Reageergebod

‘Minister Iks, hoe luistert u hiernaar? Hoe luistert u naar dit verhaal van mevrouw Ei?’
Als talkshowleiders niet met een passend bruggetje op de proppen kunnen komen, stellen ze altijd die vraag aan de volgende gast. Hoe luistert ú hiernaar?
Hoe? Ehm, nou ja… met eh… met m’n oren. Toch? Maar dat is helemaal niet wat het tafelhoofd wil weten. Die wil namelijk alleen zeggen: mevrouw Ei, de zendtijd voor uw item is op, we gaan naar minister Iks, maar omdat dat een beetje al te abrupt is, zeker na dat tranentrekkende verhaal van u, laten we Iks daar eerst op reageren.
‘Minister Iks… Reageer daar eens op.’ Ook een mogelijke variant.
Het zijn altijd aardige momenten, vooral wanneer de Iksen en Eien opschrikken en even stilvallen van het gebod tot reageren.
Literaire interviews (ik bedoel dus de gesprekken buiten het huistheater van de televisie om, gesprekken in kleine cultuurzaaltjes waar u, Groene-lezer, ’s avonds veel te vinden bent), en publieke interviews met schrijvers kennen hun eigen variant op dit reageergebod. Ik bedoel de vraag: ‘Heeft u daar bewust voor gekozen?’
‘Het viel me op, meneer Zet, dat alle personages op de een of andere manier de werkelijkheid wilden ontvluchten en tijdens die vlucht juist struikelden over de realiteit, die ze des te harder in het gezicht mepte. Heeft u daar bewust voor gekozen?’
Wat moet je antwoorden? Kies je voor ‘ja, dat was een bewuste keuze’, dan gooi je het romantische beeld van de geïnspireerde schrijver aan diggelen. Die blijkt dan slechts de verbale variant van een kleuter die binnen vooraf getekende lijntjes de boel inkleurt. Kies je voor ‘nee, het kwam voor mij ook als een volslagen verrassing’, dan kom je over als een naïeve sukkel, zonder regie over zijn eigen creatie.
‘Zoals in al uw boeken duikt ook in uw nieuwe roman, Kapsones in Kaapverdië, een bepaald type vrouw op, zoals we die tegenkomen in alle Zet-boeken. De typische Zet-vrouw: mysterieus, ongenaakbaar, en toch bij vlagen zeer heet en hitsig, en bereid haar lichaamsopeningen gastvrij te openen voor de nogal klunzige protagonisten die al uw boeken, meneer Zet, bevolken. Was dat een bewuste zet?’
Het meest waarheidsgetrouwe antwoord is natuurlijk: ‘Ja, én nee.’ Maar je bent toch goddomme geen politicus. Ja-én-nee-zeggers verdienen de kogel, zo is dat. Hun strottenhoofd aan flarden rijten met een roestig mes.
‘Sommige passages zijn uiterst grof en gewelddadig, terwijl we de autéúr Zet kennen als hoffelijk en voorkomend. Is dat een bewuste keuze voor u geweest?’
Net als het talkshowtafelhoofd wil de literaire interviewer helemaal geen antwoord hebben op die vraag, hij wil alleen dat je reageert, dat je vertelt hoe je over zijn opmerkingen denkt. De interviewer wil met een slimme interpretatie voor de dag komen en daar een complimentje (of een standje) van de auteur voor krijgen. In plaats van de vraag ‘was het een bewuste keuze?’ kan hij evengoed vragen: ‘Hoe luistert u hiernaar?’ of botweg gebieden: ‘Reageer daar eens op, eikel.’
Zo wilde laatst in een collegezaal een studente weten waarom ik van een bepaald personage ‘een echte hoer’ had gemaakt, ‘is dat niet lekker makkelijk, om van haar een hoer te maken?’
Hoe luister je daarnaar? Een zestienjarige jongen mailde me deze week dat hij voor maatschappijleer iets over mijn debuutroman schrijft. ‘Op school hebben wij geleerd dat volgens Freud er tijdens de oedipale fase een oedipuscomplex plaatsvindt. Als deze periode niet goed wordt doorlopen kunnen er verschillende fixaties ontstaan, waaronder dus het constant weer creëren van driehoeksverhoudingen en het hebben van relaties door de generaties heen.’ En dat zou precies met mijn personages het geval zijn. Had hij gelijk? ‘Zo ja, waarom heeft u ervoor gekozen om deze fixaties te gebruiken in uw boek? Zo nee, waarom heeft u dan juist gekozen voor de combinatie van een driehoeksverhouding en een relatie door de generaties heen?’
Reageer daar maar eens op. A) Alleen talentloze imbecielen schrijven boeken met Freud op schoot. B) Geloof niet alles wat ze je op school vertellen. C) Zelfs als er, wat ik niet ontken, ‘wel iets in zit’, dan is het een absurde veronderstelling dat daar bewust voor ‘gekozen’ is, evenmin als dat je van een personage een hoer ‘maakt’. Je maakt van personages geen hoeren, ze blijken het te zijn.
Zo zit het; én niet natuurlijk. Schrijven is een delicaat proces, een balanceerkunst tussen sturen en vrijlaten, tussen coachen en kastijden, tussen plannen en bespieden. De ‘bewuste keuze’ waar interviewers altijd naar vragen is maar relatief, en mogelijk zelf weer onderworpen aan lotsgrillen en logica die ons vreemd zijn. Het is een van de ingewikkeldste vragen die je een schrijver kunt stellen.
Maar godzijdank is dat helemaal niet wat interviewers, studentes en scholieren willen weten. Ze willen alleen vertellen hoe ze er zelf over denken. En graag een reactie.