22 augustus 1920 – 5 juni 2012

Ray Bradbury

Ray Bradbury nam als kind al alle verhalen in zijn geheugen op en vertelde ze vervolgens aan iedereen die ze wilde horen. De mens als lezend wezen staat centraal in zijn belangrijkste, visionaire roman Fahrenheit 451.

Medium bradbury

In een stuk dat op 4 juni 2012, een dag voordat hij overleed, schrijft Ray Bradbury (1920) in The New Yorker over de waanzin die bezit van hem nam toen hij een jaar of acht was: het jaar waarin Buck Rogers voor het eerst verscheen, de tijd van de allereerste getekende Tarzan van Hal Foster in de zondagskranten, het moment waarop hij stapels John Carter of Mars-boeken in het huis van een buurman ontdekte. Door alle boeken en verhalen ontbrandde de creatieve geest in hem. Bradbury: ‘Ik werd uitzinnig en hysterisch, constant aan het schreeuwen, altijd bezig ergens naartoe te rennen, bijna alsof ik bang was dat het leven plotseling zou stoppen.’

Zonder verhalen kon Bradbury niet leven, evenmin als zijn literaire alter ego, brandweerman Guy Montag in Fahrenheit 451 (1953). Hoe dat komt blijkt in een scène in Francois Truffauts verfilming uit 1966 van Bradbury’s roman: Montag vindt een exemplaar van Dickens’ David Copperfield en leest als gehypnotiseerd de eerste zin: ’Whether I shall turn out to be the hero of my own life, or whether that station will be held by anybody else, these pages must show.’ De titel van het eerste hoofdstuk raakt de kern: I am born. Door het lezen wordt ook Montag 'geboren’. Dat vormt de wortels van zijn identiteit als uniek mens - op precies dezelfde wijze als Bradbury 'geboren’ werd, echt een mens werd, toen hij in de herfst van 1928 strips, verhalen en boeken begon te lezen.

In het universum van Fahrenheit 451 is literatuur subversief. Daarom worden boeken verbrand door brandweermannen als Montag. Immers, individualiteit is een misdaad. Omdat hij bijna onwillekeurig geraakt werd door Dickens keert Montag de repressieve maatschappij waarin hij leeft, waarin 'de familie’ voorop staat en iedereen elkaar cousin noemt, de rug toe.

Hoe modern en actueel zijn deze thema’s wel niet, vooral zoals Truffaut ze in zijn film verbeeldt: het huis van Montag heeft een flatscreen tegen de muur en zijn vrouw is verslaafd aan het kijken van programma’s die erop worden vertoond, onder meer een soap en een soort interactieve show waarin kijkers de uitkomst van een gedramatiseerde scène kunnen bepalen. Deze verhaallijn, hoewel beïnvloed door typisch jaren-vijftigdenken over onzichtbare, 'hypnotische’ krachten in de massamedia, is inmiddels gemeengoed in onze cultuur geworden. Een recent voorbeeld is Paul Verhoevens Steekspel-project waarin kijkers kunnen meeschrijven aan de zogenoemde eerste User Generated Movie. Op de website van het project staat vermeld dat vooraanstaande Nederlandse regisseurs en scenaristen als adviseurs optreden bij het beoordelen van de script-inzendingen van de Nederlandse televisiekijkers. En: 'Zij doen alles wat in hun vermogen ligt om de mensen te ondersteunen in hun ambities.’ Dit zijn teksten die moeiteloos zouden passen in scènes in Truffauts film waarin makers er alles aan doen de kijkers gerust te stellen, in slaap te sussen in werkelijkheid, teneinde controle over hun denkproces te behouden.

Veel dingen in roman en film zijn inmiddels gemeengoed in onze cultuur geworden. Dat bevestigt Bradbury’s statement dat de kracht van de literaire sciencefiction, of speculatieve fictie zoals Margaret Atwood het genre noemt, vooral in het scheppen en becommentariëren van nieuwe ideeën ligt.

En toch: bij het weer zien van Truffauts film trof mij, behalve de prachtig acterende Julia Christie in de dubbelrol van Montags vrouw en minnaar, vooral ook de pessimistische ondertoon van het werk. In de film heeft het beeld namelijk geen enkel artistiek nut, wat ironisch is gezien de pijnlijk mooie Technicolor-fotografie door Nicolas Roeg, ondersteund door Bernard Herrmanns composities. Keerzijde: misschien is ook dit statement profetisch gebleken. Bradbury en Truffaut laten zien dat het beeld een tiranniek karakter heeft. Wie het beeld verafgoodt, zoals Montags vrouw en bijna alle andere leden van die maatschappij doen, raakt onherroepelijk zijn identiteit kwijt.

De eindscène is bedoeld als lavenis, als hoopvolle blik op een wereld waarin de mens terug in de natuur is, in zichzelf gekeerd terwijl hij de klassieke verhalen zoals die van Dickens eindeloos reciteert om ze levend te houden. De mens als boek, het is een prachtig idee. Maar toch: zo fluisterend en mijmerend door elkaar heen lopend terwijl ze de klassiekers opzeggen hebben deze personages óók iets doods. Ze zijn nu unieke wezens, met eigen persoonlijkheden, herboren als verhaal net als David Copperfield en Montag. Het beeld van die dolende lezers is evenwel accuraat. Er bestaat immers nauwelijks een menselijke activiteit die meer individueel is dan lezen. Films kijken we samen, ritualistisch in grotachtige plaatsen van verering waar onze collectieve mythen vorm krijgen. Zo kristalliseert zich een mooie paradox uit: het idee van de mens als lezend wezen, de mens als boek dat alleen maar 'op zichzelf’ of 'als zichzelf’ kan bestaan lijkt haaks te staan op enige notie van een 'samenleving’ die we vervolgens zouden kunnen hebben. Kan er sprake zijn van een gemeenschap in de waardevolle wereld vol boeken en lezers die ons aan het einde van Truffauts film wordt voorgedragen als een ideaal? Niet echt. Waardoor de kernvraag blijft: hoe uniek moet of mag de mens zijn?

Misschien gaat het meer om een opvatting van eenzaamheid die alleen in literatuur mogelijk is, die vrij is van de overweldigende drang naar gemeenschappelijke beleving die aan het beeld kleeft. Het is een opvatting die vorm geeft aan gevoelens van troost en geborgenheid. Een droom, misschien, van de ultieme bevrijding. Wie leest, is dus uniek. Bradbury schrijft in zijn prachtige stuk in The New Yorker dat hij als kind al alle verhalen in zijn geheugen opnam en die vervolgens terugvertelde aan wie ook maar bereid was te luisteren. ’s Avonds ging hij op het gazon van zijn grootvader zitten en dan reikte hij met zijn hand naar de hemel - naar Mars - en zei dan: 'Neem me mee naar huis!’ Bradbury: 'Ik verlangde ernaar weg te vliegen en te landen in het vreemde stof dat over de bodem van dode zeeën waaide, in de richting van oeroude steden.’


Beeld: Bradbury in 1984. Courtesy Louis MONIER / Gamma-Rapho / Getty Images