Ger Groot

Rasoel

Op een verstofte schap in mijn literaire geheugen ligt het dossier Mohamed Rasoel, schrijver van het pamflet De ondergang van Nederland, waarin harde noten werden gekraakt over de groeiende invloed van de islam. Dat was dertien jaar geleden; van Ayaan Hirsi Ali had nog niemand gehoord en Nederland was te klein. Wie ging er schuil achter het pseudoniem «Rasoel», dat de schrijver als een tweede Salman Rushdie moest beschermen tegen islamitische wraak? Was het pamflet wel geschreven door een gevluchte moslim of eerder door een racistische ghostwriter die zichzelf in de schaduw hield?

De klopjacht op Rasoel, uniek in de Nederlandse persgeschiedenis, had na enkele weken resultaat. De schrijver bleek een tweederangs variétéartiest uit Pakistan zonder veel literair benul maar mét een strafblad. Twee jaar later werd hij veroordeeld tot een boete van tweeduizend gulden wegens racistisch geschrijf.

Teun van Dijk, hoogleraar tekstwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, zag het allemaal met lede ogen aan. Niet de boete, want antiracisme lag hem zéér na aan het hart, maar wel de persoon die terecht stond. Niet deze Zoka Fatah was de schrijver van het pamflet geweest, maar — zo had hij met 95 procent zekerheid vastgesteld — Gerrit Komrij.

Dat beviel de laatste maar matig. In een reeks striemende columns maakte hij de «tekstprofessor» het leven zuur en diende ten slotte een aanklacht in wegens smaad die door de rechtbank werd geseponeerd: gevreesde columnisten moeten hun eigen boontjes kunnen doppen. Komrij niet blij, maar Van Dijk ook niet, want zijn reputatie lag te grabbel en de ware booswichten bleven buiten schot. «Een geval van elite-racisme», constateert hij dan ook in de ondertitel van zijn zojuist verschenen boek De Rasoel-Komrij Affaire (Uitg. Critics), waarin de hele zaak nog eens dunnetjes wordt overgedaan.

Niet alleen Komrij staat bij Van Dijk terecht. Ook vertaler René Kurpershoek, die Rasoels manuscript tot Nederlands zou hebben gefatsoeneerd, moet het ontgelden, net als NRC Handelsblad, dat al eerder een samenvatting van het schotschrift op de opiniepagina had afgedrukt. Een racistische «samenzwering», zo concludeert Van Dijk, uit de kringen van ons kent ons waartegenover justitie zich nog altijd zéér klassenbewust toont.

Helemaal ongelijk zal hij wel niet hebben. Dat Zoka Fatah niet de schrijver was van De ondergang van Nederland wordt in zijn boek tamelijk plausibel, dat Komrij de schrijver was een stuk minder. Maar het schandaal dat Van Dijk denkt bloot te leggen keert zich in dit kissebisserige boek, gepubliceerd op de valreep van zijn vertrek naar het buitenland, tegen hem. Want wat «Rasoel» ten laste werd gelegd, klinkt ruim tien jaar later eerder profetisch dan schokkend.

Over de bewijzen van Rasoels racisme die Van Dijk weet te produceren, haalt vandaag de dag nauwelijks nog iemand de wenkbrauwen op. Er is in Nederland veel veranderd, maar in De Rasoel-Komrij Affaire, waarin Frits Bolkestein nog de grote politieke boeman is, merk je daar niets van. De naam Fortuyn valt pas in het nawoord van iets meer dan twee pagina’s. Voor de rest is het boek een prachtig tijdsdocument dat op tafel ploft als een getuigenis van intellectuele verdwazing uit vervlogen decennia.

Niets in Van Dijks boek verraadt enig besef van de schade die dit scherpslijpend geuzenverzet tegen ieder «alledaags racisme» de linkse politiek heeft toegebracht. In plaats van bezinning op wat er misging ventileert het nog eens het verwijt dat Nederland een louter «formele» democratie zal blijven zolang illegalen er niet mogen stemmen. En is iedere maatschappelijke wrijving vanzelfsprekend de schuld van een autochtone bevolking die blij is de schuld te kunnen afschuiven op «een handjevol Marokkaanse bengels».

De Rasoel-Komrij Affaire verdient een plaats in het dossier van de kamercommissie die wel en wee van de integratiepolitiek onderzoekt, als een bewijsstuk à charge. En in de handen van de NRC-redacteuren die zich na de moord op Pim Fortuyn gekweld hebben afgevraagd wat ze fout hadden gedaan bij het peilen van de samenleving. Lees de opinie pagina van 6 maart 1989 nog eens over en stel vast dat de krant de kritische commentaren niet heeft geschuwd. Het enige wat haar heeft opgebroken is dat ze er te vroeg mee was.