Razende hormonen

Met zijn ongewone taal en beelden moet de jeugdroman de jongere niet alleen voorbereiden op het grote-mensenleven, maar ook op het grote-mensenlezen.

KINDEREN LEREN lezen is knap, maar zorgen dat kinderen blijven lezen is een kunst. Het grote afhaken, ook van totale boekverslaafden, begint in het voortgezet onderwijs. Een tijd lang hebben jongeren wel iets anders aan hun hoofd dan lezen. De vanzelfsprekendheden uit de kindertijd dienen ter discussie gesteld te worden, dus ook of en wat je leest. De vertrouwde schrijvers en onderwerpen laat je achter je, maar wat komt er voor in de plaats? Paul Biegel, Joke van Leeuwen en Wim Hofman ruil je niet zonder slag of stoot in voor Bernlef, Marcel Möring en Nelleke Noordervliet.
Uitgevers proberen al tientallen jaren om het niemandsland tussen de literatuur voor kinderen en volwassenen wat minder onherbergzaam en afschrikwekkend te maken. Daartoe publiceren ze boeken met op de omslag 12+, 14+ of zelfs 16+, die ze jeugd- dan wel jongerenroman noemen. De categorie wordt sinds enkele jaren ook apart geprezen, met de zogeheten Gouden Zoen. Het kind krijgt een griffel, de jongere een zoen. In de betreffende romans gaat het veelal om het zoeken naar de eigen identiteit. Er zijn gezagsconflicten uit te vechten, terwijl de hormonen rondrazen en er geheel verantwoord gehannest wordt met condooms.
De jeugdroman moet echter niet alleen voorbereiden op het grote-mensenleven, maar ook op het grote-mensenlezen. Dus gaat er veel schrijversenergie naar een in kinderboeken nog niet zo gebruikelijk vertelperspectief of verhaalverloop, naar ongewone taal en beelden. Auteurs die zich aan het genre wagen zie je vaak zwoegen om hun beoogde doelgroep te behagen: als hun boek maar herkenbaar en van deze tijd is, als het maar niet te saai of te moeilijk blijkt en als de geciteerde popmuziek maar in orde is. Wat de schrijver zelf beweegt, lijkt weinig aan de orde.
Zo gaat het nieuwe boek van Jan Simoen En met Anna? over aids, over de politiek en de oorlog op de Balkan, over fotografie, architectuur en het vak van medicus, over gezinsverhoudingen, drankzucht en popconcerten. Onder die inhoudelijke last raakt de inzet vermorzeld van een zestienjarig meisje dat tussen de rampen overeind probeert te blijven. Het verhaal wordt door wisselende verhaalfiguren verteld, om te beginnen door een aan aids overleden hoofdpersoon uit Simoens vorige boek: ‘Ik ben Jonas en ik ben dood.’ Verder houdt hij het hele boek zijn mond. En in een keuken ruikt het om onverklaarbare redenen naar 'verkoolde pingpongballetjes’. Simoens is niet voor één literair gat te vangen.
NA ENKELE poëziebundels en een inventieve bewerking van Vondels Gijsbreght schreef Edward van de Vendel met De dagen van de bluegrassliefde zijn eerste roman. Hij handelt over de overrompelende ervaring van de eerste liefde tussen twee jongens. Tycho is een beetje kleur loos type, iemand die 'al jaren in zijn etui woont’. Zijn eerste schermutselingen met meisjes zijn min of meer plichtmatig. Na zijn eindexamen gaat hij werken in een Amerikaans kinderkamp, samen met Oliver, afkomstig uit Noorwegen en bezeten van voetbal. Nog kost het enige tijd vóór Tycho tot zich door laat dringen dat hij op mannen valt, maar dan is hij ook totaal van de sokken. De staat van gelukzaligheid is van korte duur, omdat de kampleiding binnen haar stelsel van in zweverige affectie gedrenkte regels geen plaats heeft ingeruimd voor de jongensliefde. De vrienden vertrekken naar Olivers huis in Noorwegen, waar het Tycho langzamerhand duidelijk wordt dat zijn geliefde hem voor de buitenwereld verborgen houdt. Oliver wil zichzelf niet als homo zien: hij is alleen verliefd op Tycho, die 'toevallig een jongen is’.
