DEMOCRATIE 2.0 VAN GEENSTIJL

Reaguurders in de digitale onderbuik

Tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend, noemt het ‘shocklog’ GeenStijl zichzelf. Toch wordt dé website van de onderbuik uiterst serieus genomen, ook door de kwaliteitsmedia.

HET IS BEKEND dat één desastreus mediaoptreden het einde van een politieke carrière kan betekenen; presidentskandidaat Dan Quayle kwam nooit zijn blunder te boven toen hij voor een horde journalisten in een klaslokaal de spelling van ‘potato’, op een schoolbord, foutief verbeterde in ‘potatoe’. Ella Vogelaar zal 17 april van dit jaar nog lang heugen, de dag van haar potato-moment, toen ze onverwacht Rutger Castricum van GeenStijl-tv voor haar neus kreeg. Het gaat te ver om te zeggen dat Vogelaar gevallen is door GeenStijl, maar haar serie onhandige mediaoptredens droeg zeker bij aan de ondermijning van haar positie – en haar confrontatie met Castricum was zonder twijfel het meest ongelukkige uit die serie.
Nog steeds is het fragment niet zonder enige plaatsvervangende schaamte te bekijken. Castricum, qua doen en laten het vileine neefje van Robert Jensen, duwt minister Vogelaar op een onbewaakt moment een microfoon onder haar neus en begint lullige vragen te stellen over haar pr-probleem, terwijl de bewindsvrouw zichtbaar steeds geïrriteerder raakt. Geen van de omstanders grijpt in. ‘Ik krijg bijna medelijden met u’, zegt Castricum nog. Op het oog is het gênant omdat een minister met een van de belangrijkste portefeuilles niet tegen een zuigend presentatortje op lijkt te kunnen, maar nog wel meer gênant zijn de interviewmethodes van Castricum, die alle fatsoensnormen voorbij gaan.

………………………………………………………………………………………………..
EIGEN STIJL
Zeg wat je wilt over GeenStijl, maar wanneer het op taalgebruik aankomt maken ze hun naam niet waar. Elk nieuwsberichtje is geschreven met een dodelijke ironie, of is juist een gestileerd spervuur van boutades en beledigingen. Het meest uniek zijn de eigen spelling (homo is heaumeau, geil geyl) en het idioom dat ook de reaguurders gebruiken, volgens een essay in het blad Onze Taal een mengeling van eufemismen en dysfemismen (‘vergrovingen’):

020 Amsterdam
020 Gaza Amsterdam Bijlmer
Hakbar extremistische moslim
Fin Marokkaan
Kaalkopje skinhead
Breezah jong meisje
Plofkip vrouw met bomgordel
26K Gezichtje iemand die
in aanmerking komt voor het Generaal Pardon voor vluchtelingen (K is duizend)
Handtasje aanstellerige homoseksueel
Campingzender SBS 6
Lutser samenvoeging van loser en prutser
Dhimmitude westers politicus met
de attitude van een ‘dhimmi’ (Arabische
term voor onderdanige niet-moslims)
Behaarde Oksel Dagen
het Oerol-festival
gHakStE provinciale uitroep van
blijdschap, zoals ‘Eindhoven de gekste!’
Kudt uitroep van teleurstelling
Staats-tv publieke omroep
Bashen agressief debatteren, beledigen
Zapruden ergens een complot
in zien, naar de Zapruder-filmopnames
van de aanslag op Kennedy
Fappen onomatopee voor masturberen
Kapottrekken seks
Stoppen met roken doodgaan
………………………………………………………………………………………………..

Daar is het GeenStijl natuurlijk altijd om te doen geweest, de fatsoensnormen overtreden – aanklachten wegens smaad en laster worden als trofeeën gepresenteerd, onder de slogan ‘tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend’. Maar meer was het filmpje de coming-out van GeenStijl als speler in het politieke landschap. Toen voormalig Telegraaf-redacteur Dominique Weesie in 2003 de website GeenStijl oprichtte werden in eerste instantie vooral ironisch geschreven stukjes (compleet met eigen idioom en spelling) geplaatst die de draak staken met het amateurisme van ‘oude media’ en van andere sites, maar na verloop van tijd werd GeenStijl steeds politieker. Voorlopig hoogtepunt was misschien wel de berichtgeving rond de zaak-Duyvendak deze zomer. Een bommenlegger was hij. Een linkse hooligan. In de meest scherpe bewoordingen werd Duyvendak weggezet, en toen hij eenmaal zijn Kamerlidmaatschap had opgezegd was de glorie voor GeenStijl compleet. ‘We hebben het voor elkaar’, kopte de site. Met het aftreden onlangs van Ella Vogelaar herhaalden alle journaals de beelden van haar aanvaring met Castricum; er heerste een hosanna-gevoel op de site, compleet met de advertentie dat GeenStijl nu op zoek was naar ‘Uberlutsers (m/v)’, nieuwe niksnutten in de politiek waar de site nu zijn pijlen op kan richten.

