Realiteitsreparaties uit doodsangst

Arie Storm is soms zalig hallucinant © Ernst Coppejans/Lumen

Wie op Google Streetview inzoomt op de Kloveniersburgwal 51 ziet tegen het linkerraam een strookje papier geplakt, met daarop de tekst: werkplekken vrij. Misschien zat hier, tot hun klus aan het einde van de nieuwe roman van Arie Storm geklaard was, de firma List & Leed.

Tijdens een opvoering van zijn toneelstuk Circus Reve krijgt personage Arie door een jongen die zich voorstelt als Chuck Ramkissoon een kaartje in handen geduwd van de firma List & Leed, Realiteitsreparaties. En die blijken nodig. Sinds de verschijning van Arie’s roman Maans stilte, die de echte Storm zelf in 2015 schreef, zijn feit en fictie gevaarlijk door elkaar gaan lopen. Niet lang nadat hij in dat boek zinspeelde op de dood van Eddie Maan overleed de hoogleraar naar wie het personage was gemodelleerd echt.

De grenzen tussen verbeelding en werkelijkheid zijn in Storms werk altijd poreus geweest. List en leed is zijn elfde roman en de vierde waarin hij August Voois opvoert, zijn alter ego dat sterk op hem lijkt. We bevinden ons in List en leed afwisselend in de wereld van August en Arie, terwijl beiden werken aan een roman over de relatiecrisis waarin ze zitten: ze denken dat hun vrouw hen uit haar leven wil verwijderen. Storms consistente stijl houdt de roman stevig bijeen: de pretentieloze helderheid, de deadpan humor, de zure oprispingen over de Nederlandse literatuur. Hoewel het zich niet in de opbouw toont, bestaat List en leed gevoelsmatig uit drie fases, waarin de roman zich steeds verder verdiept.

De eerste pakweg honderd pagina’s draaien om de oplossing die de whizzkids van List & Leed hebben bedacht om de orde tussen de parallelle universums te herstellen: August moet naar de werkelijkheid waarin Arie leeft en Arie moet naar de verhaalwereld van August. Dat levert vermakelijke toestanden op, waaraan Storm zelf afbreuk doet door elke vervreemdende doorbreking van tijd en ruimte uit te leggen: ‘Het kwam erop neer, vatte August voor zichzelf samen, dat hij een personage in een roman was. Zo plat was het, meer kon hij er niet van maken. Dit idee, deze hele gedachte, was op zich niet raar – dat personages erachter kwamen dat ze niet méér waren dan personages was zelfs een gemeenplaats geweest in de postmoderne roman –, maar het bleef natuurlijk niet meer dan een constructie.’

Toegankelijk ­postmodernisme is óók leuk als niet alles wordt uitgelegd

In Het horrortheater van de Nederlandse literatuur sprak Storm vorig jaar de wens uit: ‘Kome er opnieuw: toegankelijk postmodernisme.’ Je kunt je afvragen hoe de Nederlandse literatuur daar precies van opfrist, de toepassing van postmodernistische strategieën in Storms eigen werk dreigt eerder een verstarde conventie te worden. Is het zelfspot van Storm dat hij daarop wijst door zijn ingreep cliché te noemen? Of dient die schoolse uitleg om ons eraan te herinneren dat we fictie lezen? De hele roman blijft Storm eindjes aan elkaar knopen: een vreemde droom wordt later keurig van commentaar voorzien, een inktvis wordt voorgesteld als Saul Bellow met een grapje dat honderd pagina’s verderop wordt uitgelegd. Terwijl toegankelijk postmodernisme óók leuk is als niet alles op een presenteerblaadje wordt aangereikt.

Het verhaal wordt alsnog zalig hallucinant zodra er een laag poldersciencefiction bij komt. Chuck Ramkissoon en zijn partner Holden Caulfield – ‘Holden heeft, hoe zeg je dat, een antenne voor authenticiteit’, zei Chuck Ramkissoon ernstig. ‘Hij weet heel goed wat echt is en wat niet’ – hebben tussen Betondorp en hun duistere laboratorium aan de Kloveniersburgwal 51 een bizar gangenstelsel gecreëerd dat de mannen oversteken om de plaatsvervanging te realiseren.

List en leed gloeit helemaal op als Arie tijdens zijn metamorfose diep in zijn gemoed begint door te dringen. Het werken aan Circus Reve heeft hem in een staat van regressie gebracht, steeds opnieuw keert hij terug naar zijn jeugd in de Haagse Schilderswijk. De twijfel aan de betrouwbaarheid van zijn herinneringen doet hem ook twijfelen aan zijn huidige identiteit. Ooit werd hij verliefd op zijn vrouw omdat ze hem deed denken aan een nichtje, maar als hij dat nichtje verzonnen heeft, wat zegt dat dan over de liefde voor zijn vrouw? Zijn malende gedachtes maken hem neerslachtig: ‘Misschien was ik mijn roman verkeerd begonnen, misschien was het niet waar dat mijn vrouw me uit haar leven wilde verwijderen, maar was het precies andersom: misschien wilde ík mezelf uit ieders leven verwijderen.’

Een van Arie’s drijfveren om met het voorstel van Chuck Ramkissoon in te stemmen is zijn doodsangst. Het idee dat hij er ooit níet meer zal zijn vervult hem met een gevoel van zinloosheid, maar als personage in zijn eigen roman zal hij altijd voortleven. Waar zijn zelfexegese zoals gezegd eerder soms ergerlijk is, drukt het in deze fase een gevoelige eerlijkheid uit: ‘Dát is de reden dat ik schrijf, dat ik zelfs vlucht in mijn schrijven: ik wil die angst wegdrukken, want ik weet heel goed dat die angst reëel is, dat het niet zomaar iets is, iets wat ik me inbeeld. Alles zál op een dag verdwijnen, alles zál op een dag in één grote beweging onder me vandaan worden getrokken.’

Na vier romans begint het Voois-universum wat sleets te worden, de romans herhalen zich in techniek, thematiek, tot zinsniveau aan toe. Maar List en leed onderscheidt zich door de overtuigingskracht van het omineuze, bijna afgrondelijke levensgevoel dat Storm oproept, waarin de balans tussen beheersing en wanorde precair is en schrijven de enige manier om niet aan diggelen te vallen. Hoe moet dat verder met Storm nu het verschil met Voois is weggevallen?