31 juli 1914 – 10 april 2012

Raymond Aubrac/Samuel

In de oorlog probeerde hij, samen met zijn vrouw, de ziel van Frankrijk te redden. Na de oorlog werd hij door datzelfde Frankrijk nauwelijks gedoogd, of gewaardeerd. Wel door Ho Chi Minh.

In den beginne was het woord. Om precies te zijn: de boodschap die Charles de Gaulle op 18 juni 1940 op de Britse radio verkondigde: ‘De vlam van het Franse verzet zal niet gedoofd worden.’ Na de nederlaag tegen Duitsland was de jonge kolonel niet de enige die onverminderd in een ‘bepaald idee van Frankrijk’ geloofde, maar wel een van de zeer weinigen.

Tot die weinigen behoorde ook Raymond Samuel, die op 10 april als een van de laatste dragers van de exclusieve Orde van de Bevrijding overleed in een militair hospitaal in Parijs. Destijds was de 26-jarige ingenieur pas getrouwd met de beursstudente Lucie Bernard, die hij tijdens een studiejaar aan Harvard had leren kennen. Aan die universiteit liep Samuel onder meer college bij de econoom Joseph Schumpeter, die hem ervan doordrong dat de ontwikkeling van de techniek niet alleen de economie, maar de beschaving als geheel voort­durend omwoelt en diepgaand verandert.

Aanvankelijk kende het jonge paar weinig woelingen. Het huwelijk was gelukkig, Samuel was als bruggenbouwer in overheidsdienst en de crisis van de jaren dertig raakte hen niet al te hard. ‘We waren verontrust, zeker, maar we hadden het gevoel dat we wel ongeveer wisten hoe de wereld in elkaar zat’, vertelde hij in een recent interview. ‘Ik zelf was erg beïnvloed door het marxisme; dat heeft me enorm geholpen omdat het zowel de toenmalige maatschappij als de richting van de geschiedenis verklaarde. Vandaag de dag is het leven onvergelijkbaar veel ingewikkelder en angstwekkender, want er is geen systeem meer dat ons in staat stelt het heden te ontcijferen en ons de toekomst voor te stellen.’

Maar alle zekerheden stonden op losse schroeven toen Duitsland om zich heen sloeg en alle beschaving dreigde uit te wissen. Als joden wisten de Samuels dat ze persoonlijk gevaar liepen, niet alleen in bezet Parijs maar ook in het gebied van Vichy waar de bejaarde maarschalk Pétain met Duitse instemming een autoritair en antisemitisch bewind voerde. Weerstand was geboden, maar waar te beginnen? Het Franse verzet hing in het eerste oorlogsjaar als los zand aan elkaar. De demoralisatie was totaal, Duitsland leek oppermachtig.

Wat Charles de Gaulle deed vanuit Londen en ­Brazzaville, dat probeerden enkele ­tien­duizenden eenlingen op Frans grondgebied te doen, schrijft historicus René Rémond: de ziel van Frankrijk redden. Ze leerden elkaar kennen door toevallige ontmoetingen, een handdruk, een woord van verstandhouding. Er ontstonden samenwerkingsverbanden tussen mensen van alle politieke overtuigingen, maar het duurde jaren voordat het verzet enigszins verenigd was.

Raymond en Lucie bleken geboren over­levers te zijn. In de illegaliteit kende het tweetal onwaarschijnlijke diepte- en hoogtepunten. Raymond behoorde tot de groep illegale leiders die in juni 1943 in Caluire, in de Rhône-vallei, werd gearresteerd tijdens een bijeenkomst met Jean Moulin, de legendarische vertegenwoordiger van De Gaulle in bezet gebied. Zij vielen in handen van Gestapo-baas Klaus Barbie. ­Raymond werd wekenlang verhoord en meermalen bewusteloos geslagen, maar wist overtuigend vol te houden dat hij iemand anders was. Moulin, die evenmin doorsloeg, werd door Barbie doodgemarteld. Ten slotte wist Lucie, nota bene zwanger van hun tweede kind, een geslaagde bevrijdingsactie op touw te zetten en haar man en zijn kameraden uit handen van de Gestapo te redden.

In de verwarde naoorlogse situatie werd Aubrac – een van Raymonds noms de guerre – door De Gaulle benoemd tot republikeins ­gevolmachtigde in Marseille. De confrontaties tussen communisten, gaullisten en de ­plaatselijke onderwereld in die stad deden in heftigheid nauwelijks onder voor de ­ondergrondse strijd tegen de Duitsers. Ditmaal dolf Aubrac het onderspit omdat hij de naam had ­cryptocommunist te zijn. Parijs riep hem terug en stelde hem aan als inspecteur-generaal voor wederopbouw, maar ook in die positie werd hij nauwelijks gedoogd.

Aubrac kreeg er genoeg van en zette in 1948 een eigen ingenieursbureau op. Hij was geen lid, wel sympathisant van de ­Communistische ­Partij. Toen Ho Chi Minh in 1946 in Parijs kwam onderhandelen over de Vietnamese onafhankelijkheid logeerde hij bij de Aubracs. Ho was zelfs peetvader van hun derde kind. In zijn latere leven zou Aubrac herhaaldelijk een bemiddelende rol voor de Vietnamezen spelen, onder meer in hun geheime vredesbesprekingen met Henry Kissinger.

Aubrac bleef tot op hoge leeftijd een lucide, betrokken ‘getuige’. Zijn steeds mildere politieke opvattingen gingen gepaard met een onvermoeibare inzet voor de rechten van daklozen, migranten en werklozen, zelfs nog nadat Lucie in 2007 was overleden.

Maar dat geluid wilde Frankrijk onder ­Sarkozy niet graag horen. ‘Boven een zekere leeftijd vragen mensen je niet meer naar je ­actuele ideeën, ze vragen je enkel nog naar het verleden’, oordeelde hij enigszins verbitterd.

Hij bracht de laatste jaren door in zijn Parijse appartement, omringd door memento’s van zijn veelbewogen leven.

Toen hem in een van zijn laatste interviews werd gevraagd op welke episode van zijn leven hij het meest trots was, antwoordde Aubrac: ‘De keuze voor mijn vrouw. Ik mag wel zeggen dat die niet slecht heeft uitgepakt. Ach weet u, een mens maakt maar een paar beslissende keuzes in zijn leven. De hele rest is een kwestie van toeval.’