Het is een dubieuze eer om het pispaaltje te zijn van Nederlands meest venijnige ‘shocklog’. Je verkeert in goed gezelschap: vrijwel iedere politicus, intellectueel of andere bobo is al eens aan de beurt geweest. Zie het als een rite de passage naar mediapersoonlijkheid. Zie het ook meteen als een vermenigvuldigingsfactor van je bekendheid: volgens hoofdredacteur Weesie heeft de site, eigendom van de Telegraaf Media Group (al is de redactie autonoom), per maand 1,8 miljoen bezoekers en verwelkomde ze onlangs de honderdduizendste ‘reaguurder’, zoals de geregistreerde leden zichzelf noemen.
Zorg alleen wel dat je hyves, blog of e-mailaccount een beetje afgeschermd is tijdens die rite, want die honderdduizend reaguurders hebben er nog wel eens een handje van om je een berichtje te sturen.
GeenStijl bestaat bij de gratie van de belediging; wie de site een tijdje bijhoudt ziet een wereldbeeld van een groepje mensen dat zich van alle kanten bedreigd voelt. Den Haag is een corrupte ivoren toren, waarin onbekwame politici elkaar de hand boven het hoofd houden. De straat wordt geregeerd door Marokkaanse straatterroristen, waar landelijke en plaatselijke bestuurders laf tegen optreden. Weg van de straat, in goedkope flats, zijn radicaliserende moslims plannen aan het smeden om alle vrijheden van de liberale democratie aan te vallen. Buiten de Randstad proberen gristelijke kliekjes diezelfde liberale verworvenheden terug te draaien. Niet alleen de publieke omroep, maar ook kranten als NRC Handelsblad en de Volkskrant (steevast aangeduid als ‘De Azijnbode’) zijn linkse bolwerken, grachtengordelkliekjes, die hun zendtijd en kolommen gebruiken om een linkse agenda te pushen.
De maatschappij is maar een enge plek, kortom. In hun boek Het bange Nederland betogen wetenschappers Ewald Engelen, Ido de Haan en Jan Willem Duyvendak dat een deel van de Nederlandse elite – mensen als Verdonk, Wilders, Marijnissen en Scheffer – het volk consequent angst aanpraat voor etnische minderheden, terrorisme en globalisering, om zo hun eigen positie als culturele voorhoede te herstellen. GeenStijl valt naadloos in dat rijtje van angstaanjagers te plaatsen.
Dat antilinkse betekent overigens nog niet dat ze per definitie pro-rechts is. Over de aanvaringen van PVV’er Doin Graus met justitie is herhaaldelijk ironisch geschreven. Nog wel feller werd van leer getrokken tegen Trots op Nederland, waarmee de site in een zelf uitgeroepen staat van oorlog verkeerde nadat Verdonks spindoctor Kay van de Linde GeenStijl-tv weigerde op de oprichtingsbijeenkomst van de partij. ‘We gaan je kapodt maken’, kopte GeenStijl. Vorige week werd de daad bij het woord gevoegd: hoewel verscheidene media de geluidsfragmenten van de speech van Kay van de Linde waarin hij TON gebakken lucht noemde, hadden aangeboden gekregen, plaatste GeenStijl ze als eerste. Drie dagen later stapte Van de Linde bij de partij op – ‘En dat is drie!’ was nu de kop.
Zelf kwalificeert GeenStijl zich liever niet als links of rechts, maar als ‘een weblog over democratie’. Want hoewel het zelf stelt: ‘Op GeenStijl wisselen nieuwsfeiten, schandelijke onthullingen en journalistiek onderzoek elkaar af met luchtige onderwerpen en prettig gestoorde onzin’, schuilt er wel degelijk een ideologie in al dat gezeik en gekanker, een libertarische visie waarin die democratie het best gediend wordt met totale openbaarheid. Man en paard noemen, zoals Pritt Stift eens schreef, politieke correctheid overboord gooien, naar Britse tabloidstijl. Hoor en wederhoor is voor mietjes. Eerst schieten, dan mikken. Dus natuurlijk wordt het adres van de veroordeelde pedofiel (‘kleuterneuker’) in Utrecht vermeld, natuurlijk wordt er een complot gezien als het televisiebeeld wegens een technische storing wegvalt als Wilders net spreekt bij de Algemene Beschouwingen, en natuurlijk wordt een vermeende vrijage van PVDA-wethouder Paul Depla met een VVD-medewerkster in een fietsenhok breed uitgemeten.
In de praktijk betekent dat dat om het uur een berichtje wordt gepost, geschreven door redactieleden die met een schuilnaam signeren – Pritt Stift, Brusselmans, prof. Hoxha, Fleischbaum, Mutsearts, enzovoort – van een paar honderd woorden lang, doorspekt met hyperlinks die verwijzen naar nieuwsberichten en andere bronnen die de these van het stukje dienen te bewijzen. Die bronnen zijn regelmatig afkomstig uit het netwerk van de tienduizenden leden, een netwerk waar vele nieuwsredacties jaloers op moeten zijn. Zo wist GeenStijl bijvoorbeeld via dit netwerk als eerste te achterhalen hoe de Nederlandse vrijwilligster in de FARC heette, en waar ze vandaan kwam.
Toch heeft dat iets geks; GeenStijl ontkent in alle toonaarden een journalistiek medium te zijn, maar doet enorm zijn best om zelf met nieuws te komen en om de nieuwsberichtjes met feiten te onderbouwen – als dat geen journalistiek is, wat is het dan? De Raad voor de Journalistiek oordeelde vorig jaar dan ook dat de site wel degelijk journalistiek bedrijft, en dus protocollen als hoor-wederhoor zou moeten toepassen. Zelf zegt GeenStijl de Raad niet als legitiem orgaan te erkennen, en heeft deze uitspraak in de prullenbak gedonderd, maar daagde wel een Volkskrant-journalist voor diezelfde Raad toen de berichtgeving over de site hen niet beviel.
Zo is de situatie dat GeenStijl een journalistiek medium is dat deel uitmaakt van een journalistiek concern, geschreven wordt door journalisten wier artikelen een journalistieke uitwerking hebben, maar dat zichzelf toch ontslaat van elke journalistieke verantwoordelijkheid.
Wat héérlijk makkelijk. Easy.
En helemaal zuiver is dat idee van Man en Paard niet. Er hangt vaak een geur van willekeur aan. Treurig voorbeeld waren de uitgelekte privé-foto’s van presentatrice Manon Thomas: direct werden ze op de site geplaatst. Toen er een privé-filmpje opdook waarop actrice Georgina Verbaan zoenend was vastgelegd met een man die niet haar vriend was, hield GeenStijl de boot af, omdat ze de bron, een amateur-paparazzo, niet vertrouwden. Bij Thomas hadden ze die voorzichtigheid niet (de blootfoto’s bleken te zijn gestolen), bij Verbaan – wier vriendje, Jort Kelder, vanwege zijn standpunten en stijl vaak door GeenStijl opgehemeld – ineens wel.
In GeenStijl-taal: rechtsmensen die rechtsmensen het handje boven het hoofd houden, zeer fout, geen kudo, – 1.

