Publiek verlaat Carré in Amsterdam na een laatste groet gebracht te hebben aan Peter R. de Vries, 21 juli © Sem van der Wal / ANP

Het was een ongewone rouwstoet van mensen op gympen, sandalen en sneakers, in korte broeken, rokjes, leggings, makkelijke vrijetijdskleding en hier en daar een vrouw met een hoofddoek om, een heer in stemmig zwart of – wat vaker – een jongen of man in Ajax-shirt, en Ethiopisch of Somalisch ogende vrouwen van wie je kon vermoeden dat ze ooit ons land binnenkwamen als vluchteling. Duizenden waren er naar Amsterdam gekomen om de laatste groet te brengen aan Peter R. de Vries, wiens beeltenis levensgroot de gevel boven de ingang van Carré sierde en wiens stoffelijk overschot was opgebaard in een gesloten witte kist in de hal van het theater. Ze hadden bloemen bij zich, bescheiden boeketjes in plaats van de gebruikelijke imponeerbossen, wat aan de rouwprocessie iets ongekends verfijnds gaf, soms was er een kind bij met een tekening.

Wat opviel aan de kilometerlange rij: heel Nederland leek vertegenwoordigd, van Brabants diep uit de provincie tot en met Surinaams of Marokkaans uit de Randstad. Het was een manifestatie van algemene verslagenheid: een oprecht vertoon van rouw dat normaal gesproken – zij het minder spontaan en meer voorgeschreven door traditie – alleen is weggelegd voor overledenen van het koningshuis. Nederland nam afscheid van zijn crimefighter die veel meer was dan een misdaadverslaggever.

Zo werd ook duidelijk uit het Nationale Condoleance Register dat daags na het overlijden van Peter R. de Vries werd geopend. ‘De man die opkwam voor onrecht is het leven afgenomen.’ ‘Nederland verliest nu een zeer belangrijke man voor iedereen hier in Nederland.’ ‘Nederland is weer een strijder verloren!!’ ‘Onvergetelijke Peter, hoe moet Nederland verder zonder jou?’ ‘Wat een verlies voor Nederland, voor de gerechtigheid.’ ‘Nederland kan jou nog niet missen, maar het zal moeten.’ ‘Held Held Held! Heel veel liefs, Charif.’ Het is zomaar een greep uit het register.

Een kleine twee weken na zijn overlijden telt het meer dan 37.000 rouwbetuigingen die zich laten lezen als uitingen van een zeer persoonlijk ervaren collectieve shock van mensen die de indruk wekken zelf nooit de gevolgen van een ernstige misdaad aan den lijve ondervonden te hebben, maar wel te snappen wat de familie Verstappen, de familie Vaatstra en de familie Groen (‘breng Tanja thuis’) hebben meegemaakt. Zij kwamen met hun verschrikkelijke verlies en hun poging om recht te verkrijgen in de juridische en bureaucratische molen terecht waar niemand heelhuids uitkomt, werden slachtoffers van drama’s die ieder eenvoudig en machteloos burger hadden kunnen overkomen als hun kind op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats was geweest, en konden nergens verhaal halen. En er was ‘maar één Peter R. de Vries’ om hen bij te staan in hun zaak die ook de zaak had kunnen zijn van de gemiddelde bezoeker van het afscheid in Carré.

Waaraan dankt Peter R. de Vries deze vloedgolf van nationale empathie? Vanzelfsprekend is er de woede om ‘de giftige en beestachtige moord’. En uiteraard zijn er honderden die door hem zijn geholpen als slachtoffer van een kleiner of groter vergrijp, en hebben duizenden een beroep op hem gedaan. Maar daarmee is massale ontsteltenis die verder reikt dan de gebruikelijke verbijstering bij het kijken naar een programma als Opsporing verzocht nog niet verklaard. ‘Dit voelt’, schrijft iemand, ‘als het verlies van een familielid. Zonder jou is Nederland een held armer.’

