Media

Reactie-pop

Afgelopen week volgde ik het verkiezingsnieuws grotendeels vanuit Spanje. Dat is een vreemde gewaarwording omdat het telkens is alsof je jezelf en omgeving in een lachspiegel ziet. Niet dat de analyses onjuist zijn. Maar ze zijn vreemd, buiten de context, meestal er net naast. Ik heb dit misverstand al vaak ervaren, het sterkst toen ik twee jaar geleden met Spaanse vrienden in Asturias een paar dagen vissen was. Terwijl we ergens op de Cantabrische Zee dobberden kwam het gesprek op de politiek. Twee van die vrienden zijn, wat wij zouden noemen, nogal rechts, een ervan ook beroepsmatig. Hij is senator van de Partido Popular, de christelijk-conservatieve partij van Mariano Rajoy en voorheen premier José Maria Aznar. Laatstgenoemde, zo is voor begrip van deze anekdote handig om te weten, is zoon & kleinzoon van politici die in de Franco-tijd actief waren. Dat was Aznar zelf ook, onder meer in de falangistische studentenbeweging, en ideeën in die (fascistoïde) richting koestert hij dan ook nog altijd. Bovendien was hij jarenlang afgevaardigde van dezelfde regio als mijn politieke vriend, Ávila.
Hoe dan ook, terwijl we rustig heen en weer schommelden noemde ik mijzelf in politicis een typische links-liberaal of moderne sociaal-democraat, woorden die volgens mij elke Nederlander begrijpt en meteen ook duidelijk maken waar ongeveer mijn politieke voorkeur ligt. Maar op mijn vrienden werkten deze begrippen als een rode lap op een stier. Van het eerste begrip pikten ze alleen dat links op, izquierda, van dat andere social; het was voldoende reden om de rest van de dag te vergallen. Ik deed mijn uiterste best uit te leggen dat hun begrippen niet spoorden met de mijne, dat hun referentiekader anders is. Het was allemaal tevergeefs. Toen ik die dag vervolgens ook nog als enige een vis ving, eindigde ons uitstapje volstrekt anders dan het begonnen was: venijnig.
In Spanje, zoals in de meeste andere landen, heeft Nederland een goede maar ook een vreemde naam. Dat eerste heeft vooral te maken met de langdurigheid van onze democratie, rijkdom, gezonde economie en nog zo wat fraaiheden. Het laatste is een uitvloeisel van de jaren zestig: Nederland als centrum van seks, drugs en andere losbandigheden. Het is niet duidelijk hoe en wanneer een land of cultuur dergelijke etiketten opgeplakt krijgt, maar eenmaal opgeplakt, zo blijkt, kom je er nauwelijks meer vanaf. In Amsterdam lopen lieden rond die van dergelijke etikettenplakkerij een academische discipline hebben gemaakt, imagologie noemen ze haar, de studie van de constructie van nationale en andere clichés. Welnu, elke Spaanse analyse die ik afgelopen week van de Nederlandse politiek las of hoorde, was gebaseerd op een variant van dergelijke clichés. Vandaar dat in die analyses telkens weer verbazing doorklonk. In zijn meest simpele vorm kwam die verbazing telkens op hetzelfde neer: hoe is het mogelijk dat een stabiel, modern en vooruitstrevend land als Nederland zo verworden is? Het aardigste ‘antwoord’ werd in een radioprogramma gegeven. Onvermogend alle onverenigbaarheden te verenigen, kwam het panel tot de conclusie dat Nederland overspoeld werd door een vorm van reactie-pop, een moderne variant van het reactionaire denken. Ik geloof niet dat zo'n begrip veel verder helpt, evenmin dat ik begrijp wat het precies betekent, maar alle radiomakers waren er zeer tevreden mee. Het bij Nederland passend etiket 'modern’ bleef gehandhaafd door de introductie van het begrip pop en de politieke omkeer werd eveneens verdisconteerd - terwijl men tegelijkertijd een verklaring bood voor het alom bevreemding wekkende Wilders-kapsel.
Het is eenvoudig en vanuit ons perspectief ook begrijpelijk dergelijke analyses meteen naar de prullenbak te verwijzen. Ze zijn zo ver verwijderd van onze ervaring! Niettemin zeggen ze juist daarom wel meer dan onze eigen analyses. Als je bijvoorbeeld naar het internationaal Nederlandbeeld van de jaren twintig (ik beschreef het vrij uitvoerig in Grijs verleden) kijkt, kun je niet anders dan constateren dat het grotendeels juist was - al zagen onze grootouders het anders. 'Moeten we ons iets aantrekken van buitenlandse commentaren?’ kopte NRC Handelsblad afgelopen vrijdag boven een artikel waarin het Duitse Bild, de Waalse Le Soir, de Engelse Financial Times en ook El País werden geciteerd. Een antwoord op deze vraag gaf het artikel niet. Maar ik zou zeggen: ja. Buitenlandse commentaren zijn een beetje als spotprenten. Juist door hun vervorming, overdrijving en vervreemding tonen ze wie we ook en misschien zelfs wel wie of wat we echt zijn. In El País (niet de krant van mijn Spaanse vrienden, dat is El Mundo) werd de uitslag van de Nederlandse verkiezingen een waarschuwing aan de Europese democratieën genoemd. Daar ben ik het mee eens. Tegelijkertijd lijkt het me even vreemd als veelzeggend dat zo'n waarschuwing komt van een krant die pas enkele tientallen jaren bestaat in een democratie waar veel meer 'allochtonen’ wonen dan bij ons: bijna zes miljoen, meer dan twaalf procent van de bevolking. Om het met Obelix te zeggen: vreemde jongens, die Europeanen.