Maar wie maakt dat iets uit? In principe hoeft GeenStijl niets meer te zijn dan een groepje malcontents met een IP-adres, dat weliswaar wordt gesteund door mediaconglomeraat Telegraaf Media Group, maar dan nog een medium zonder formele macht is. Niemand is verplicht de site te bezoeken.
Toch denken veel media niet om de site heen te kunnen. In zijn oratie bij de aanvaarding van zijn hoogleraarschap media en kwaliteit betoogde Ben Knapen, oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad en lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, dat de journalistiek weerspiegelt wat er leeft in de samenleving, maar altijd één pas achterloopt: ‘De journalistiek ontdekt maatschappelijk-culturele onderstromen pas als zij een duidelijk zichtbare woordvoerder krijgen, tot open conflict binnen de geïnstitutionaliseerde elite of anderszins tot groot nieuws leiden.’
Niets maakte dit duidelijker dan de opkomst van Pim Fortuyn – terwijl de opiniemakers in de kranten hem verguisden, liep ‘het volk’ onverwacht met hem weg. Het was de cause célèbre van journalistieke onoplettendheid, het moment waarop duidelijk werd dat de media al die jaren helemaal niet de stem van het volk hadden vertegenwoordigd. Noem het survivor’s guilt, of Wiedergutmachung, een direct gevolg was dat ‘vox poppen’ een gevleugelde term werd op televisie- en krantenredacties: met een camera of blocnote de straat op om de gewone man om zijn mening te vragen; de stem van het volk, vox populi. Piet Hagen, toenmalig hoofdredacteur van het vakblad De Journalist, riep kort na de moord op Fortuyn zelfs op tot een hervorming in de journalistiek, waar de vooral linkse redacteuren weer affiniteit moesten krijgen met hun lezers, het volk: ‘Soms zal het nodig zijn bij nieuwe vacatures wat actiever te zoeken naar redacteuren en medewerkers die de doelgroep van nabij kennen.’ Kortom, journalisten die niet boven het volk zweven, maar er midden in staan – en de onderbuik delen.
Dat is precies die lacune die GeenStijl zegt te vullen, en de enorme bezoekersaantallen suggereren dat het dat nog waarmaakt ook. Maar GeenStijl is meer dan een vrijplaats voor de onderbuik – het stuurt de onderbuik. De hyperlinks in de berichtjes verwijzen dikwijls door naar bronnen die op meer dan één manier zijn te interpreteren en lang niet altijd de strekking van GeenStijl ondersteunen. En met de onderbuik stuurt het de media, die vanwege dat Fortuyn-syndroom altijd op zoek zijn naar een ‘duidelijk zichtbare woordvoerder’ van de vox populi.
Weblogs als GeenStijl hebben zo de journalistiek in de tang. Enerzijds voelen de kwaliteitsmedia zich verplicht deze podia voor de onderbuik in de gaten te houden, anderzijds worden ze gedwongen zich met dezelfde zin en onzin bezig te houden. Vooral in de Verenigde Staten heeft men hier veel ervaring mee; de eerste rij van de perstribune op de Democratische Conventie werd zelfs aan bloggers vergeven. Een paar honderd weblogs, links en rechts, hebben de afgelopen paar jaar het weefsel van berichtgeving en opinievorming ingrijpend veranderd. Sterk voorbeeld is het ‘swift boat’-incident uit 2004, toen een onduidelijk groepje via internet ongefundeerde berichten verspreidde dat John Kerry zijn Vietnam-ervaringen zou hebben overdreven. Het verhaal werd herhaaldelijk aangezwengeld door blogger Mike Drudge, van het populaire Drudge Report (eerder al verantwoordelijk voor het aanjagen van het Lewinsky-schandaal). Inmiddels is ‘swiftboaten’ een politieke term geworden voor via de ‘blogosphere’ je concurrent zwart maken.
In Nederland geldt hetzelfde: soms zijn de klachten van GeenStijl legitiem (bijvoorbeeld over het aantal journalisten van de publieke omroep die de Democratische Conventie versloegen in vergelijking met het aantal verslaggevers van de Republikeinse: twintig op één), maar vaker zijn ze dat niet. De eerder genoemde zaak rond wethouder Depla is het perfecte voorbeeld. Eind november vorig jaar plaatste GeenStijl een artikeltje met de kop: ‘PVDA-wethouder oraal bevredigd in fietsenhok’. De wethouder in kwestie was de Nijmeegse bestuurder Paul Depla, en deze zou volgens ‘De Chileen’ seks hebben gehad in het fietsenhok van het stadhuis, met een VVD-raadslid, onder het registrerende toezicht van een beveiligingscamera. Bij het artikel stond verder geen bronvermelding, al werd er gehint op mensen van de stadhuisbeveiliging.
Hoe smeuïg ook, seks tussen twee volwassenen is voor de kwaliteitsmedia geen nieuwsfeit, ook niet als de mensen politici zijn, of met anderen getrouwd. Alleen in dit geval werd de populariteit van GeenStijl een probleem voor de kwaliteitsmedia: door de tienduizenden reaguurders verspreidde het gerucht zich via internet, en werd het overgenomen op weblogs, radio en tv. Ineens was het een hype, en de kwaliteitsmedia voelen zich wel verplicht over hypes te schrijven. Terwijl GeenStijl en De Telegraaf de volgende dag haasje-over speelden met vervolgverhalen verstuurde het ANP een persbericht en schreven de Volkskrant en NRC Handelsblad stukken over de hype rond Depla, waardoor dat niet-nieuwswaardige fietsenhokavontuur ineens wél nieuwswaardig werd.