‘Held’, ‘strijder’, ‘oprecht’ en ‘eerlijk’ zijn de meest voorkomende kwalificaties in het register. En het kan niet anders of in die omschrijvingen moeten de aanwijzingen te vinden zijn voor de oorzaak van de rouw om Peter R. de Vries. Hem wordt een aantal kwaliteiten toegedicht die Nederland lijkt te ontberen in een tijd dat de ambtelijke en bestuurlijke elite zich met de toeslagenaffaire en de politiek zich met het theater van de kabinetsformatie – ‘Omtzigt functie elders’ – ernstig diskwalificeren als genadeloos instrumenteel en ondoorzichtig en onoprecht.

Maar wat had Peter R. de Vries dan wat, laten we zeggen, Mark en Ferdinand niet hebben? En hoe werd hij de figuur die alom wordt geprezen om zijn helderheid, doorzettingsvermogen en taaie vasthoudendheid?

Van huis uit kreeg Peter de opdracht mee: kom op voor de kleine man

Geboren in 1956 groeide hij op in een kil en vroom gereformeerd gezin. Zo blijkt uit zijn autobiografische schets De R van rebel: Van kruimeldief tot crimefighter, dat – illustratief voor zijn hoge graad van laagdrempeligheid – een tijdlang bij het Kruidvat bij aankoop van actie-artikelen cadeau werd gegeven. Van de zes kinderen was hij de enige die opstond tegen zijn strenge en zwaar gelovige moeder en veeleisende vader die orde en recht hoog in het vaandel had staan als man uit het verzet – wat overigens in het gezin niemand wist. Hij stal uit zijn moeders portemonnee, maar niet uit het potje met geld voor het zendingswerk van de onderwijzer op school, want de zwakkeren, leerde hij thuis, moesten worden beschermd en geholpen. Als puber kwam hij door kruimelvergrijpen in aanraking met de politie, maar zijn middelbare school, de havo in Amsterdam-Buitenveldert, maakte hij af.

Peter zocht de grenzen op om ze – met vallen en opstaan – te leren aanvaarden. Daar komt het herkenbare verhaal van zijn jeugd op neer. Zijn jonge jaren spelen zich af in het naoorlogse Nederland dat op het kruispunt van zijn tienertijd, tijdens zijn adolescentie, van een brave samenleving verandert in de zogeheten permissive society. Die ervaring – met één been in de pantoffeltijd en met het andere in de provotijd te staan – lijkt zijn persoonlijkheid verregaand te hebben bepaald. Opstandig en onafhankelijk was hij evenzeer gevormd door de opvattingen over recht en fatsoen van een overzichtelijke samenleving en grootgebracht met de zelfdiscipline die kenmerkend was voor de wederopbouw. ‘Niet lullen, maar poetsen’, het Rotterdamse adagium dat deze mentaliteit het best uitdrukt, had ook de lijfspreuk van de latere misdaadjournalist en -bestrijder Peter R. de Vries kunnen zijn.

Het is dan ook verleidelijk in de kleine Peter al de trekken van de grote Peter te herkennen. Natuurlijk was de moeizame klein-criminele start, zoals hij zelf schreef, een levensles die hem leerde dat ‘het dubbeltje in je leven soms een andere kant op kan rollen’ en dat ‘je er zelf wat aan kan doen’. En natuurlijk moest hij zijn balans nog vinden. Maar de ingrediënten waren er al: hij nam niks – zeker niet het geloof – zomaar voor waar aan en had thuis geleerd wat het verschil tussen recht en krom is. Het gevolg: een jongen doordesemd met eerlijkheid en mannelijkheid naar jaren-vijftigsnit met net genoeg erfenis van de jaren zestig in zich om provocatief op te treden als hij dat nodig vond.

Zijn loopbaan is inmiddels genoegzaam bekend: misdaadjournalist bij De Telegraaf, hoofdredacteur van het blad Actueel, televisiemaker met een eigen misdaadprogramma (met primeur op primeur, van de Puttense moordzaak tot de ontmaskering ‘live’ voor de camera van Johan van der Sloot in de zaak-Natalee Holloway) en bekende nationale televisieverschijning. De Vries ontwikkelde zich van een journalistieke detective tot de openbare figuur die opkwam voor de slachtoffers van misdrijven en hun nabestaanden tot slachtoffers in het algemeen – van op internet gepesten tot Syrische vluchtelingen tot meisjes die te maken kregen met seksueel geweld.

