Ravensbruck op rijm

Hoe overleef je een nazi-concentratiekamp? Door op God te vertrouwen, door in het socialisme te geloven of door tekeningen te maken op vodjes papier. Hetty Voute en Gisela Sohnlein zongen zich erdoorheen
HET ZIJN NU dames van ver in de zeventig, maar hun meisjesachtige vrolijkheid is nog altijd aanstekelijk. Ze zijn ook niet te beroerd de liedjes die ze in Vught en Ravensbruck hebben gemaakt nog eens te zingen of een aanleiding te zoeken er nog een coupletje bij te maken. Hetty Voute en Gisela Sohnlein waren in 1940 nette studentes. Zoals het hoorde waren ze lid van keurige vrouwelijke studentenverenigingen in Utrecht en Amsterdam. Ze waren allebei van goede familie en wilden in de eerste plaats van het leven genieten. En dat deden ze ook wel degelijk, maar dan dwars door verzetswerk, gevangenschap en concentratiekamp heen. Want de Duitsers kwamen en maakten dat genieten moeilijker.

Hetty Voute ging bijna onmiddellijk verzetswerk doen. Ze bracht het illegale krantje rond dat twee van haar broers maakten, ze pleegde op haar manier sabotage (‘Heel flauw, fietsbanden van NSB'ers doorsnijden en kraaiepoten op de weg strooien’) en spioneerde zelfs voor de Engelsen: 'Als studente biologie kreeg ik een vergunning om aan de kust fischereiwichtig onderzoek te doen. Aan een jongen die een radio had, gaf ik door waar een nieuw stuk luchtafweergeschut zat. Maar dat was allemaal amateuristische onzin.
Toen in 1942 de razzia’s tegen joodse mensen begonnen, wilde ik liever daar iets aan doen. Hoe het precies is gegaan, weet ik niet meer, maar al gauw bracht ik joodse kinderen vanuit Den Haag naar Noordwijkerhout. Ik had ook contact met de Palestinapioniers in Loosdrecht. Ik kreeg van hen distributiekaarten en zorgde voor adressen om hun kinderen onder te brengen. Toen hoorde ik dat een groep studenten in Utrecht hulp nodig had om joodse kinderen te laten onderduiken. In de zomervakantie van 1942 waren er veel jongens en meisjes die konden worden ingeschakeld, maar na de grote vakantie was er maar een kleine groep mensen die het zo belangrijk vonden dat ze met hun studie ophielden om ermee te kunnen doorgaan.’
Ook Gisela Sohnlein, die in Amsterdam studeerde, viel het niet meer zo gemakkelijk om plezier te maken. Er waren veel joodse meis jes lid van haar studentenvereniging, de AVSV, en die verdwenen de een na de ander. Ze woonde in die tijd recht tegenover het hoofdkwartier van de Gestapo in de Euterpestraat (nu: Gerrit van der Veenstraat). De hele nacht reden de overvalwagens af en aan, er werd geschreeuwd en gehuild in de nacht, er klonk het geblaf van honden. Sohnlein: 'We zaten er met onze neus bovenop, ik vond het vreselijk. Toen een medestudente me vroeg of ik wilde helpen joodse kinderen weg te brengen, heb ik dat meteen gedaan. Het was een nieuw aspect in mijn leven. Het was fantastisch iets te kunnen doen en je leerde heel aardige mensen kennen. Ik werd al gauw de verbinding tussen de groep in Amsterdam en die in Utrecht. Want mijn vader werkte bij de spoorwegen, dus kon ik gratis op en neer reizen tussen Utrecht en Amsterdam.’
Het werk van de vier 'kindergroepen’, die met elkaar 1100 joodse kinderen in veiligheid wisten te brengen, wordt uitgebreid en gedetailleerd beschreven in het zojuist uitgekomen boek van de historicus Bert Jan Flim, Omdat hun hart sprak: Geschiedenis van de georga niseerde hulp aan joodse kinderen in Nederland 1942-1945. Het is een meeslepend relaas. De groepen bestonden voor het overgrote deel uit heel jonge mensen die soms niet eens goed konden overzien hoe belangrijk hun werk was. Steevast zagen ze het niet als verzetswerk. Sohnlein: 'Het ging om kinderen, dat kon toch nooit zo erg zijn. Het was natuurlijk verboden, maar alles was in die tijd verboden, en dan: het was verboden door de Duitse bezetters, daar hoefde je je niet aan te houden.’
