Van Jeruzalem naar Bouillon #27: Slachtfeest

Rauw bestaan

In een zoektocht naar creativiteit, humanisme en vooruitgang loopt filosoof Ralf Bodelier dit jaar een omgekeerde kruistocht van Jeruzalem in Israël naar Bouillon in de Belgische Ardennen. In deel 27: lopen door boerenland.

En dan heb ik toch nog de kans om een foto te maken. Ik zie het dampende vat boven een houtvuur, een man met lange messen en een vrouw met muts en laarzen die plastic zeil op tafels legt. Drie andere mannen verdwijnen in een hok. Ik peuter mijn smartphone uit mijn broekzak en hoor het varken al krijsen. Een fors dier komt spartelend aan een touw naar buiten. Mijn verkleumde vingers proberen de camera te openen, maar er klinkt al een knal. Stuiptrekkend davert het beest op de grond. Twee mannen houden hem in bedwang, de messenman snijdt zijn keel door. Vers bloed golft in de modder. Vangen ze het hier niet op om er bloedworst van te maken?

Lopen over de noordelijke Balkan, van Belgrado naar Zagreb, is lopen door boerenland. Zwaar, primair en rauw. Dat begint al met het lopen zelf. Als lood klontert dikke klei aan mijn schoenen. Ik zwaai naar mannen en vrouwen die midden in hun akkers witte kolen oogsten. Moeizaam komen ze uit hun gebogen houding overeind en zwaaien terug, met de andere hand in hun verkrampte rug. Ga er maar eens aanstaan, denk ik. De hele dag, de hele week, wellicht een hele maand kool snijden. Kool na kool, met je gezicht naar de grond, je handen in de natte, koude bladeren. Je begint in de nevelen van de vroege ochtend en eindigt uitgeput bij het vallen van de avond. Om de dag sta je dan te vernikkelen bij diezelfde witte kolen, nu ter verkoop opgestapeld op een boerenkar voor je huis.

Ik sta ook lang stil om naar die huizen te kijken. Ze zijn opgetrokken uit eensteensmuren. De gammele ramen hebben kieren en bevatten enkel glas. Brandhout ligt hoog opgestapeld. Uit alle schoorstenen kronkelt grijze rook. Het kan niet anders of in de koude balkanwinter stook je die woningen amper warm. Her en der ronken kettingzagen waarmee complete bomen in blokken worden gezaagd. Vrouwen hakken ze in stukken. De kloofbijlen die ze gebruiken, wegen alleen al tegen de vier kilo. Til zo’n ding maar eens op, hoog boven je hoofd, honderden keren, tot zo’n boomstam volledig verwerkt is.

De erven tussen de woningen zijn modderig. Het is de tijd van het jaar. Iedereen hier draagt laarzen. Ganzen, kippen en schapen scharrelen in de drab. De erven zijn afgesloten door hekwerken. Daarachter waken grote honden. Plots en grauwend vliegen ze tegen de hekken op. Keer op keer jagen ze me de stuipen op het lijf. Ook weerhouden ze me ervan eens zo’n boerenerf op te wandelen en een praatje te maken. Voordeuren met bellen hebben die huizen niet. Je vraagt je af hoe de dorpelingen onderling contact houden. Ook zij zullen het niet wagen zomaar het terrein van hun overburen op te lopen.

December is slachtmaand. Per dag loop ik wel vijf, zes of zeven keer langs een boerenerf met tafels vol vlees. Nu staan de hekken wel open en zijn de honden aangelijnd. Vrouwen in slobberjacks en met sjaals om het hoofd roeren met forse spanen in dampende ketels. Dorpelingen drommen rond de tafels en vertrekken met volle plastic zakken. Op twee momenten loop ik langs een bleek en onthoofd varken, hangend aan de riek van een tractor. Een keer wordt een varken uitgebeend, bungelend onder een afdak.

En nu zie ik dus ook het doden zelf. Mijn camera klikt op het moment dat de slager al twee, drie keer zijn mes door de hals van het varken heeft gehaald. En ook al zit er zeker dertig meter tussen mij en de slachters, het lijkt alsof ik de slapper wordende spieren, het verdwijnende leven en de metalige geur van bloed zelf ervaar. De mannen stellen het niet op prijs dat iemand op afstand foto’s staat te maken. Een van hen steekt zijn middelvinger op. En terecht, in hun plaats zou ik dat ook niet fijn vinden. Doorgaans stap ik op iedereen af, maak een praatje en vraag dan om toestemming. Nu ging het even niet anders. Niet veel later loop ik alsnog een erf op. Hier ligt het varken al uitgebeend en in stukken. Ik kijk in de kookpotten en snuif het gekruide pruttelende vlees op.