In feite draait het om een botsing over de vraag wat journalistiek moet zijn – of, op een hoger niveau, wat democratie moet zijn. Studenten journalistiek leren op hun eerste college dat kwaliteitsmedia essentieel zijn voor de vrije democratie; de media informeren de burger over het functioneren van ’s lands bestuur, opdat de burger tijdens de verkiezingen een weloverwogen keuze kan maken. Het kan nog filosofischer geformuleerd worden: een vrije pers geeft ruimte en zuurstof aan de uitwisseling van ideeën en meningen die de democratie vormen. De democratie die de GeenStijls van deze wereld voor ogen hebben is democratie 2.0, het draait niet om verantwoord bestuur, maar om totale openbaarheid. Niet de journalistieke redacties bepalen wat relevant is om te weten over een bestuurder (wat nieuwswaardig is), dat maakt de burger zelf wel uit, en dus moet hij alles mogen weten. Of een minister goed bestuurt wordt dan net zo belangrijk als of hij seks heeft gehad in de fietsenstalling, sm-kelders bezoekt, een verleden van activisme heeft of goed gebekt is als hij verbaal wordt aangerand door een vileine presentator.
Zoals Pritt Stift schreef: man en paard noemen, naar Britse tabloidstijl.
Als alles wat openbaar is op dezelfde composthoop die Nieuws heet wordt gegooid, dan wordt alles ook even belangrijk. Het wegvallen van een hiërarchie van nieuwswaardigheid maakt dat het nieuws steeds platter en grover wordt – precies zoals in de provocerende Britse tabloids. Als gevolg is de jacht geopend, en de regels zijn: er zijn geen regels. Dan schuilt dat ene desastreuze mediaoptreden, het potato-moment, achter elk struikgewas. Stelt u zich de volgende verkiezingen voor, waar elk corporaal jongensclubje met een breedbandverbinding en een camera een lijsttrekker kan intimideren, het resultaat op zijn website zetten en zo iemands reputatie om zeep helpen.
En zolang de kwaliteitsmedia niet genoeg afstand durven nemen van deze digitale onderbuik versterkten ze het effect. Zij weten wel wat de journalistieke fatsoensnormen zijn, en wat dus wel en niet aandacht verdient. Zoals Irene Costera Meijer, bijzonder hoogleraar journalistiek aan de Vrije Universiteit, dit weekend in NRC Handelsblad betoogde: eigenlijk had het NOS-Journaal het filmpje van Vogelaar en Castricum nooit uit mogen zenden, zoals het indertijd deed, als grappig afsluitertje na het weerbericht. Journalistiek deugde het niet, zendt het dan ook niet uit, daarmee waardeer je het alleen maar op.