Misschien was het juist voor dit werk een voordeel jong en naief te zijn. Sohnlein: 'We waren eigenlijk gewoon te dom om echt te beseffen wat het allemaal betekende. Wat het voor de ouders was om van hun kinderen gescheiden te worden. Ik heb het me toen ook niet afgevraagd. De kinderen huilden nooit als je ze meenam. Maar wat er achter die deur gebeurde als je die achter je had dichtgetrokken - ik denk niet dat ik dat goed genoeg voelde.’
Voute: 'Ik was wat ouder dan jij en heb het me wel afgevraagd. Ik zei wel eens tegen die ouders dat we hen ook konden laten onderduiken. Maar dan zeiden ze: “Ach, we zijn nog jong, als we de kinderen niet bij ons hebben, kunnen we die werkkampen wel aan.” Wat er echt te gebeuren stond beseften wij niet en zij ook niet.’
ZE BESEFTEN evenmin hoe gevaarlijk het voor henzelf was. In juni 1943 werden ze echter allebei gearresteerd, bij de fietsenstalling in Utrecht waar hun fiets met de trein naartoe was gestuurd. Voute: 'Het was op mijn verjaardag. Het was Pinksteren en prachtig weer, de fietsenstalling bij het station stond ontzettend vol en mijn fiets stond helemaal vooraan. Ik dacht nog: “Goh, wat een bof.” Maar de SD stond erbij en die pakte me onmiddellijk. Toch lukte het me nog naar huis te bellen, zodat de anderen gewaarschuwd werden. Een Utrechtse agent was bereid eventjes de gang op te gaan.’
Sohnlein: 'Ik werd wel opgebeld dat we ’s avonds bij elkaar moesten komen om te overleggen, maar ik dacht dat ik eerst nog even m'n fiets kon ophalen. En daar stonden ze me op te wachten.’
Voute: 'Het was natuurlijk niet de bedoeling, maar achteraf ben ik dolblij dat Gisela ook gepakt is. Ik moet er niet aan denken dat ik al die tijd alleen had gezeten, zonder haar steun. Ik weet ook niet of ik al die verhoren had weten te doorstaan, het was verschrikkelijk veel moeilijker geweest.’
Werden ze gemarteld? Sohnlein: 'Nou nee, af en toe een draai om je oren.’ Voute: 'Je kunt veel beter klappen krijgen dan dat ze vriendelijk zijn. Als ze dingen van je willen weten en ze doen vriendelijk, is er een mechanisme in je dat geneigd is antwoord te geven. Als je een paar flinke draaien om de oren krijgt, neem je je meteen voor dat ze geen woord van je loskrijgen.’ Sohnlein: 'Dan was ik woedend en ging onmiddellijk huilen, ik dacht dat ze me dan zielig zouden vinden. Ze beschouwden mij toch als een dom blondje, ik had meer vrijheden dan Hetty. Die zat er veel meer in.’
HETTY VOUTE zat de eerste vijf dagen in de catacomben van de gevangenis van Den Bosch. Bij het luchten zag ze daar Gisela langsschuiven. Daarna, in Haaren - waar de Duitsers een gevangenis hadden in een oud seminarie - konden ze contact houden door te roepen via de tuimelraampjes boven de deuren.
Voute: 'En daar ben ik ook begonnen met zingen. Eerst nog in m'n eentje in mijn cel, want zingen is een geweldige afleiding als je zenuwachtig bent. Gisela hoorde me en is toen terug gaan zingen.’ Sohnlein: 'We hebben daar een half jaar gezeten en je moest toch wat. Dus dan zongen we.’