Ik ben WEIRD, want kom uit een samenleving die ‘Western, Educated, Industrialized, Rich en Democratic’ is. Uit een maatschappij waar allang niet meer zelf wordt geslacht, waar we griezelen van bloed, en die ons laat meelijden met stervende dieren. Waar we inmiddels weten dat varkens empathische, sociale en intelligente wezens zijn, vergelijkbaar met dolfijnen en mensapen. Varkens communiceren onderling. Ze kunnen lijden en rouwen en ze zijn zelfs in staat om abstract te denken. Het weerhoudt ons er niet van om jaarlijks miljoenen varkens vet te mesten en te slachten. Strikte voorwaarde is dat we er niets van meekrijgen. Dat is in Kroatië dus anders. En de vraag is hoelang dat nog zo zal zijn. Want ook de Balkan, en zeker Kroatië, schuift op naar een westerse, onderwezen, geïndustrialiseerde, rijke en democratische samenleving. Nu al zullen jongeren het slachten en uitbenen van een varken minder vanzelfsprekend vinden dan hun ouders en grootouders.

Ik ben WEIRD, kijk naar de mannen en het stuiptrekkende varken op het boerenerf en zie twee verhalen. Het eerste verhaal is dat van het varken zelf. Welnu. Ergens in het voorjaar arriveer je in de achterbak van een auto en verdwijn je voor acht lange maanden in het halfduister van het varkenskot. Daar leef je op hooi, gekookte resten uit de keuken, oud brood en restanten groenten en fruit uit de tuin. Je bent bang en je hebt behoefte aan troost en gezelschap, maar vrienden kun je hier wel vergeten. Je verveelt je te pletter, de enige afwisseling is de vrouw die een paar keer per dag een emmer voer in je trog komt storten. Wroeten, je wentelen in de modder en schuren tegen bomen lukt al evenmin. Al snel word je zwaar.

Op een koude herfstdag is er rond je hok veel activiteit. Nog voor zonsopgang arriveren mannen. Onder een vat water steken ze vuur aan, zetten kommen, bakken en tafels neer en slijpen lange messen. Nieuwsgierig bekijk je het tafereel door de spleten van je stal. Vandaag wordt hier gefeest, dat voel je. Dan verschijnen drie mannen in je gevangenis. Een van hen is jong en draagt een rode werkbroek. Voor je doorhebt wat er gebeurt, zetten ze je klem en zeulen je ze aan een touw naar buiten. Voor het eerst sinds het voorjaar bevind je je in het heldere daglicht. Tien minuten later hang je leeg te bloeden naast een kinderschommel. Het feest, dat ben jij.

Het tweede verhaal is dat van de knul in zijn rode werkbroek. Welnu. Vroeg in de ochtend sta je op en trek je warme kleren aan. Een trui, dik vest, je oude rode broek, gevoerde laarzen en zwarte muts. Het is donker en koud. Je ouders zijn nog in diepe slaap. Je gooit alvast wat hout in de kachel. Dan stap je op je fiets en vertrekt naar de andere kant van het dorp. Wanneer je het erf oploopt, zijn anderen al aan de slag. Aan een boomtak knopen ze een lier, pal naast een schommel. Een oude man ontrolt een foedraal met een dozijn messen die hij stuk voor stuk begint te wetten. Vlijmscherp zullen ze deze ochtend door het roze vlees snijden. Je huivert. De dood hangt in lucht. Het is voor het eerst dat je meehelpt bij een slacht.

Je draagt kommen met zout, peper, specerijen en meel naar buiten. En je tapt emmers water die je leeggiet in het vat boven het vuur. Er is koffie en er zijn boterhammen met worst. Op een dienblad in de vensterbank wacht een fles Travarica omringd door glaasjes. Je wrijft je handen tegen de kou. Niemand zegt wat. Ook jij zwijgt.

De slager arriveert. Hij stopt een patroon in een korte stalen pijp en meldt dat het tijd is. Met twee anderen loop je het hok binnen. Je hart klopt. Angstig deinst het varken terug. Het lijkt je met mensenogen verwijtend aan te kijken. Een oudere man drukt het dier met zijn benen klem tegen de wand, jij drukt mee. De derde man trekt een lus over de varkensneus. Vervolgens is het trekken en sjorren, het dier brult en verzet zich. Het is jouw energie tegen die van hem. Je duwt tegen de warme, stevige kont en voelt de weerspannigheid van het leven. Je laarzen glijden door stront.

Eenmaal buiten zet de slager de stalen pijp tussen de varkensogen. Een knal en het dier slaat als een blok tegen de grond. Zijn poten spartelen en trekken. Met je volle gewicht hou je hem op de grond. Zweet gutst langs je lichaam. Doden van wat leven wil, kost inspanning. De slager trekt de varkenskop naar achteren en steekt een lang mes in de halsslagader. Je voelt de spieren verslappen en het leven wijken. In je neus de roestige reuk van kruit en bloed; van stront, gras en modder. De geur van zijn angst en van jouw kracht.

Het is volbracht. Het varken is dood. Je richt je op en je merkt dat je handen beven. Dan zie je, dertig meter van je vandaan, aan de doorgaande weg, een man met rugzak en donsjasje die foto’s maakt. Hij is niet van hier, hij komt van ver, waarschijnlijk uit West-Europa. Plots voel je je onbehaaglijk. Want je weet niet dat die man, ooit, lang geleden, deed wat jij zonet hebt gedaan.


Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.