Raymond lorist autotechnicus

‘SOMS, HEEL soms, heb je wel eens de indruk dat mensen je liever niet zien staan als ze je ’s zondags in je nette pak tegenkomen. Misschien kijken ze op ons neer omdat we normaal gesproken in een stofjas rondlopen, vuile handen hebben en zo nu en dan een veeg in het gezicht. Maar het kan ook zijn dat ze ons niet herkennen omdat we er buiten werktijd zo anders uitzien dan ze van ons gewend zijn.’

‘WE ZIJN een van de laatste garagebedrijven binnen de grachtengordel. Garage Lorist is een familiebedrijf, al 52 jaar. Het begon met mijn opa. Toen kwam mijn vader in het bedrijf en nu zitten wij, zijn zoons, er ook in. Ik werk hier nu veertien jaar, mijn broer Michel vijf jaar.
Eigenlijk wilde ik niet het autovak in. Ik heb mijn mavo afgemaakt en daarna heb ik wat bloemencursusjes gedaan. Ik kwam terecht in de bloemen en wilde daar ook in verder. Maar toen ik 22 was, vroeg mijn vader me of ik bij hem wilde komen werken. Ik heb heel lang getwijfeld. In de bloemen deed ik van alles. Inkoop, verkoop, boeketten maken, bloemstukken schikken. Dat heb ik acht jaar gedaan. Maar ja, mijn vader zat al jaren in het autovak. En eigenlijk was ik er al vanzelf ingerold, zonder dat ik het echt door had.
Het begon met het opvoeren van mijn brommertje. Stiekem in de schuur de zuiger afvlakken en de carborateur met een boormachine uithonen. Dat ding haalde bijna de honderd, en pa maar denken dat-ie tegen de vijftig reed. Daarna heb ik nog wat met crossmotoren gespeeld. En toen kwamen de auto’s. Maandags was ik vrij en dan klooide ik hier aan mijn eigen autoo*…utotje…tje.
De mensen moeten niet denken dat het allemaal zo simpel is in dit vak. Ik zit nu op een cursus die ik al vier jaar doe. Ik ben nu gelukkig bijna klaar. Als je ziet wat je allemaal moet leren om autotechnicus te zijn, dat is niet normaal. Van een motor uit elkaar halen tot motor-management en het omgaan met airbags en computers. En je blíjft leren. De ontwikkelingen in dit vak gaan zo ontzettend snel, dat wil je niet weten.
Vroeger was het vooral motorrevisie. Een motor werd helemaal uit elkaar gepeuterd om te kijken wat er vernieuwd moest worden. Sinds die tijd is er onvoorstelbaar veel veranderd. Nu gaat er vooral veel stuk op het gebied van elektronica.
Mensen hebben er geen idee van wat er allemaal aan hun motor hangt. Neem ABS, een anti-blokkeersysteem. Dat wordt aangedreven door een waanzinnig ingewikkelde pomp en die wordt weer bestuurd door een computer. Elke moderne auto heeft minstens één computer. Als een motor tegenwoordig slecht loopt, moet-ie worden aangesloten op een testinstallatie. Dat is óók een computer, waarmee je de auto-elektronica doorlicht.
De mensen weten alleen maar dat er wat draden onder het dashboard zitten, maar van die computers, dat weten ze niet. Om verantwoord aan een auto te knutselen, kun je tegenwoordig niet meer zomaar wat klooien. Daarvoor moet je op school gezeten hebben.’
'WIJ DOEN voornamelijk Peugeot. Da’s een heel ander publiek dan wat in BMW’s en Mercedessen rijdt. Het zijn prettige mensen, Peugeot-rijders. Makkelijk in de omgang. Een beetje slordig ook. Ze maken soms een puinhoop van hun auto. Als hij maar rijdt, verder maakt het ze niet veel uit. Een BMW-rijder poetst zijn auto totdat-ie glimt. Dat zie ik een Peugeot-eigenaar nog niet zo snel doen. Ik kan goed met Peugeot-mensen omgaan. Die lopen net als ik niet in een net pak.
We hebben ook wat mensen met een lease-auto die hem hier laten onderhouden. Dat zijn meestal de dassen. Die mensen zijn wat meer uit de hoogte dan de gewone Peugeot-klanten.
Als ik moet werken onder het dashboard, lig ik soms met mijn kop in een berg puin. Veel klanten wonen in de binnenstad. Die kunnen niet hun autootje even op de gracht zetten om hem eens lekker uit te mesten. Voor je het weet staat er een kilometer file. Dus meestal ga ik er even doorheen met de stofzuiger, voordat ik erin ga liggen werken. Je vindt bananeschillen, klokhuizen en lege pakken melk. Die stinken meestal. En natuurlijk overvolle asbakken, peuken tot aan de versnellingspook.
Wat ik echt smerig vind, is een auto waar mensen honden in vervoeren. Dat stinkt enorm, overal haren. De mensen zelf ruiken dat niet meer. Maar als zo'n wagen bij mij buiten in het zonnetje heeft gestaan, dan word ik niet goed als ik erin moet.