In alle eerlijkheid kun je niet alleen weblogs als GeenStijl de schuld geven; een tweede erfenis van de Fortuyn-revolte is de opkomst van de mediapoliticus, een soepele omgang met de pers is steeds meer een vereiste geworden. En omdat in elk mobieltje een (verborgen) camera schuilt waarvan de beelden via YouTube en blogs kunnen worden uitgezonden, schuilt in iedere voorbijganger een potentiële journalist. De mediapoliticus moet dus met iedereen kunnen omgaan, en permanent op zijn hoede zijn. Vorige week vertelde Weesie bij De wereld draait door nog dat GeenStijl van alle partijen uit Den Haag – behalve het CDA en de Christenunie – geheime tips krijgt, en niet alleen uit de Tweede Kamer, maar ook uit de ministerraad.
Terwijl kranten- en tijdschriftenoplagen dalen, verdubbelt het aantal blogs wereldwijd ongeveer elke negen maanden. Nu zijn er weinig zo goed georganiseerd als GeenStijl, maar er zullen vanzelf kapers op de kust komen. De Vara heeft geld uitgetrokken om een linkse GeenStijl op te richten, zoals er in de VS al een aantal zeer succesvolle linkse blogs zijn. Het is niet zo dat alleen de rechterzijde van het politieke spectrum digitaal gewapend is. GeenStijl bekvecht alsof Nederland nog zwaar gepolariseerd is; als er meer tegenwicht komt van de andere kant trekt dat de discussie meer recht, en neemt de invloed af. Nu is GeenStijl de enige brulkikker in de vijver, als er straks wat kikkers naast hem zitten valt dat gekwaak al een stuk minder op. Het is aan de kwaliteitsmedia om beter op te letten en dat gebrul te filteren.
Dat Ella Vogelaar samen met Rutger Castricum fors aan de leiding gaat in de NOS-(internet)verkiezing van het Politieke Moment van het Jaar zal voorlopig een schrale troost zijn. Toen de digitale stembus één dag open was stond het GeenStijl-moment op bijna achtduizend stemmen, het eerste daarna op nog geen vierhonderd. De reaguurders doen hun werk.