Ratjeknor

Twintig jaar geleden was ze bekend door acht piepkleine boekjes die in woord en beeld verhaalden over het persoonlijke wel en wee van allerlei beestenspul: Jantien Buisman. Naar goed jarenzeventiggebruik leefden de dieren min of meer communaal samen in de ‘Ruige Berm’, waar ze de paardebloem en andere onkruidachtigen bewust lieten voortwoekeren. Helder staat mij de veel te dikke Mijnheer van der Spek voor de geest, die door juffrouw Slenter verlost wordt van zijn ziele- en andere pijnen, en het minimeesterwerk over de egels Kees en Keetje, die een latrelatie uitproberen.

Van Jantien Buisman hebben we sinds 1979 niets meer vernomen, maar nu ligt daar plotseling Samuel Rat en zijn vriendjes, en het lijkt of ze nooit is weggeweest. In de acht korte verhalen zijn de hoofdrollen voor een rat, een muis, een mol en een kikker, allemaal in kledij die het midden houdt tussen pyjama en joggingpak. De omgeving is landelijk, met kleine huizen en weggetjes die naar verre horizonten kronkelen. Men eet pannekoeken, er valt veel sneeuw en geschaatst wordt er op Friese doorlopers.
De dieren hebben duidelijke karaktertrekken. Johannes de Mol is de intellectuele sloddervos, opgelucht wanneer zijn ‘enige, nette, zondagse pak voor deftige gelegenheden’ blijkt te zijn weggegeven, want 'als ik geen pak meer heb, kan ik niet meer naar deftige gelegenheden’. Klaartje Kikker is de dichter die graag zwelgt in andermans en eigen verdriet - 'wat tragisch en dramatisch!’ - en de zorgende, inkeurige Julia Muis droomt van een 'tomeloos en mateloos’ bestaan.
Prijsfiguur is Samuel Rat, een onaangename oude knorrepot, die er alles aan doet om verschoond te blijven van gezelschap, maar stiekem geniet van elk flintertje aandacht. De meeste dieren zijn van binnen nu eenmaal anders dan van buiten, zoals Klaartje Kikker weet.
De gebeurtenissen zijn niet opzienbarend. Het draait om de dierlijke interactie, de droogkomische beschouwingen over wat dan ook en de fraaie, soms absurdistische dialoogjes. Zonder nadrukkelijkheid gelden onder het dierenvolk bepaalde waarden. Je brengt elkaar een pan soep, je organiseert stilletjes een verjaarsfeest of schrijft een goede brief en je zingt vooral luide en ouderwetse liederen met elkaar. En van groot belang is het om je niet te veel aan te trekken van hoe alles moet en hoort. Wie iets ingewikkelds moet uitleggen, schetst dat breeduit op het behang, wie graag alleen wil zijn, moet dat vooral doen, en soep eet je het prettigste in bad.
Bij die scène staat een plaatje van drie tevreden beesten, met hun soepkommen gepropt in zo'n bad op pootjes, dat aan de kant waar een pootje ontbreekt, steunt op een stapeltje boeken. Meer nog dan de tekst bepalen de gedetailleerde pentekeningen - bovenaan elke blazijde één - de sfeer die ergens tussen de jaren vijftig en zeventig inhangt. Het is studentikoos kamperen met de boeken in sinaasappelkistjes, borden en pannen op de grond, de koffiepot op het petroleumstel, een peertje aan het plafond, de poten op een voetenbankje en in elke kamerhoek een bezem. Het biedt een omkaderde knusheid, waar het goed toeven is. En ergens in de reeks wordt Buismans keuze voor dieren duidelijk: mensen tekenen kan ze niet. In deze besloten wereld horen ze niet thuis.