Rationele irrationaliteit

Esther Gerritsen, Dorst. De Geus, 216 blz., € 19,95

Het mag bekend zijn dat de vrouwelijke personages van Esther Gerritsen nooit helemaal de aansluiting hebben gevonden bij de wereld waar ze in leven, met als hoogtepunt het even komische als wanhopige Superduif (2010), over een dik meisje dat ervan overtuigd is dat ze in een wanstaltig grote duif kan veranderen om zo mensen te redden. Bij het lezen van haar nieuwe roman Dorst, over twee op z’n minst contactgestoorde vrouwen, studente Coco en haar terminaal zieke moeder Elisabeth, kun je je afvragen of nu ook de muren tussen ‘gek’ en ‘normaal’ definitief afgebroken zijn. Of dat de termen omgekeerd zijn, dat gekte vanzelfsprekend is en logica het ziektebeeld. Zo speelt Gerritsen het tenminste wel. Als de collega van Elisabeth haar handen vastpakt en zegt hoe blij hij is haar weer te zien, schrijft ze het zo pontificaal op dat het lijkt alsof hij iets absurds zegt. Als de wat oudere vriend van Coco, Hans, in een Chinees restaurant een rijsttafel voor drie wil bestellen (die alleen per twee of vier op het menu staan), rekt Gerritsen de discussie met zijn disgenoten en daarna de serveerster en haar manager zo lang op dat ze suggereert dat hij volslagen belachelijk is dat hij iets normaals wil.

‘Alsof je een steen in het water gooit en er rimpelt niets’, beoordeelt Coco het emotionele bereik van haar vriend – het probleem van Coco is natuurlijk dat zij geen vijver is, maar eerder een opblaaszwembad, dat niet alleen met horten en stoten leegloopt, maar ook bij elke windvlaag radicaal kan omslaan.

Die botsing (en gedaanteverwisseling) van logica en gekte voert Gerritsen heel variërend door haar nieuwe roman heen. Het meest expliciet zit het bij Coco, die zichzelf te dik vindt maar niet kan ophouden met eten. Ze eet een broodje snijworst, en zodra haar lunchpartner weg is bestelt ze nog een broodje warm vlees met pindasaus. In bed eet ze Carmac en Toffee Cups. De eerste keer dat de lezer haar meemaakt, als ze wegfietst van het gesprek waarin haar moeder haar van haar ziekte verwittigde, voelt ze haar maag rommelen – dat kan verliefdheid zijn, maar ook, logischer, honger. Ze bedenkt dat als ze vlug omkeert die ene snackbar met raspatat niet eens zo heel ver weg is. Als ze aan komt fietsen maakt ze zich zorgen, want er lijkt een nieuwe eigenaar te zijn en heeft die verdomme wel raspatat? ‘Pas na het uitspreken van de bestelling “Eén raspatat met en twee frikandellen alstublieft”, pas na het afrekenen (heeft hij haar wel goed verstaan?) en nadat de frikandellen in het vet zijn gegleden, pas als de man zich omdraait en de verdekt opgestelde raspatat­machine bedient, zucht ze, draait zich om en neemt opgelucht plaats aan het tafeltje voor het raam, met uitzicht op de sleutelzaak aan de overkant van de straat.’

Het overeterige is de basisconditie van Coco, die met de ziekte van haar moeder nog eens wordt aangewakkerd, net als haar hang naar drank en naar seks, uiteindelijk met zo willekeurig mogelijke mannen (wat zich er vooral in uit dat zij dronken en boos mannen zo ongeveer tot fellatio dwingt – en ja, dat leest u goed). De moeder is subtieler, meer gelaagd, zonder twijfel het interessantste personage. Ze hield van haar kind maar sloot het als tweejarige op in haar kamer (want of ze haar niet opsloot of niet, ze jankte toch wel). Als klein kind ging Coco door een glazen deur heen en terwijl haar kind lag te bloeden dacht Elisabeth: ‘Hier heb ik vrede mee, dit einde.’ Dezelfde vrede heeft ze met haar eigen naderende dood, die ze met durf en een soort ironische afstand gadeslaat. Het begint er al mee dat ze haar dochter op straat tegenkomt en zegt dat ze ‘een nieuwtje’ heeft: kanker, geen medicijn. Bijna opgevrolijkt fietst ze weer weg, ze kan nu eindelijk haar dokter zeggen dat ze het nieuws ‘gedeeld heeft’.

Het einde van het boek is onvermijdelijk, maar in de laatste handelingen voltrekt zich een mooie symmetrie waarin moeder en dochter allebei, symbolisch, teruggaan in de tijd, en hun intense band nog eens bevestigen. Hoewel Gerritsen de gekte-versus-normaal-botsing soms wat hardhandig doorvoert (zo is Hans wel héél overdreven rationeel), zit Dorst vol beelden (de moeder die ook na de bevalling denkt het kind nog steeds in haar buik te kunnen voelen) en kleine intimiteiten die het buitengewoon integer doen aanvoelen. Misschien is ‘integer’ een gek compliment voor een roman (want: het is fictief), maar toch kwam die kwalificatie het meest bij me op. Het is geen emo-tv, geen kijk-ze-eens-gek-doen, Esther Gerritsen wil niet scoren door sentimenteel te doen, geen Grote Woorden op het doodsbed, maar gewoon, moeder en dochter die op hun manier, samen, een einde beleven.