Het geheim achter het succes van zijn optredens zat in dat ene typerende zinnetje dat hij vaak uitsprak op televisie: ‘Ik spreek gewoon de waarheid’ (‘en verwacht dat u of jij dat ook doet’, kwam er dan achteraan als een crimineel of een in zijn ogen hoogwaardige praatjesmaker tegenover hem zat). En met die aanpak, die eenvoud en betrouwbaarheid leek te vereenzelvigen, werd hij de vriend van het volk, de man die zegt waar het op staat in een wereld waarin de leugen zou regeren. Niet minder droeg zijn presentatie als gewone man bij aan zijn welslagen. Kenmerkend daarvoor waren de krentenbollen die hij vaak nuttigde als lunch bij een rechtszaak en waarmee hij demonstratief in een zakje aan kwam lopen – en waarvan ook exemplaren als ritueel kleinood bij zijn kist en op de plek van de aanslag zijn gelegd.

En dan is er natuurlijk zijn uitstapje naar de politiek. In 2005 werd hij lijsttrekker van de Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang (prdv), waarvan de initialen als gelukkig toeval samenvielen met die van zijn naam. Het partijprogramma liet hetzelfde wonderlijke mengsel van linkse en rechtse standpunten zien die ook kenmerkend waren voor zijn voorman. Het budget voor ontwikkelingssamenwerking moest omhoog, het bijzonder onderwijs dat integratie belemmerde moest afgeschaft, ‘het kwartje van Kok’ moest terug naar de automobilist en een restrictiever maar toch humaan vluchtelingenbeleid was gewenst. Het was een partijprogram dat op het lijf was geschreven van de gewone Nederlander met het hart op de rechte plaats, waarin de echo was te horen van de opdracht die Peter van huis uit had meegekregen om op te komen voor de kleine man.

De partij was een kort leven beschoren toen uit opinieonderzoek bleek dat niet de door De Vries gewenste 41 procent maar het kleinere aantal van 31 procent van de kiezers hem een aanwinst vond voor de politiek. De lijsttrekker trok zich terug. Maar wat bleef was zijn signaal. Nederland ontbrak het aan rechtvaardigheid en de zittende elite aan daadkracht. En Peter R. de Vries zou er alles aan doen om die gebreken te herstellen. Zo luidde de boodschap die vijftien jaar later nog nagalmt in een bericht op het condoleanceregister: ‘Jij had het verschil in de politiek kunnen maken door jouw oprechte, doortastende, transparante houding en manier van zijn in deze wereld! Maar jij zou een eenling geweest zijn in dat schimmige leugenachtige decor.’

Zat er dan geen enkel vlekje aan Peter R. de Vries voor wie in hem geloofde? Zijn vriendschap met Cor van Hout was zo’n vlekje dat hij zelf hielp vergroten toen hij in 2003 op diens begrafenis uitsprak dat hij de Heineken-ontvoerder als vriend ontzettend zou missen. Maar deze faux pas werd uiteindelijk weggestreept tegen het vele goede dat Peter R. de Vries voor ‘een rechtvaardiger Nederland’ deed. En zijn ‘open huwelijk’ werd hem al bij voorbaat vergeven, want zo’n vrije relatie hoorde als het ware bij een eigenzinnige en eerlijke man als Peter die niets moest hebben van het benepene dat ons land toch ook eigen was.

Anti-establishment en tegelijkertijd ouderwets bepleiter van waarden en normen, zaakwaarnemer van ogenschijnlijk verloren kwaliteiten van een samenleving waarin de burger zich door de bestuurlijke cultuur verweesd en gemangeld voelt. Het wordt Peter R. de Vries allemaal toegeschreven. Op het eind betoont hij zich de zoon van de vader in het verzet die niet wegliep voor de uiterste consequenties van zijn principes als hij bewust een ongehoord risico neemt door vertrouwensman van Nabil B. te worden. Een rebel voor recht en orde. Zo zag hij zichzelf en zo wordt hij gezien en gemist. Zelden vielen man, held en zijn imago zo samen als in zijn geval.