Voute: 'Langzamerhand begrepen we dat je al zingende contact kon hebben en elkaar kon vertellen wat er tijdens een verhoor was gezegd. We zaten tussen de jongens die gepakt waren in het Englandspiel. We smokkelden het bericht dat ze waren gepakt naar buiten, maar toen de Duitsers dat door hadden, zijn we in december 1943 voor straf naar het kamp Vught gestuurd.’
In Vught begon het liedjes maken pas goed. Voute: 'Toen waren we niet meer eenzaam opgesloten en hadden we voor het eerst een publiek. Met Pasen zeiden we dat we een liedjesprogramma zouden verzorgen. Er waren anderen die dansten of iets voordroegen en wij maakten liedjes: gekke verhalen op bekende wijsjes over wat er in het kamp gebeurde. Het Kapo-lied bijvoorbeeld, op de wijs van Daar bij die molen: “Daar bij die kolen, die zwarte kolen/ daar staat de Kapo waar ik zoveel van hou.” Een Kapo was vaak een criminele gevangene die toezicht moest houden. Dat liedje ging over de “hekkenmeiden” die ’s nachts door het prikkeldraad klommen om voor een extra stuk kaas of een ander privilege bij zo'n Kapo te zijn.’
Als ze er zo over vertellen lijkt het wel een zomerkamp. Sohnlein: 'Nee, dat was het helemaal niet, maar dat moest je er wel van zien te maken, je moest altijd de zonzijde zoeken. Op zondagmiddag hoefden we niet te werken, dan maakten we liedjes en zo. Intussen kwamen vanaf de zomer van 1944 de geallieerden steeds dichterbij. Dat was enerzijds een bron van vreugde en gaf anderzijds veel verdriet, omdat er toen zoveel mensen zijn gefusilleerd. Maar we dachten dat het niet lang meer kon duren.’
Voute: 'Achteraf denk je: die fusillades, die waren afschuwelijk. Maar je nam iedere dag zoals die kwam. Ik zat vanaf half augustus in de bunker tussen jongens van wie je wist dat ze gefusilleerd konden worden. Ik heb verschillende afscheidsbrieven van ze meegenomen. Het was afschuwelijk, maar dat was gewoon wat er elke dag gebeurde.’
Sohnlein: 'Ik heb nooit vooruit gedacht. Ik zie wel. Dat kon niet anders. Je kon niet denken over wat er allemaal zou kunnen gebeuren.’
Voute: 'En op de achtergrond hoorde je het geschut van de geallieerden dichterbij komen.’
ZE VERLOREN zelfs hun optimisme niet toen ze met een grote groep vrouwen alsnog op transport moesten. In veewagens naar Ravensbruck, zoals bij aankomst bleek. Ze maakten zelfs liedjes in de trein. Met messen hadden ze gleuven in de wanden gemaakt om naar buiten te kunnen kijken. Al die kapotte, door de geallieerden gebombardeerde stations die ze zagen, gaven hun nog meer moed.
Voute: 'Met het idee dat we over veertien dagen vrij zouden zijn, kwamen we in Ravensbruck aan. Dat was dan wel een knekelhuis van pure ellende, waar uit heel Europa vrouwen naar toe werden gestuurd, maar we dachten echt dat het snel afgelopen zou zijn. Maar dat liep anders, door de verloren Slag bij Arnhem.’
Sohnlein: 'Nee, leuk was het niet in Ravensbruck. In Vught huilden we nog wel eens, dat was een soort ontlading. Maar in Ravensbruck heb ik nooit een traan gelaten, dat had geen zin, het was te erg.’
Hetty Voute werd ziek en verdween al gauw in het revier. Daar kreeg zij ontroerende briefjes van Gisela, die hard moest werken voor Siemens, twaalf uur achter elkaar spoeltjes maken. Sohnlein: 'Dat werk was zo vervelend dat je tussendoor je geest ergens mee bezig moest houden en dan probeerde ik maar weer een liedje te verzinnen. Dan kwam ik ’s avonds bij Hetty met m'n resultaten en maakten we het samen af. Die liedjes zongen we dan tussen twee bedden in de barak, op zondagmiddag, geloof ik.’