Van de Vendel schrijft mooi en van binnenuit over de verwarring die liefde heet, over de broeierige bezetenheid en het haast niet van elkaar af kunnen blijven. Daarnaast geeft hij een helder beeld van hypocrisie en schijnacceptatie waar het homoseksualiteit betreft, met zelfacceptatie als kernpunt. In het kortademige proza is over alle woorden nagedacht. Soms leidt dit tot een nodeloze ingewikkeldheid. Een groep kinderen wordt per auto afgehaald. De kampleiding zwaait ze uit, 'ingelijst in achterruiten; fotolijstjes, zich verwijderend over een asfaltbreed dressoir’. Op zulke momenten zit de dichter de prozaschrijver in de weg.
BART MOEYAERT publiceerde zijn lang aangekondigde nieuwe jeugdroman: Het is de liefde die we niet begrijpen. Zoals te verwachten is het een dun boekje. Binnen de jeugdliteratuur ken ik geen auteur die zo zuinig en kaal, maar tegelijkertijd zo evocatief schrijft. Het boek bestaat uit drie verhalen van krap dertig pagina’s elk. Ze spelen zich, zoals vaker bij Moeyaert, af tegen de achtergrond van een verstikkend gezinsleven. Het openingsverhaal ontvouwt het familiedrama binnen nog geen uur, in een te volle auto op een plakkerig hete dag. De oudste broer gaat op de vuist met zijn moeder en verwondt haar zoveelste vriend, die vadsig en stinkend over de achterbank hangt. Het jongere zusje probeert het jongste, haast autistische kind te beschermen voor deze ontluisterende taferelen, waarbij ze die juist met niets ontziende precisie registreert voor de lezer. Uit enkele glimpen vallen seksuele aberraties van moeders minnaar af te leiden. De kinderen weigeren die nog langer zwijgend te verdragen.
Het tweede verhaal toont de gezinsleden in redderige opwinding vanwege een veelbelovende nieuwe vriend: 'eindelijk een gelukkige moeder en een vader die deugt.’ Maar dit is niet het soort boek dat hoop in vervulling doet gaan. In het slotverhaal is de broer vertrokken om met een vriend samen te gaan leven. De vertellende ik-figuur denkt hem veilig naast zich, wanneer de situatie voor haar ondraaglijk wordt. Ze heeft één troostrijk perspectief: 'Nog een jaar en ik rep met geen woord meer over mijn moeder.’ Eigenlijk wacht je na deze opmaat op een verhaal dat niet komt, op dat van de dappere vertelster zelf. Na alle teleurstelling en toewijding aan haar broer en zusje wens je haar nog iets van die onbegrijpelijke liefde uit de titel toe. Maar het blijft bij dit treurig stukje menselijk samenleven. Moeyaert fileert het onontkoombaar precies en met een zintuiglijkheid die je neus vult met de geur van kots, zweet en mislukking. Waarom boeken aan de ene of de andere kant van de kunstmatige scheidslijn kinderen/volwassenen terechtkomen, is niet altijd duidelijk. Deze Moeyaert zou op zijn plaats zijn tussen wat uitgeverij Querido 'mensenboeken’ noemt.
'JEUGDROMAN’ staat op de kaft van Dikke Idde van Henri van Daele. Deze schrijver produceert al jaren boek na boek over zijn jeugd op het Vlaamse platteland. Met liefde en een scherp oog voor detail roept hij een stoet kleurrijke, vaak eigenzinnige figuren op, al of niet behorend tot de familie Van Daele. Niet alle personages zijn even boeiend voor jongeren, maar Dikke Idde mag er zijn. Hij is een jongen zonder studiehoofd, die zijn leerplichttijd uitzit, voor het derde jaar bij dezelfde autoritaire, maar machteloze leerkracht. Het verhaal begint met een spectaculaire scène, waarin het gezagsconflict eens en voor altijd wordt uitgevochten: Dikke Idde haakt meester aan de kapstok, waar hij met spartelende beentjes moet blijven hangen. Later mag Idde naar De Pijp, een Kees Boeke-achtige onderwijzer, bij wie hij wordt bevestigd in wat hij wél kan. En het zijn de mannen in de kroeg die Idde bij een kelkje jenever voorbereiden op de overgang van de korte naar de lange broek.
De filmsterrenplaatjes bij de kauwgom, de boterhammen met spek en reuzel en het Driekoningenzingen met de rommelpot, het is allemaal niet meer van deze tijd, maar groot worden in de jaren vijftig gaf toch ook dezelfde problemen als nu. Van Daele schrijft er suggestief over, met gevoel voor humor en met liefde en compassie voor zijn verhaalfiguren.