De slag om de teleburger

Reality-oorlog

Meer dan vijfhonderd hoofdzakelijk Britse en Amerikaanse oorlogsverslaggevers reizen in Irak met de militairen mee om de oorlog vanuit de frontlinie te verslaan. Door de aanwezigheid van journalist en cameraman lijdt het geen twijfel: deze beelden zijn echt. Anders dan tijdens de eerste Golfoorlog is de kijker niet meer verdoofd door schijnbeelden die de illusie van een schone oorlog instandhouden. De beeldtaal is nu die van realiteitstelevisie. Dat maakt het onmogelijk de gruwelijkheden als een B-film te ervaren. De belangrijkste reden hiervoor is de diversiteit van informatiebronnen: naast de realiteitstelevisie van Britse en Amerikaanse makelij creëren vooral onafhankelijke Arabische zenders en het internet een nieuwe werkelijkheid waarin de moderne mythe van de schone oorlog finaal ten grave wordt gedragen.

Dat was anders in 1991. Toen baarde de Franse filosoof Jean Baudrillard opzien met het essay The Gulf War Did Not Take Place. Hij stelde dat de kijker geen idee had van de rauwe werkelijkheid van de oorlog. Nieuwszender CNN presenteerde het conflict als een sciencefictionachtige strijd waarbij lasergeleide bommen de plaats innamen van raketten, tanks en infanteristen van vlees en bloed. Het ultieme bewijs van de virtualiteit van de eerste Golfoorlog vond Baudrillard in de wijze waarop generaal H. Norman Schwarzkopf de overwinning vierde: door een feest te geven in het «paleis van de verbeelding, Disney World».

Dit proces zet zich door; de werkelijkheid wint terrein op de virtualiteit. Dat betekent niet dat kijkers en lezers nu opeens getuigen zijn van ongecensureerde oorlogshandelingen en -feiten. Integendeel, de nieuwe «werkelijkheid» is mede het gevolg van de Amerikaanse propagandamachine. Het is te danken aan de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld dat honderden journalisten met het invallende leger kunnen meereizen. Een meesterzet, volgens sommigen. Militaire analisten verwachtten immers weinig weerstand van de Irakezen. Rumsfeld en zijn adviseurs droomden ongetwijfeld over Amerikanen en Britten die de vijand met brute kracht overrompelen, als in de films met Bruce Willis of Sylvester Stallone. Dat iconische heroïsme zou zowel de gemiddelde Amerikaan als televisiekijkers overal ter wereld aanspreken; het zou van doorslaggevend politiek en diplomatiek belang kunnen zijn.

Had Rumsfeld niet kunnen voorzien dat dezelfde ingebedde verslaggevers met dezelfde geavanceerde communicatieapparatuur óók verslag zouden doen van gevechten zoals die bij Umm Qasr en Nasiriyah waarin de coalitie zware verliezen leed? En dat de Iraakse bevolking ook over digitale videocamera’s beschikt, opdat televisiezenders als al-Jazira beelden de wereld in kunnen sturen van dode Amerikaanse soldaten, kapotgeschoten kinderschedels, krijgsgevangenen en neergehaalde Apache-gevechtshelikopters? Het antwoord is wellicht ja. Toch lijkt het erop dat Rumsfeld eieren voor zijn geld heeft gekozen. Het gaat hem in eerste instantie om de Amerikaanse kijker. Amerikaanse zenders zonden de beelden van de Amerikaanse krijgsgevangenen en van de gesneuvelde soldaten dan ook niet uit.

Deze oorlog is de oorlog van de nieuwe realiteit: de denderende tanks in de woestijn, het huilende kind in het ziekenhuis in Bagdad, het akelige geluid van barstende bommen en fluitende kogels. Het is, in de terminologie van Baudrillard, de Golfoorlog die wel degelijk plaatsvindt.