Voute: 'Er stond een tafel in zo'n hele barak, bij de kachel, we hingen zo'n beetje tegen die tafel aan. Om ons heen waren bedden van drie hoog en daar hing iedereen op om naar ons te luisteren. Ze verwachten van ons dat we steeds weer met iets nieuws zouden komen. Dat was een fantastische stimulans om door te gaan. Soms waren het heel kleine, knullige liedjes. Maar het was ook een manier om een dagboek te schrijven. Het was een manier om geestelijk te overleven. We droegen ook gedichten voor. Anderen waren steeds bezig om recepten uit te wisselen. Het was heel erg toen er ook in Ravensbruck een gaskamer werd geopend en de oudere vrouwen werden vergast. Ik weet nog wel dat we toen zeiden dat we nu eigenlijk geen liedjes meer konden zingen.’
Sohnlein: 'Maar toen realiseerden we ons dat het juist nu wel moest. Wat had het anders voor zin, dan waren er nog meer mensen geweest die het niet gehaald hadden omdat ze de moed hadden opgegeven.’
Voute: 'Voor oudjaar 1944 hadden we een heel programma voorbereid met Thomasvaer en Pieternel en allerlei liedjes ertussendoor. ’s Middags moesten we nog even appel staan, dat werd een strafappel, uren stonden we in de sneeuw. En toch werd dat een fantastische oudejaarsavond, waar we dat waanzinliedje zongen over hoe het zou zijn als we thuis zouden komen, zo wild als we nu waren.’
Was het niet gevaarlijk zulke openhartige en kritische liedjes te zingen?
Sohnlein: 'Als iemand je wilde verklikken, kon die van alles wel iets vervelends maken. Er was wel een vrouw van wie we dachten dat zij niet te vertrouwen was en dan vond je het best even riskant. Maar we vonden dat we het toch moesten doen.’
Hadden ze in Ravensbruck nou nooit spijt als haren op hun hoofd van het feit dat zij zich ooit met het verzet hadden ingelaten?
Sohnlein: 'Nee, niemand had spijt.’
Voute: 'Daar had je geen tweede gedachte over. Je was er juist trots op. Want waar ging het om? Dat ze die joodse kinderen wilden pakken. En het was ons gelukt die eerst nog naar andere adressen te brengen. Dat geeft je een heerlijk gevoel.’
Sohnlein: 'We hadden geen man, we hadden geen kinderen, we waren zo vrij als vogeltjes in de lucht. We beseften ook heel goed dat we bevoorrecht waren boven bijvoorbeeld communistische vrouwen van wie de man al was gefusilleerd.’
Voute: 'Voor hen was het moeilijker dan voor ons, voor ons was het een soort spel, al hebben we het heus wel rottig gehad.’
Sohnlein: 'Ik zat altijd aan de gelukige kant.’
Voute: 'Ik had de pech dat ik ziek werd, maar ik had jou om liedjes mee te zingen en dat was mijn geluk.’
Bert Jan Flim, Omdat hun hart sprak: Geschiedenis van de georganiseerde hulp aan joodse kinderen in Nederland, 1942- 1945. Uitg. Kok Kampen, 537 blz., f69,-.
Als we weer zijn thuisgekomen!
