Danilo Kis, De luit en de littekens. Uit het Servokroatisch vertaald door Reina Dokter, uitg. De Bezige Bij, 135 blz., f 32,50
Veel werk heeft Danilo Kis bij zijn dood in 1989 niet nagelaten. Bovendien dateren de meeste verhalen uit de postume bundel De luit en de littekens van voor 1983, het jaar van Kis’ laatste boek, de verhalenbundel Encyclopedie van de doden, waarvan ze oorspronkelijk deel zouden uitmaken. Ook deze verhalen tonen aan dat Kiseen geboren romanschrijver was. Het schijnt dat hij na elk boek verzuchtte dat zijn stof was uitgeput: na Zandloper zou zijn familiebron zijn opgedroogd; na Een grafmonument voor Boris Davidovitsj vreesde hij dat al zijn obsessies op waren, en met minder wenste hij het niet te doen. Toch volgde toen de schitterende Encyclopedie.

Verhalen? Thematisch sloten de negen verhalen zozeer op elkaar aan, er zaten zoveel dwarsverbindingen in, dat je evengoed van een roman kon spreken. De romanschrijver manifesteert zich al in het klein. Neem het verhaal ‘Joeri Goletz’ uit de postume bundel. De verteller wordt opgebeld door een oude vriend, die meldt dat zijn vrouw gestorven is en dat hij dringend een pistool nodig heeft om er zelf een eind aan te maken. Drieendertig jaar was het stel getrouwd, allebei kwamen ze uit een kamp - de vrouw uit een Russisch en de man uit een Duits kamp. In de kortst mogelijke tijd heb je een kluwen verhaallijnen in handen: stof voor een hele roman of een roman in het klein. In het Post Scriptum vertelt hij welke reele persoon achter de hoofdpersoon schuilgaat, gaat hij in op de prijs van de bontjassen die de overleden vrouw had gedragen en in zijn levendige herinnering duiken er uit haar kleerkast hele ritsen associaties op. 'Groot is de verleiding van het verhaal’, besluit hij zijn naschrift. 'Daarin mogen niet, zoals in een roman, zomaar deuren van kasten en bergruimten worden geopend.’
In het titelverhaal vertelt Kis over het Russische emigrantenechtpaar bij wie hij in zijn studententijd in Belgrado inwoonde. Voor de dove man speelde hij op diens luit, voor de vrouw gaat hij tijdens een reis in Rusland op zoek naar haar verdwenen zuster en vriendin. In zijn naschrift bij dat verhaal staat dat hij op zijn eigen manier het door Truman Capote bekend geworden genre van de faction had willen beoefenen, 'waarin het aandeel van de fantasie tot een minimum wordt beperkt en de feiten alles zijn’. Maar in 'Joeri Goletz’ was hem dat niet gelukt, voegt hij er aan toe.
Nee, natuurlijk niet. Bijna elk verhaal in deze bundel laat zien hoe dat bij hem werkt, of hoe een roman ontstaat: hoofdlijnen komen tot leven door dwarsverbindingen, zijwegen, aansluitingen, associaties. In het eerste verhaal, 'De apatride’, kun je dat goed volgen. In de eerste fragmenten borduurt Kis voort op een paar regels over de Hongaars-Oostenrijkse schrijver Von Horvath, die in 1938 in Parijs werd gedood door een omvallende boom; ook Von Horvaths herkomst was wat taal en ras betreft een ratjetoe, ook voor hem gold dat de wereld zijn vaderland was. Wij zien nu hoe Kis die stof essayistisch begint te besnuffelen, erop in, dat wil zeggen: erop door gaat. En uitwerken wordt dan onvermijdelijk verzinnen - hoezeer hij zich ook aan de feiten wil houden. Zelfs een korte tekst als A en B, waarin eerst een 'betoverende plek’ wordt beschreven en vervolgens 'het afschuwelijkste hol’ wordt getoond, het huisje in Hongarije waar hij als boerenknecht van 1942 tot 1947 de oorlog ontliep, bevat al een scenario voor een roman.
Vlak voordat Kis in 1986 hoorde dat hij ongeneeslijk ziek was, begon hij aan een autobiografisch project met als titel Leven, literatuur om met zichzelf als proefpersoon de grens tussen het beleefde en het geschrevene af te tasten. Hij heeft het behalve een aantal vraaggesprekken tot niet meer dan twintig pagina’s gebracht; de nagelaten verhalen geven een indruk welke kant het plan zou zijn uitgegaan - onvermijdelijk zou het een roman geworden zijn.