Realisme brengt rust

Het nieuwe, beschouwelijke realisme van Esaias van de Velde is karakteristiek voor de nuchtere omgang met de eigen werkelijkheid van de nieuwe, burgerlijke cultuur.

Zo helder en rustig is de tekening van Esaias van de Velde dat je je precies kunt voorstellen hoe hij daar zat te werken, in 1615, aan de weg door Spaarnwoude, tegenover de kerk met zijn slanke toren. Het was een opdracht. Esaias maakte de tekening omdat er een prent van gemaakt moest worden. Maar toch: ook al was er dus topografische nauwkeurigheid gevraagd, er is iets bijzonders in de langzame beschouwelijkheid waarmee de kunstenaar het tafereel beziet en dan op papier weergeeft. Kijk naar onder aan het blad, net links van de sloot: daar zat hij te tekenen, net buiten beeld. Ik denk dat hij eerst de kerk heeft neergezet. Topografisch gezien is die het hoofdmotief en voor de tekenaar ook het richtpunt. Daarna ging zijn blik langzaam tastend langs de boerderijen en de bomen, van links naar rechts. Voorzichtig brengt hij stille schakeringen aan van licht en schaduw. Links van de boerderij rechts geeft de tekening een doorkijkje naar weilanden en naar meer ruimte voorbij het kleine dorp. Rondom vormen kerk en boerderijen een wijde boog die een begrenzing vormt van wat werkt als een stille, beschutte binnenruimte, voor de dorpelingen en de koeien. Zo, lijkt me, wilde Esaias het dorp zien: de vredigheid ervan. Natuurlijk is de kerktoren het centrale gegeven van de tekening. Maar ook de rustige ruimte daarvoor is een bepalend motief. Er is geen opwinding – en ook de stijl van tekenen is beschouwelijk en realistisch.

Voor ons is het nog maar moeilijk voor te stellen dat deze simpele vorm van realisme ooit revolutionair was. Maar het is wel zo. In zijn befaamde Schilder-boeck laat Karel van Mander (1604) de verzamelde biografieën voorafgaan door een omvangrijk leerdicht waarin wordt uitgelegd, zo ongeveer, waar je bij het kunst maken op moet letten. Over waterrijke passages in een landschap lezen we daar: ‘Met zachte biezen, riet en zwaardvormige lissen zullen we dan deze bochtig verlopende drinkplaatsen van de vissen aan weerszijden beplanten: en de stilstaande poelen ook zo opvrolijken dat daar de begroeide oevers in weerspiegelen…’ Dat lijken handige aanwijzingen. Maar als je in Van Manders desbetreffende hoofdstuk leest, merk je dat hij het landschap ziet als een meeslepend, kleurrijk theater dat de kunstenaar in zijn atelier verzint en in elkaar zet. Natuurlijk gebruikt hij daarbij al zijn waarnemingen uit de levende natuur; biezen of zwaardvormige lissen zal hij zo nodig bekeken en getekend hebben. Maar een groot schilderij maken, was iets anders. Dat moest, op de manier van bijvoorbeeld de voorbeeldige Breughel, weids en luisterrijk zijn. Alles moest erop staan: eerst heuvels en bossen, dan een weg naar het ruime dal beneden en brede rivieren traag door oneindig laagland, dan verder weg nog blauwgroene bergen tegen natuurlijk een rumoerig zwerk. Maar dan is in 1622 in Het Pontveer van ook Esaias van de Velde de stilte van de rivier het eigenlijke motief – de vredigheid ervan, net als die op de meent voor de kerk van Spaarnwoude.

Rechts op de voorgrond begint dit bochtig verlopende water, alsof de schilder naar Van Mander geluisterd had, inderdaad met wat planten. Je moet ergens beginnen. Het water kan niet plompverloren binnenstromen, want wat je kunt zien is hoe zorgvuldig Esaias het roerloze spiegelende water heeft omgeven met, op de oevers, bomen en gebouwtjes, en zo ruimte maakt. Het water lijkt nog roerlozer door wat er in het gladde licht (dat uit de lucht komt) wordt weerkaatst, door wat er op de oevers aan rustige bedrijvigheid gaande is. Dat is ook veel, maar het wordt niet als bij Breughel ontvouwd als eindeloos vergezicht – in het intieme riviergezicht van Esaias blijft alles dichtbij als in een stilleven omdat de schilder niets verzonnen heeft.

Dit nieuwe, beschouwelijke realisme is karakteristiek voor de nuchtere omgang met de eigen werkelijkheid van de nieuwe, burgerlijke cultuur. Realisme zelf brengt rust omdat het niet speculatief is. Als Het Pontveer wordt geschilderd, is het Twaalfjarig Bestand net een jaar voorbij. Maar de Republiek is nu wel onafhankelijk. In het schilderen hebben we ook niets meer te maken met capriolen uit de Italiaanse stijl. Precies dus in het midden van het schilderij, boven aan de mast van het bootje dat daar op de helling ligt, wappert een kleine Hollandse driekleur.


PS De rederijkerstaal van Karel van Mander heb ik geciteerd in de vertaling van Hessel Miedema – in diens voorbeeldige editie van Den grondt der edel vry schilder-const (Utrecht, 1973)