(Melodie: 'Als de tros wordt losgesmeten’ uit De Jantjes)
Als wij weer zijn thuisgekomen In ’t normale leven staan Kijken vrienden en familie Wild ontzet elkander aan ’t Was toch heus zo'n aardig meisje Netjes en welopgevoed ’t Lijkt nu wel een halve wilde ’t Spijt mij dat ik ’t zeggen moet
Als je ’t kind ziet zitten eten Word je er haast misselijk van ’t Eten slobbert ze naar binnen Uit een soort van hondepan En dan gooit ze daar bij voorkeur Pelkartoffels tussendoor Die verkruimt ze dan heel kalmpjes Met haar handen, stel je voor
Als ze dan naar de wc moet Laat ze de deur wijd open staan En met ieder die er langs komt Knoopt ze een gesprekje aan Heeft ze haast, dan doet ze ’t buiten In de tuin of op de straat Je spreekt tegen dovemansoren Als je zegt dat dat niet gaat
Al haar zinnen zijn doorspekt Met woorden uit de Moffentaal Nachtschicht, Winckels, so weit kommt’s noch Pass bloss auf en scheissegal Als haar iets niet kan bevallen Zet ze haar handen in haar zij En daar roept ze dan venijnig Chigo en dalli, dalli bij
Krijgt ze soms een onweersbeestje Of een vliegje in ’t vizier Prompt gaat zij zich dan ontkleden Waar ze is, dat geeft geen zier En dan spreekt ze over luizen Vlooien, schurft en nog veel meer Als ik dan eens met haar uit moet Snapt u dat ik mij geneer
Gappen doet ze als de raven Laat je iets liggen, ben je ’t kwijt Heb je iets nodig, moet je ’t nemen Da’s voor haar een vaststaand feit Zeg je dan, je hebt gestolen Is ze werkelijk gechoqueerd Zoiets noem je toch geen stelen ’t Is alleen georganiseerd
Als we weer zijn thuisgekomen In ’t normale leven staan Wel dan duurt ’t heus niet lang meer Of wij passen ons weer aan Als je door liefde bent omgeven Weer eens lekker wordt verwend Dan waardeer je dat ook dubbel Omdat je ’t ook zo anders kent
Op transport
Als de Moffen willen beletten Dat de Tommies ons ontzetten Ga je op transport Reist per spoor, veilig, vlug, voordelig Voor ’t lichaam wat nadelig, au!
Ramen hebben we niet nodig Zitten is ook al overbodig Daarom staan we maar Boren gaten; als we iets vertikken Is ’t wel om te stikken, daar!
'Ah schon wieder die frechste von allen Denkst ich lass mich das gefallen’ Aldus Loutje Wolff 'Hier das Messer’, ’t botste kan hij krijgen Om zich aan te rijgen, please!
En daar zitten we nu te kijven Als een stelletje marktwijven Boven op elkaar Houd je mond dicht, jouw plaats is zo slecht niet Nee dat is ie echt niet, neen!
Wij zitten opgepakt als biggen Terwijl die lui daar kunnen liggen ’t Is een grof schandaal 'k Neem het niet langer, iedereen wil wat anders Ga toch weg, Jet Sanders, au! Koekie kan ’t niet langer houen Begint te trappen en te douwen Tonnie heeft nooit plaats O-e-o-o-o! Riek knijpt de kat in ’t donker ’t Was benauwd en ’t stonk er, oef!
Als juffrouw van de retirade Anders krijgen we waterschade Hebben we Annie Lhoir Ze leegt de bakken, een Kubel is aanwezig Houd de gemoederen bezig!!!
En daar zitten we met z'n allen Moeten ons laten welgevallen Dat we reizen als vee ’t Duurt niet lang meer, Weldra staan weer koeien In de wagon te loeien, boe!
Ravensbruck-les-Bains
(Melodie: 'Sterrenhemel van Hawai’)
Als ik bij mijn machine zit te denken Aan Ravensbruck-les-Bains dat zalig oord Die plaats bekend om al zijn mooie vrouwen Zie 'k weer wat daar mijn oog heeft bekoord
Nooit zal ik vergeten die stralende dag Aan het Ravensbrucker strand Al wat het Lager aan schoonheid bezat Lag uitgestald in ’t witte zand 'k Zie weer dat bultige bottige been Die magere rug, ’t bot steekt erdoorheen Die weeld'rige pieken zo dor en zo steil Die badhanddoek, pardon, ’t is geen dweil
Nooit zal ik vergeten die schitterende pracht Van het Ravensbrucker zomertoilet De mode brengt ons dit jaar een blauwgrijze streep Bij voorkeur gekreukeld en geplet Mijn trommelvliezen worden bont en blauw Door ’t lieflijk gekrijs ener hysterische vrouw In mijn badstoel met de poten omhoog Houd ik mijn zonnepakje droo-oo-oog