Voor elk goedje hebben we tegenwoordig een aparte milieubak. Voor olie, karton, vuile doeken, accu’s, remolie, oliefilters, remvoeringen, koelvloeistof. Alles wordt gescheiden. Prima hoor. Hadden ze eigenlijk al veel eerder moeten doen. In het begin hik je er tegenaan. Dan word je knettergek van al die bakken en milieucontroles. Maar nu zijn we eraan gewend. En eerlijk gezegd werkt het een stuk lekkerder. Je weet dat die rommel goed terechtkomt. Zonder al die bakken zou het hier een kledderzooi worden. Maar het kost wel geld. Vroeger kreeg je geld terug op een liter afgewerkte olie, nu moet je ervoor gaan betalen. Eigenlijk moet je dat doorberekenen aan je klanten. Dat doe ik nog niet, maar misschien kan ik daar in de toekomst niet onderuit.’
'ALS JE DIT werk doet, heb je altijd smerige handen en vuile kleding. Maar iemand die achter een computer zit, moet ook elke dag een schoon overhemd aantrekken. Wist je trouwens dat wij nooit geen zweertjes hebben? Als wij een wondje hebben, dan wordt dat zwart van de olie. Daardoor zit er binnen no time een korstje op. Geneest ongelooflijk snel. Motorolie is eigenlijk wonderolie. Dat weten de mensen niet, maar het is echt waar.
Om onze handen schoon te krijgen hebben we speciale garagezeep. Daarmee moet je je handen eerst inwrijven. Soms zie je de klanten zich afvragen wat we in hemelsnaam aan het doen zijn. Want je handen worden eerst pikzwart. Daarna spoel je ze af en dan zijn ze schoon. Het komt voor dat je je handen tien keer per dag wast. Alleen de nagelriemen krijg je nooit echt schoon.
Het meeste vuil zit aan banden en wielen. Vuil van de straat, allerlei gorigheid. En remblokken zitten meestal onder het slijpstof. Gaat overal in zitten. Gisteravond had ik het nog. Ik denk: wat zit er nou in mijn neus? Blijkt-ie vol te zitten met remtroep. Vroeger zat er asbest in de remmen. Dat maak ik niet zo vaak meer mee, maar mijn vader heeft er nog aardig wat gehad. Stond-ie de remmen lekker uit te blazen, met zijn kop in een wolk asbestdeeltjes. Foute boel natuurlijk. Tegenwoordig is er een vervangend materiaal dat niet zo gevaarlijk is. En we hebben spuitbussen waarmee we de remblokken eerst nat maken voordat we ermee gaan werken. Dan krijg je niet zo veel stof.
Mijn vader is nu al zestig, maar hij heeft nog nergens last van. Het enige wat hij merkt, is dat hij wat vaker last heeft van fysieke pijntjes. Gewoon omdat hij wat ouder is, niet vanwege de asbest. Fysiek is dit werk best zwaar. Als je een ouwe 205 Diesel of 405 Diesel hebt waar je de distributieriem van moet vervangen, dan moet je flink sleutelen. Meestal zit de hele boel muurvast. Bouten die niet los willen, overal smeerboel, vastgerotte beschermkappen. Een drama is het soms. Heb je er daarvan twee op een dag, dan ben je ’s avonds gesloopt. Dat weten de mensen óók niet.’
'SOMMIGE STOFFEN waarmee we werken zijn gevaarlijk. Neem koelvloeistof. Dat hadden we al jaren in huis. Maar drie, vier jaar geleden kregen we opeens een alarmbrief. Wij wisten van niks, maar nu staat er op al die vaten een doodskop. Als je het vat openmaakt, ontwikkelt zich een gas waar je kennelijk niet met je kop in moet gaan hangen. Maar dat hebben we wél jaren gedaan. Sterker nog, als er lekkage was aan een motorblok, doopten we onze vinger in de vloeistof die uit de motor kwam. Als het zoetig proefde, wist je dat het geen water was, maar koelvloeistof. Wisten wij veel. Ik weet niet precies wat je ervan kunt krijgen. Mijn tanden zitten nog strak in mijn mond, maar we hebben wel het gevoel dat ons haar een beetje snel uitvalt. Ik ga er niet naar informeren, want dan maak je je alleen maar zorgen.
Accuzuur is ook geen lekker goedje. Zie je die gaten in mijn broek? Die worden elke dag groter. Dat spul vreet gewoon door, niet te stoppen. Water is het beste om dat soort rotzooi mee van je lichaam af te spoelen. Heb ik geleerd in het ziekenhuis. Een paar maanden geleden had ik een flinke wond aan mijn hand. Ik bleef ergens achter haken. Een flinke jaap, opengeklapt tot op het bot. In het ziekenhuis was het eerste wat ze deden mijn handen afspoelen met water. Ze hadden zelfs een potje garagezeep staan om ze mee af te wassen. Toffe lui.’
'IK VERLANG NIET meer naar de bloemen. Dit vak bevalt me prima. Ik heb een goede keus gemaakt. Van bloemen krijg je trouwens ongelooflijke kloven in je vingers. En die geur, zeg nou zelf, die kan toch niet op tegen die van een goed geolied garagebedrijf?’