.’ En na de opmars naar Suessa Pometia schrijft Livius argeloos: 'Binnen enkele dagen werd de stad veroverd en voor plundering vrijgegeven; dat bracht enige verbetering in de situatie van de armlastige soldaten. Met roem en eer beladen bracht de consul zijn overwinnend leger naar Rome terug.’
Nu kunnen we nog van mening verschillen over de vraag of je moderne opvattingen over macht en oorlog op Livius mag loslaten, die immers in een volstrekt andere samenleving werkte. Hij wist niet beter, kon misschien ook niet beter weten dan dat Rome het middelpunt van de wereld was en vanzelfsprekend het volste recht had alle andere volkeren zijn wil op te leggen. Dat ook veel mensen uit de wingewesten er zo over dachten, blijkt uit de anekdote van de Spanjaard die het werk van Livius zo bewonderde dat hij naar Rome reisde om een glimp van de historicus op te vangen, waarna hij meteen de terugtocht aanvaardde. Kennelijk sprak de boodschap van Livius een breed publiek aan.
Dat is lang zo gebleven. In 1413 werd in Padua het vermeende graf van Livius gevonden. Enkele decennia later verzocht de Napolitaanse ambassadeur in Venetië de Paduanen een deel van de arm waarmee Livius zijn werk zou hebben geschreven, aan zijn heer af te staan. Inderdaad werden enige botjes naar Napels verzonden, waar ze als reliek werden tentoongesteld.
BELANGRIJKER is uiteraard dat ook Livius’ ideeën nog lange tijd weerklank vonden. Het meest overtuigende voorbeeld daarvan is een zojuist voortreffelijk vertaalde verhandeling van Machiavelli, de Discorsi sopra la prima deca di Tito Livio. In dit enigszins rommelige werk van de Florentijnse politicus worden de eerste tien boeken van Livius’ geschiedwerk als leidraad genomen bij een onderzoek naar de wijze waarop een staat - lees: Florence - het best bestuurd en uitgebreid kan worden. Pragmaticus als hij is, wil Machiavelli niet zozeer weten of een bepaalde handelwijze goed of kwaad is, als wel of ze werkt of niet. Met Livius onder handbereik schrijft hij dan ook zinnen als deze: 'Wie uit vrije wil en dus uit eerzucht oorlog voert, is erop uit om land te veroveren en vast te houden, en de oorlog zo te organiseren dat zijn eigen land er rijker in plaats van armer door wordt. Bij de uitvoering en consolidering van een verovering dient het streven er dus op gericht te zijn de staatskas niet te belasten, maar juist te spekken. Wie dit allemaal wil nastreven, dient te opereren volgens de Romeinse stijl en strategie.’
Het is zonder twijfel politiek correct om dergelijke opvattingen van de hand te wijzen. Maar om ons heen kijkend moeten we vaststellen dat zowel Realpolitiker van grootmachten als krijgsheren in wat wij onbeschaafde landen noemen, nog iedere dag op dezelfde manier te werk gaan, terwijl ook ideologieën die de superioriteit van het ene volk ten opzichte van het andere propageren, nog altijd floreren. Kennelijk is er, zoals Machiavelli dacht, nooit iets nieuws onder de zon: 'Dat komt omdat die dingen tot stand worden gebracht door de mens, die altijd door dezelfde hartstochten wordt en werd beheerst, en daardoor altijd tot dezelfde dingen komt.’
Misschien is zelfs het Winterswijkse non-monument een produkt van ’s mensen eigenwaan en hypocriet versluierde machtshonger. Want leverde neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog niet grote economische voordelen op? Nee, er is niets nieuws onder de zon. Daarom kan het geen kwaad zo nu en dan Livius ter hand te nemen.